Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Klassiek Centraal

Levenslust als programma

Wie op zaterdag 23 mei op zoek was naar de ideale soundtrack voor een zwoele lenteavond, zat in Flagey precies waar hij moest zijn. Brussels Philharmonic presenteerde onder chef-dirigent Kazushi Ono een programma dat niet wilde overdonderen, maar verleiden: muziek die glanst zonder te pronken, die warmte uitstraalt zonder sentimenteel te worden. Wat deze avond bijzonder maakte, was niet alleen de kwaliteit van het musiceren, maar vooral de vanzelfsprekendheid waarmee alles in elkaar overvloeide. Ono toonde hoe muziek tegelijk kan ademen, zingen en dansen.

Het Siegfried Idyll van Richard Wagner (1813-1883) vormde een ideale opening. Het werk ontstond in 1870 als verjaardagscadeau voor Cosima Wagner, uitgevoerd op kerstochtend door een klein ensemble op de trap van hun villa in Tribschen. Het blijft een wonderlijke compositie binnen Wagners oeuvre: geen theatrale explosies, geen monumentale spanningsbogen, maar een intiem stuk muziek dat eerder fluistert dan declameert. Precies daarom gaat het zo vaak mis in uitvoeringen. Te veel romantische zwelgdrang maakt van het werk al snel een miniatuurversie van Tristan.

Ono koos gelukkig voor de enige juiste benadering: lichtheid, transparantie en vertrouwen in de partituur zelf. De kleine bezetting gaf de muziek een bijna kamermuzikale intimiteit. Strijkers speelden met fluwelen zachtheid zonder ooit week te worden; de houtblazers lieten hun motieven natuurlijk uit de textuur opwellen, alsof ze eenvoudigweg aanwezig waren in de ruimte. En dan was er die prachtige hoorn: warm, rond en melancholisch, als een verre herinnering aan de wereld van Siegfried die hier plots tot menselijke proporties werd herleid. Ono begreep dat deze muziek niet “gemaakt” mag klinken. Hij liet haar ontstaan. Zo klonk Wagner hier uitzonderlijk menselijk: niet de visionaire operacomponist, maar een man die probeert een moment van geluk vast te houden in muziek.

Vanuit die intimiteit vloeide het Klarinetconcerto van Gerald Finzi (1901-1956) haast ongemerkt voort. Een ontdekking blijft dit werk toch, zeker op onze concertpodia. Misschien omdat Finzi zich nooit echt liet inpassen in de grote muzikale stromingen van de twintigste eeuw. Zijn muziek zoekt geen revolutie, geen modernistisch statement. Ze zoekt schoonheid, troost en menselijke warmte – begrippen die lange tijd bijna verdacht werden gevonden in de klassieke muziekwereld.

En toch bezit dit concerto alles wat een groot werk nodig heeft. Finzi schreef het vlak na de Tweede Wereldoorlog, in een periode waarin Engeland tegelijk opluchting en melancholie ademde. Die dubbele gevoelslaag zit overal in de partituur. Het openingsdeel straalt een bijna pastorale rust uit, maar onder die lyriek schuilt voortdurend een lichte weemoed, alsof de muziek beseft hoe broos de net gesloten vrede eigenlijk is.

Emile Souvagie, sinds enkele jaren eerste klarinettist van Brussels Philharmonic, speelde de solopartij met grote overtuiging en opvallende natuurlijkheid. Zijn toon bleef warm en rond zonder ooit nadrukkelijk mooi te willen klinken. Precies dat maakte indruk: hij plaatste zichzelf nooit demonstratief op de voorgrond, maar bleef voortdurend in dialoog met de muziek en het orkest. In de lange melodische lijnen gaf hij elke frase een ademende soepelheid, terwijl hij in de levendigere passages precies voldoende lichtheid behield om de muziek te laten dansen.

Het centrale Adagio vormde het emotionele middelpunt van de avond. Hier leek de tijd even stil te vallen. Finzi schrijft melodieën die bijna niet lijken te willen eindigen, en Souvagie ontvouwde ze met een ontroerende eenvoud. Geen effect, geen sentimentaliteit – enkel pure zanglijn. De strijkers begeleidden hem met grote tederheid; Ono hield het orkest transparant en ademend, waardoor solist en orkest voortdurend als één adem klonken. Het klonk minder als een concerto dan als een gezamenlijk verhaal.

De finale bracht vervolgens lichtheid en beweging terug, bijna alsof de muziek zichzelf voorzichtig opnieuw richting zonlicht duwde. Souvagie toonde hier meer speelsheid en virtuositeit, zonder ooit in bravoure te vervallen. Finzi’s typisch Engelse elegantie – altijd een beetje melancholisch, zelfs in de vreugde – bleef volledig intact. Mooi was ook hoe het orkest zijn solist voortdurend droeg en omringde: niet als begeleiders op afstand, maar als collega’s die hoorbaar mee ademden in elke frase.

En dan moest de Achtste symfonie van Antonin Dvořák (1841-1904) nog komen. Vanaf de eerste maten was duidelijk hoeveel plezier het orkest in deze muziek had. Je zag het letterlijk op de gezichten van de musici: glimlachen die niet gespeeld leken, blikken van herkenning tussen orkestleden. Hier werden geen noten afgewerkt; hier werd muziek vurig tot leven gebracht.

Dit werk behoort tot die zeldzame symfonieën die tegelijk groots en spontaan klinken, alsof ze zichzelf ter plekke uitvinden. Ono begreep dat perfect. Zijn interpretatie vermeed alle folkloristische overdrijving. Geen opgefokte Slavische bombast, geen zwaar aangezette climaxen. In plaats daarvan liet hij de muziek organisch ademen. Het openingsdeel groeide als een landschap dat langzaam zichtbaar wordt in ochtendlicht. Houtblazers lieten vogelmotieven opduiken alsof ze geïmproviseerd waren; de strijkers hielden voortdurend die warme onderstroom gaande waarop de hele symfonie lijkt te drijven.

Wat vooral opviel, was de flexibiliteit van het orkestspel. Dankzij Ono’s vloeiende bewegingen kreeg de muziek een enorme elasticiteit: tempi bewogen natuurlijk mee met de frasering, zonder ooit hun richting te verliezen. Het Adagio bleef in beweging en vermeed daardoor elke vorm van zwaarte. Ook het derde deel – half wals, half melancholische herinnering – kreeg precies de juiste balans tussen elegantie en onderhuidse tristesse.

De finale werd vervolgens een feest van pure levenslust. De beroemde trompetfanfare aan het begin klonk niet triomfantelijk maar uitnodigend, alsof Dvořák het publiek persoonlijk mee het feest in trok. Ono bouwde de spanning met groot geduld op, waardoor de explosies van energie nooit gratuit werden. Alles voelde verdiend, gegroeid vanuit de muziek zelf.

En precies daarin lag uiteindelijk de grote kracht van deze avond. Niet in spectaculaire effecten of verbluffende originaliteit, maar in de overtuiging dat muziek vooral moet leven. Onder Kazushi Ono kreeg dat idee een zeldzame vanzelfsprekendheid, en Emile Souvagie was in Finzi de ideale stem binnen dat geheel. Wagner fluisterde, Finzi zong, Dvořák danste – en Brussels Philharmonic gaf elke stem precies de ruimte die ze nodig had. Soms is dat meer dan genoeg voor een onvergetelijke concertavond.

Details:

Titel:

  • Levenslust als programma

Wie:

  • Brussels Philharmonic o.l.v. Kazushi Ono met Emile Souvagie, klarinet

Waar:

  • Flagey Studio 4, Brussel

Wanneer:

  • 23 mei 2026

Foto credentials:

  • Kevin De Borger, Wouter Van Vaerenbergh
nlNLdeDEenENfrFR