Met het Bühnenweihfestspiel Parsifal van Richard Wagner (1813-1883) presenteerde de Deutsche Oper Berlin op zaterdag 11 april geen avondvullend vermaak, maar een haast liturgische beproeving – een ervaring die zich met onontkoombare ernst over de toeschouwer legde en de tijd zelf leek te ontregelen. Onder de muzikale leiding van Tarmo Peltokoski ontvouwde zich geen lineair narratief, maar een sonore ruimte waarin duur en betekenis langzaam in elkaar overvloeien.
Reeds in het voorspel werd de toon onmiskenbaar gezet: geen abstracte inleiding, maar een prelude als voorafspiegeling van het lijdensverhaal. In een indringend tableau vivant ontvouwt zich een Golgotha-beeld – lijden, sterven, de lanssteek, het bloed dat in de kelk wordt opgevangen, Kundry aan het kruis – alsof de mythe hier haar oorsprong vindt in een collectief geheugen dat zich niet laat wegdrukken.
Vanaf de eerste maten werd duidelijk dat Peltokoski zich verre hield van het loodzware, slepende Wagner-idioom dat dit werk zo vaak tot inertie reduceert. Zijn lezing bezat een opmerkelijke ademhaling: frasen openden zich, spanningsbogen groeiden met een vanzelfsprekendheid die eerder organisch dan geconstrueerd aandeed. De orkestklank bereikte een zeldzame transparantie, waardoor de vaak dichtgeslibde gelaagdheid van Richard Wagner een onverwachte helderheid kreeg – alsof het werk zichzelf opnieuw articuleerde. Vooral in de grote transformatiescènes weet Peltokoski spanning op te bouwen zonder in stilstand te vervallen, waardoor de lange spanningsbogen hun dramatische richting behouden.
Een wereld in verval
De eerste akte situeert zich in een desolate woestenij, met in de verte de Graalburcht als een onbereikbare belofte. Twee heuvels fungeren als dramatische ankerpunten waarin flarden van de graalsgeschiedenis en het lijden van Amfortas, door toedoen van Klingsor, worden verbeeld in tableaux vivants. Regisseur Philipp Stölzl kiest voor een visuele taal die geworteld is in de iconografie van de kruistochten: ridders in middeleeuws tenue, gevangen in een wereldbeeld dat zijn houdbaarheidsdatum allang heeft overschreden. Tegen die achtergrond verschijnt Parsifal (Attilio Glaser) in een eigentijds maatpak: een buitenstaander, zichtbaar en onmiskenbaar.
Wanneer de ridders zich verzamelen rond de graal, toont Stölzl geen verheven broederschap, maar een gemeenschap in verval: verschoppelingen, zieken, mannen die zich kastijden – de wrange erfenis van een uitgeputte orde. Wat volgt, is even verontrustend als veelzeggend. Na de confrontatie met de graal slaat devotie om in extase, extase in waanzin. Als figuren weggelopen uit het universum van Jeroen Bosch grijpen zij naar hun wapens en trekken ten strijde – een beeld dat huiveringwekkend dicht bij de geschiedenis én de actualiteit blijft. Religie, zo suggereert deze lezing, blijkt weerloos wanneer zij wordt ingezet voor destructieve doeleinden. Niet elke scenische ingreep behoudt daarbij dezelfde dramaturgische overtuigingskracht, maar de consequentie van de lezing blijft intrigerend.
Vocaal rust de akte op een uitzonderlijk solide fundament. Albert Pesendorfer draagt als Gurnemanz het dramatische gewicht met een doorleefde, warme bas die de lange vertellijnen moeiteloos overspant, waarbij vooral “Titurel, der fromme Held” zich ontvouwt als een innerlijke monoloog waarin herinnering en tijd samenvallen. Thomas Lehman geeft aan Amfortas een aangrijpende lichamelijkheid, terwijl Tobias Kehrer als Titurel opmerkelijk fris en resonant klinkt voor de oude man die hij moet verbeelden. Glaser overtuigt als de “reine dwaas” zonder kennis – een Parsifal die geloofwaardig groeit vanuit onwetendheid.
Verleiding en ontmaskering
De tweede akte opent in een exotisch aandoende tempelruimte, waar een bloedoffer de toon zet – een beeld dat associaties oproept met avonturenesthetiek à la Indiana Jones, maar hier een sinistere lading krijgt. Op bevel van Klingsor – scherp getekend door Lawson Anderson – verschijnt Kundry. Opvallend is dat deze wereld niets van doen heeft met een traditionele “tovertuin”: de vrouwen blijven gesluierd, ingehouden, alsof sensualiteit hier wordt onderdrukt. Pas wanneer Parsifal zich een weg naar binnen baant, vallen de sluiers en openbaart zich kleur – een visueel bevrijdingsmoment dat des te sterker werkt door de voorafgaande soberheid. Orkest en bloemenmeisjeskoor schitteren met een zintuiglijke rijkdom die de scène een haast bedwelmende kwaliteit geeft.
De confrontatie tussen Parsifal en Kundry vormt het emotionele hart van de akte. Irene Roberts maakt van Kundry een gelaagde figuur, waarin verleiding en wanhoop naadloos in elkaar overvloeien. Haar ervaring klinkt in elke frase door, met als indringend hoogtepunt “Ich sah das Kind”, dat niet als loutere bekentenis klinkt, maar als een koortsachtige herinnering die zich onttrekt aan controle, en het daaropvolgende “Grausamer! Fühlst du im Herzen”, waarin verleiding en wanhoop tot een bijna ondraaglijke intensiteit samenvallen. De kus – die Parsifal niet verleidt maar hem juist tot inzicht brengt – wordt hier een kantelpunt van zeldzame intensiteit. Dat Glaser deze rol nog maar recent op het repertoire heeft, is nauwelijks te geloven: zijn vertolking bezit een vanzelfsprekendheid die zelden zo vroeg in een carrière wordt gehoord, met een aangrijpend moment in “Amfortas! Die Wunde!”, dat eerder ontluisterend dan heroïsch klinkt.
Een toekomst zonder verlossing
De derde akte keert terug naar de woestenij, maar deze wereld is onherkenbaar veranderd. De Graalburcht ligt in puin, het landschap is verworden tot een giftige leegte, overspannen door een dreigende groene waas. We bevinden ons niet langer in mythische tijd, maar in een verre, uitgeputte toekomst. De overgebleven ridders dragen hedendaagse, vervuilde kledij – restanten van een beschaving die zichzelf heeft uitgehold.
Wanneer Parsifal op Goede Vrijdag verschijnt, ontvouwt Gurnemanz – opnieuw met indrukwekkende zeggingskracht – de geschiedenis van dit verval, bekroond door een verstilde intensiteit in “O Gnade! Höchstes Heil!”, waarin elke retoriek plaatsmaakt voor contemplatie. Vreemd is dat Parsifal niet door hem, maar door de menigte zelf wordt gekroond: macht verschuift van ritueel naar massa. Zijn eerste daad – een collectieve doop – ontaardt al snel in een nieuwe roes, een herhaling van hetzelfde destructieve patroon uit de eerste akte. Tijdens de Karfreitagszauber keert deze ambiguïteit schrijnend terug wanneer Kundry onder dwang wordt gedoopt: verlossing als geweldsdaad.
In de slotscène dwingen de graalridders Amfortas – na de dood van Titurel – tot het onthullen van de graal. Zijn weigering, intens en aangrijpend gezongen door Lehman, culmineert in een smeekbede om de dood. Wanneer Parsifal verschijnt (“Nur eine Waffe taugt”), lijkt een moment van inzicht zich aan te dienen, maar Stölzl ondergraaft elke verwachting van catharsis. De speer wordt een instrument van dood, niet van genezing. Parsifal wordt gekroond, de graal onthuld – maar wat volgt, is geen verlichting. Opmerkelijk is hoe de muzikale spiritualiteit niet steeds samenvalt met de scenische ontluistering, waardoor een spanningsveld ontstaat dat de interpretatie een blijvende ambiguïteit verleent.
De lang uitgesponnen slotpassage, muzikaal weergaloos gerealiseerd, laat een wereld achter die in duisternis gehuld blijft. Er is een nieuwe leider, maar geen nieuwe orde – slechts de voortzetting van een cyclus waarin religie en macht elkaar blijven voeden. Daarmee wordt deze Parsifal geen antwoord, maar een vraagstuk: wat rest er van verlossing in een wereld die haar fundamenten in fanatisme heeft verankerd?
Dat maakt deze productie onmiskenbaar actueel. Waar Wagner na zijn Götterdämmerung nog zocht naar een perspectief voor de mensheid, biedt deze lezing geen troost, maar reflectie. Niet iedereen zal zich in deze interpretatie kunnen vinden – de verdeeldheid in de zaal was voelbaar – maar haar intrigerende kracht valt moeilijk te ontkennen.
Verlossing zonder antwoord
Muzikaal stond de avond als een kathedraal: Tarmo Peltokoski bevestigt zich als een Wagnerdirigent pur sang, het orkest speelde met een zeldzame intensiteit en precisie, het koor blonk uit in dictie en betrokkenheid. Onder de solisten blijven vooral de magistrale Kundry van Roberts en de indringende Gurnemanz van Pesendorfer nazinderen – met daarnaast oprechte bewondering voor Glaser, die deze Parsifal met een vanzelfsprekende autoriteit neerzet die veel verder reikt dan zijn korte ervaring in de rol.
Verlossing werd deze avond niet gevonden, maar op scherp gesteld – en blijft daardoor des te hardnekkiger nazinderen.





