Lovende woorden van Toon Pans, voorzitter van de Marnixring, en van ex-laureaat beiaardier Jo Haazen, bloemen voor mevrouw Marie-Jeanne Deleus-Lambrechts en het traditionele klokje, dat verwijst naar het bekende oratorium 'Het Bronzen Hart' van Feremans bevestigden zijn dik verdiende erkenning en compenseerden wat de laureaat omschreef als "een gebrek aan officiële steun en -vooral- aan interesse voor zijn werk".
Daarvan was zondagnamiddag niet veel te merken: de Sint-Pieter-en-Paulkerk was tot de laatste rij gevuld en het publiek zag hoopvol uit naar toppers uit de muziekgeschiedenis. Het Bayerisches Kammerorchester Bad Brückenau trad aan, geleid door 'ouwe trouwe' vriend Johannes Moesus, ver van voor het eerst in Mechelen.
En wie zegt 'Moesus', die zegt 'Antonio Rosetti'. Moesus wijdt zich intensief aan het ontdekken en verspreiden van onbekende werken en vergeten composities uit de klassieke en romantische periode als Vanhal, von Winter, Woelfl, Hoffmeister, von Beeke, Reinecke of Kalliwoda maar zijn grote passie blijft de Bohemer uit Leitmeritz, de waardige tegenhanger van Haydn en Mozart, Frantisek Antonin Rössler, alias Antonio Rosetti, die in Mecklenburg-Schwerin een Rosetti-Strasse kreeg. Johannes Moesus richtte in 1992 de Rosetti-Festtage in Donau-Ries in en is stichter-voorzitter van de Internationale Rosetti-Gesellschaft.
Van die Rosetti stond een Symfonie op het programma. Niet zijn beroemdste, dat is Symphony 'La Chasse', Murray 20. Toch eindigt deze Murray 19 ook met een jacht-evocatie. Prijzenswaardige muziek!
De andere symfonie op het programma was de KV 201 van Mozart: een staaltje van wat muziekkenner wijlen Wouter Paep "een Rococo-Symfonie" noemde, vederlicht en speels, net als de klank van het orkest. En door die transparantie, gedicteerd door de eerste violiste Hannah Weyrich, kreeg elk instrument de aandacht die het verdiende, zowel de prettig actieve eerste cellist Klaus Kämper als het instrument dat meestal gedoemd is over het hoofd gezien te worden, de contrabas, hier bespeeld door Karsten Schulz.
Geliefd
De werken waar het publiek halsreikend naar uitkeek waren vanzelfsprekend de Holberg-Suite van Grieg, met een subtiel, ragfijn vierde deel, 'Air. Andante religioso'’, en het fameuze Tweede Celloconcerto van Joseph Haydn. Dat mag dan al een publiekstrekker van jewelste zijn, toch nam de Elisabethwedstrijd Cello in het voorjaar 2026 er afstand van en deed ze de 24 deelnemers aan de halve finale hun plichtwerk kiezen tussen het Celloconcerto van Michael Haydn, dat van Joseph Hofmann of dat van Anton Kraft, drie verrassende ontdekkingen. Uiteindelijk kozen 2 cellisten voor Michael Haydn, 11 voor Hofmann en 11 voor Kraft, waarbij de winnaar Ettore Pagano.
Nu ging alle aandacht naar een bleke dertiger met ravenzwart haar en een net baardje, Gabriel Schwabe. Zijn glimmende gevlamde cello was, zo wist het programmaboekje, een "ex Boettcher" uit 1685 uit Cremona van Giuseppe Guarneri. Zoetgevooisd introduceerde het orkest het thema. Kordaat en zelfzeker nam de solist het over en nam het publiek mee op een meeslepende tocht. Die leidde naar een boeiende Cadenza, waar tot tweemaal toe flarden van het hoofdthema opdoken.
Maar de verrassing moest nog komen! Met een sprong van zo'n 100 jaar, dompelde Schwabe zijn publiek in de weemoed van Tchaikovsky en diens Pezzo cappricioso, met een melodie om bij weg te dromen, die na grillige omzwervingen weer op haar startpunt terecht komt.
Het uitbundige kader van de knap opgeknapte kerk moest de gebruikelijke echte 'open doekjes' vervangen. Het dankbare enthousiasme was er niet minder om.




