Our website has been redesigned, submit your own events Did you spot an error? Email us!

Classic Central

Adem, structuur en een zeldzame intensiteit in de Philharmonie Berlin

Op donderdag 9 april 2026 presenteerde het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin (DSO) in de Philharmonie Berlin een programma dat zich aanvankelijk liet aankondigen als een doordachte dramaturgische boog, maar zich uiteindelijk ontpopte tot een uitzonderlijke concertervaring – een avond waarin interpretatie, klank en engagement samenvielen. Onder leiding van de jonge, gedreven dirigent Aivis Greters werd niet alleen zorgvuldig opgebouwd, maar ook doorleefd gemusiceerd, met een orkest dat van begin tot einde een opmerkelijke klankconsistentie tentoonspreidde.

Rouw, verstilling en een warme klankkern

Het openingswerk, Lyric for Strings, van George Walker (1922-2018) draagt het stempel van persoonlijke rouw – geschreven naar aanleiding van het overlijden van zijn grootmoeder – en precies die geladenheid werd in deze uitvoering tastbaar. Wat hier opviel, was niet alleen de homogeniteit van de strijkers, maar vooral de warmte van de klank: een gelaagde, gedragen sonoriteit die zich onmiddellijk in de zaal nestelde.

Greters zocht de spanning niet in uitgesproken dynamische contrasten, maar in het vasthouden van een doorlopende lijn. Het DSO speelde met een intensiteit die nooit geforceerd werd – integendeel, de betrokkenheid van de musici gaf het werk een bijna ingetogen urgentie. Hier geen effectbejag, maar een doorleefde lezing waarin elke frase betekenis kreeg.

Dat deze concentratie af en toe werd doorbroken door storend gehoest in de zaal, was jammer, maar kon de indruk niet wegnemen dat dit indringende werk – nog te zelden geprogrammeerd – moeiteloos zijn plaats in het standaardrepertoire verdient. De rijke strijkersklank die hier werd neergezet, zou bovendien een rode draad blijken doorheen de hele avond.

Een openbaring in klank en denken

Aanvankelijke ontgoocheling – het uitvallen van Elisabeth Leonskaja – maakte al snel plaats voor verbazing en bewondering. Haar vervanger, Fabian Müller, leverde met het Vierde pianoconcerto van Ludwig van Beethoven (1770-1827) een interpretatie af die zonder overdrijving als een openbaring kan worden bestempeld.

Müller, die het Berlijnse publiek reeds voor zich wist te winnen met een integrale van Beethovens pianosonates in de Pierre Boulez Saal, toonde zich hier een denker aan het klavier. Elke noot leek doordacht, elke frase gewogen, maar zonder ook maar een moment academisch te worden. Integendeel: zijn spel ademde vrijheid, muzikaliteit en een zeldzame vanzelfsprekendheid. Dit was Beethoven die niet wordt gespeeld, maar begrepen.

Wat deze uitvoering bijzonder maakte, was de intense wisselwerking met het orkest. Het DSO beperkte zich niet tot begeleiden, maar nam actief deel aan het discours. Je zag de musici kijken, luisteren, reageren, alsof het concerto zich ter plekke ontvouwde. Greters speelde hierin een cruciale rol: zijn alerte en sympathieke directie ondersteunde Müllers visie zonder die te domineren. Hier stonden geen solist en orkest tegenover elkaar, maar twee muzikale geesten die elkaar gevonden hadden. Dat werd des te duidelijker in de cadensen, die ronduit verbluffend waren, niet als virtuoze etalage, maar als logisch verlengstuk van het betoog, want Beethoven hertekent hier fundamenteel de verhouding tussen solist en orkest.

In het tweede deel kreeg die dialoog een bijna mythische dimensie. De vaak aangehaalde Orpheus-metafoor – de piano die de strijkers om zijn Eurydice smeekt – werd hier niet uitgespeeld als dramatisch contrast, maar als een subtiele spanning tussen twee werelden. Müller en het orkest brachten de muziek tot een punt van verstilling waarin de tijd leek stil te staan. Wat Beethoven precies “beslist” voor Orpheus blijft in het midden – en precies dat open einde werd hier voelbaar gemaakt.

De finale bracht een bevrijdende speelsheid, zonder aan precisie in te boeten. Het spelplezier was zichtbaar en hoorbaar, maar bleef ingebed in een coherente muzikale lijn.

Na een lang en meer dan terecht applaus en vele bravo-roepen uit het publiek volgde een bis die evenveel zei over de pianist als over het moment: het eerste intermezzo uit opus 117 van Johannes Brahms, bewust gekozen voor de onzekere tijden waarin we leven, zoals Müller toelichtte. Publiek, orkest én dirigent hingen aan zijn vingers – een moment van pure concentratie, van zeldzame gratie. Het bevestigde wat deze avond al duidelijk had gemaakt: Fabian Müller is een naam om te onthouden.

Beheersing van het monumentale

Na een dergelijk pianoconcerto lijkt het haast onmogelijk om de spanningsboog vast te houden, maar met Eine Alpensinfonie van Richard Strauss (1864-1949) werd de lat niet alleen gehaald, maar overtuigend verlegd. Wat vaak wordt weggezet als een toonbeeld van orkestrale overdaad, kreeg hier een lezing die precies het tegendeel bewees: grootsheid zonder logheid, detail zonder verlies aan lijn.

Dit monumentale werk – met zijn uitgebreide koperbezetting, Fernorchester, rijk geschakeerd slagwerk, windmachine en orgel – balanceert voortdurend op de grens tussen overweldiging en oververzadiging. Het is precies op dat snijvlak dat een uitvoering kan kantelen. Onder leiding van Aivis Greters bleef alles echter in een zeldzaam evenwicht.

Greters koos resoluut voor een benadering die dichter aanleunt bij Strauss’ eigen uitvoeringspraktijk dan bij de later vaak zwaarder aangezette traditie: een vlot, strak gehouden tempo dat de interne logica van de partituur blootlegde. De beklimming werd geen episodische opeenvolging van taferelen, maar een organisch opgebouwde beweging waarin elke sectie voortvloeide uit de vorige. Wat zich ontvouwde, was geen aaneenschakeling van effecten, maar een continu verhaal.

Cruciaal daarbij was zijn omgang met tijd. Greters vermeed het uitrekken van momenten om dramatisch effect te creëren; hij vertrouwde op de spanningskracht van de muziek zelf. De grote climaxen – in het bijzonder de stormscène – bereikten een indrukwekkende intensiteit, maar werden nooit als geïsoleerde hoogtepunten uitgespeeld. Ze maakten deel uit van een grotere spanningsboog die zich over het volledige werk uitstrekte. Daardoor kreeg de luisteraar niet alleen momenten van impact, maar een ervaring van voortdurende opbouw en ontlading.

Het DSO excelleerde daarbij in een zeldzame combinatie van kracht en transparantie. Zelfs in de meest massieve tutti bleven de verschillende orkestlagen hoorbaar. Fijnzinnige details – subtiele harpglissandi, kleurwisselingen in het hout, expressieve strijkersoli – gingen nergens verloren, maar werden geïntegreerd in het grotere klankbeeld. De kopersectie klonk imposant zonder scherpte, het slagwerk krachtig zonder de balans te verstoren. Bijzonder geslaagd was ook de integratie van het orgel, vaak een heikel punt in uitvoeringen van dit werk. Hier geen artificiële versterking of onevenwicht, maar een natuurlijke uitbreiding van het orkestklankbeeld, die in de grote culminaties een extra diepte gaf zonder zich op te dringen.

Misschien nog indrukwekkender dan de erupties van orkestrale kracht, was de manier waarop Greters de verstilde momenten benaderde. Hij gunde de muziek ademruimte waar nodig, zonder dat de spanningslijn werd losgelaten. Na de storm en de afdaling keert de symfonie terug naar rust – en precies daar toonde zich zijn maturiteit als dirigent: geen effectbejag, geen nadruk, maar een langzaam uitdoven van energie, alsof het landschap zelf tot stilte kwam. Hier werd Strauss niet als effectcomponist gespeeld, maar als een meester van vorm en tijd.

Wat uiteindelijk beklijft, is de vanzelfsprekendheid waarmee deze immense partituur werd gerealiseerd. Greters hield de teugels strak, maar liet tegelijk ruimte voor spontaniteit en adem. Zijn jeugdige energie en heldere visie maakten van deze Alpensinfonie geen demonstratie van orkestrale macht, maar een coherent, meeslepend verteld verhaal – een klankervaring die niet alleen imponeerde, maar diep nazinderde.

Een avond om te koesteren

Wat begon als een veelbelovend programma, groeide uit tot een concert van uitzonderlijke klasse. Aivis Greters bevestigde zijn reputatie als een dirigent om in de gaten te houden: iemand die een complexe partituur niet alleen beheerst, maar ook tot leven brengt met een duidelijke visie en een natuurlijke autoriteit. Fabian Müller ontpopte zich tot de revelatie van de avond – een pianist die Beethoven niet alleen speelt, maar doorgrondt. Het DSO toonde zich van zijn beste kant: flexibel, betrokken en met een klank die van begin tot einde bleef dragen.

Na de laatste noten van Strauss volgde geen onmiddellijke eruptie van applaus, maar eerst stilte – een zeldzaam moment waarin publiek en muziek elkaar nog even vasthielden. Pas daarna barstte een langdurige ovatie los.

Dit was geen gewoon concert. Dit was een ervaring. Een van die zeldzame avonden die zich vastzetten in het geheugen – en die men blijft koesteren.

Bozar

Title:

  • Adem, structuur en een zeldzame intensiteit in de Philharmonie Berlin

Who:

  • Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Aivis Greters met Fabian Müller, piano

Where:

  • Philharmonie, Berlijn

When:

  • 9 april 2026

Photo credits:

  • Digitalagentur 3pc, DSO Berlin, Janis Keris, Christian Palm

Stay informed

Every Thursday we send a newsletter with the latest news from our website

– advertisement –

nlNLdeDEenENfrFR