Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Jong Luxemburg straalt in Berlijn

Het is een warme zomeravond in Berlijn wanneer het Orchestre National des Jeunes du Luxembourg op zondag 2 augustus voor het eerst aantreedt tijdens Young Euro Classic. Het is jammer dat de zaal van het Konzerthaus aan de Gendarmenmarkt niet volledig gevuld is, want dit jonge orkest heeft duidelijk iets te vertellen. Gelukkig zijn er opvallend veel jonge mensen en kinderen onder de toehoorders.

Het nauwelijks vijf jaar oude ensemble brengt per project vijftig tot zeventig jonge musici tussen dertien en dertig jaar samen en weerspiegelt de internationale veelkleurigheid van Luxemburg, met talenten uit meer dan vijfentwintig nationaliteiten. Onder leiding van Pit Brosius ontstaat meteen een sfeer van vertrouwen en muzikaal plezier.

De avond begint met de festivalhymne van Iván Fischer (°1951), een speelse, ietwat Kurt Weill-achtige opener, waarna twee orkestleden het publiek eerst in het Luxemburgs en vervolgens in het Duits begroeten. De kwinkslag naar de olifant die later op de avond letterlijk en figuurlijk zijn opwachting zal maken, creëert meteen een ontspannen sfeer – professioneel, maar zonder de spontaniteit van jonge musici te verliezen.

Muziek als innerlijke ruimte

Vervolgens klinkt If the bell rings, why should we run? van de jonge Luxemburgse componist Hy-Khang Dang (°1996), die compositie studeerde in Brussel, Parijs en aan de Guildhall School of Music and Drama. Het werk beleeft in Berlijn zijn Duitse première.

De titel is een citaat uit Henry David Thoreaus Walden, waarin de schrijver zich terugtrekt in een blokhut om na te denken over wat werkelijk essentieel is. Het festivalprogramma verbindt de avond rond het idee van de muzikale terugtrekplek, van Thoreaus blokhut tot Rachmaninovs villa Senar. Dang beschrijft zijn compositie als een innerlijke ruimte waarin gedachten, stemmen en aforismen uit Thoreaus tekst door elkaar bewegen – een idee dat in de muziek bijzonder overtuigend voelbaar wordt.

Dang bouwt zijn compositie op uit klankwolken waaruit langzaam afzonderlijke stemmen naar voren treden. Het resultaat is intrigerende muziek, door de jonge Luxemburgse musici ijzersterk en vol overgave gebracht. Bijzonder verrassend zijn de momenten waarop orkestleden passages uit Walden declameren, soms alleen, soms in koor – een afwisseling die verrast én werkt. Het literaire element voelt nergens als toevoeging achteraf, maar wordt organisch onderdeel van het muzikale gebeuren. If the bell rings, why should we run? Waarom zouden we ons laten opjagen? Het is een vraag die ook de concertzaal binnenkomt.

Het sterke aan deze uitvoering is dat het werk geen beleefdheidsapplaus krijgt. Dit is een compositie die nieuwsgierig maakt en die je opnieuw wilt horen, precies omdat er bij een eerste beluistering nog zoveel onontdekt lijkt.

Wanneer Rachmaninov begint te ademen

Na Thoreaus contemplatieve wereld volgt Sergei Rachmaninov (1873-1943), en daarmee een totaal andere muzikale taal. Zijn Rhapsodie op een thema van Paganini vormt een meesterlijke synthese van virtuositeit, lyriek en dramatische spanning. Dit werk verleidt gemakkelijk tot een etalage van pianistische bravoure, maar pianist Joseph Moog speelt iedere variatie met overgave in plaats van pure vertoning. Zijn techniek lijkt vanzelfsprekend, maar het is vooral zijn vermogen om binnen de vierentwintig variaties een grote spanningsboog te bewaren dat indruk maakt. Rachmaninov verwerkt daarbij ook het middeleeuwse Dies irae, dat vanaf de zevende variatie als een donkere onderstroom door het werk loopt.

Het orkest bouwt aanvankelijk zorgvuldig aan de rijke klankwereld, maar vanaf het Dies irae krijgt de uitvoering steeds meer gloed en dramatische kracht. Moog blijft daarbij volledig in het muzikale verhaal. De beroemde achttiende variatie krijgt een uitzonderlijk lyrisch karakter en bloeit langzaam open tot een waarachtig kippenvelmoment. Wanneer het finale vuurwerk losbarst, voelt de uitbundigheid bijna als bevrijding na de donkere Dies irae-gedachte. Het orkest toont daarbij zijn volledige kracht: scherp, energiek, met een opmerkelijk gevoel voor de grote lijn. De wisselwerking tussen Moog en het orkest is een van de grote troeven van de uitvoering: geen solist die boven een begeleidingsorkest zweeft, maar werkelijk samen musiceren.

Als toegift volgt Gershwins ’S Wonderful – Moog genoot zichtbaar van het werken met deze jonge musici, tot groot enthousiasme van het publiek. Hij sluit het eerste deel af met een melancholische, idyllische Canon, op. 65, van Alkan.

Olifant in de porseleinkast

Na de pauze is het gedaan met ingetogenheid. De Cirkus Polka van Igor Stravinsky (1882-1971), oorspronkelijk geschreven voor een olifantennummer van circus Barnum & Bailey, klinkt weergaloos en accuraat, vol humor, scherpe dissonanten en ritmische verrassingen. De jonge musici hebben hoorbaar plezier in de onverwachte accenten, terwijl Brosius met zijn lichte, flexibele dirigeerstijl de speelsheid alle ruimte geeft.

De Vuurvogel vliegt

Met de suite uit L’Oiseau de feu komt het concert tot zijn artistieke hoogtepunt. Stravinsky was pas 29 toen hij met dit ballet in Parijs doorbrak. Het donkere begin in de contrabassen is knap en meteen raak; vanuit die duistere klankwereld ontvouwt zich langzaam een muzikaal sprookje waarin elke orkestgroep haar eigen kleur krijgt. Dat iedere solistische passage overtuigt, is voor een jeugdorkest allerminst een sinecure – en toch grijpt hier elke solist zijn moment trefzeker.

De orkestpassages zijn intens, met mooi gedoseerde felheid, maar nergens wordt kracht verward met volume. Brosius bouwt de spanning op zonder de muziek te forceren, waardoor de Danse infernale uiteindelijk uitbarst als een orgie van klank: precisie, energie, durf en enorme inzet. Ook de climax naar het einde is fenomenaal. Het orkest klinkt hier als een hechte muzikale gemeenschap die elkaar blindelings weet te vinden. De jonge musici spelen niet alleen de noten; ze vertellen samen een verhaal.

Wanneer de laatste klanken wegsterven, barst het applaus in het Konzerthaus los – een oprechte erkenning van een uitzonderlijke avond.

Een orkest dat er staat

Een grote verdienste ligt bij Pit Brosius, die in 2021 het orkest oprichtte en in korte tijd een ensemble bouwde dat met vertrouwen musiceert. Zijn dirigeerstijl is accuraat en helder, maar nooit autoritair: hij weet precies wat hij wil, zonder de musici te beperken.

Het Berlijnse debuut van het Orchestre National des Jeunes du Luxembourg was veel meer dan een veelbelovende kennismaking: dit is een ensemble dat zijn plaats opeist. Joseph Moog bevestigde zijn reputatie als pianist van internationale klasse, terwijl de jonge musici zelf het sterkste bewijs leverden van wat mogelijk is. Een ensemble dat je na zo’n avond ook graag bij ons zou willen horen.

Jong Luxemburg straalt, en het zou jammer zijn als we het licht daarvan te weinig zouden zien.

Details:

Titel:

  • Jong Luxemburg straalt in Berlijn

Wie:

  • Orchestre National des Jeunes du Luxembourg o.l.v. Pit Brosius met Joseph Moog, piano

Waar:

  • Konzerthaus, Berlin

Wanneer:

  • 2 augustus 2026

Foto credentials:

  • MUTESOUVENIR / Kai Bienert
nlNLdeDEenENfrFR