Inferno is een titel die verkoopt, en dat is precies het probleem. Vuur, duisternis, een pianist die door de hel wandelt – het beeld op de hoes belooft een eenduidig drama dat de muziek zelf niet inlost. Wie de cd opzet, krijgt als eerste Carl Czerny (1791–1857) te horen, en die opent niet met hellevuur maar met salonmuziek: zijn Variations on a Theme by Rode, opus 33, is aangenaam, sierlijk, hier en daar zelfs charmant bij Behzod Abduraimov, die de melodische lijn een belcantistische souplesse geeft. Maar het stuk had net zo goed op een doorsnee recital naast Mendelssohn of Weber kunnen staan; met een conceptalbum over de hel heeft het werkelijk niets te maken, en de enige functie die het hier lijkt te vervullen, is die van aangename inleiding voor wie nog niet wakker is.
Bij Franz Liszt (1811–1886) wordt het ernstig. Après une lecture de Dante is het enige werk waarin titel en muziek elkaar daadwerkelijk dekken: de tritonus, de eruptieve gebaren, de voortdurende balans tussen aantrekking en ontregeling – hier is het concept eindelijk meer dan een verkoopargument. Abduraimov speelt het ook met overtuiging: scherp waar het moet, transparant zelfs in de dichtste akkoordmassa’s, zonder ooit in pure bravoure te vervallen. Het is het enige moment op de plaat waarop je vergeet dat je naar een programma luistert, en gewoon naar muziek luistert.
Dat momentum wordt vervolgens zonder enige aanloop verstoord door Claude Debussy (1862–1918). Zijn Pour le Piano (1894, rev. 1901) is one of the first piano works in which the mature style announces itself convincingly. The piece is not free from the exoticism that was equally popular at the time (the Javanese gong sounds in the Prélude speak the language of the mysterious East), undoubtedly inspired by the Paris World's Fair in 1889, where among many exotic instruments the gamelan could also be seen and heard. The entire work breathes a rare, tempered atmosphere of old and new, with its distinctive, sustained harmonic effects (the carefully considered use of the pedal plays an important role), the far from ordinary blending of legato and non-legato, the many dissonant chords that refuse to resolve into consonance, and finally the diatonic-governed triumphant cadence. is sober en kleurrijk gespeeld – de Prelude licht, het Menuet elegant, Clair de lune ingetogen zonder sentimentele toegevingen. De Passepied herstelt nog iets van ritmische rechtlijnigheid, als een stille knipoog naar oudere dansvormen. Het is, kortom, nette, smaakvolle Debussy, zonder een uitgesproken eigen stempel – muziek die hier vooral fungeert als adempauze tussen twee uitersten.
Igor Stravinsky (1882–1971) herstelt vervolgens met geweld de spanning, abrupt en zonder overgang na Debussy, en niet altijd ten goede. Three Movements from Petrushka (1921) wordt hier snel, robuust en geregeld ronduit ruw gespeeld: de Danse russe heeft drive maar weinig finesse, en in La Semaine grasse dreigt de muzikale lijn meer dan eens te bezwijken onder pure kracht. Stravinsky wilde van dit werk geen orkestrale imitatie maar een essentieel pianistiek stuk; Abduraimov benadert het echter vooral fysiek, met een hardheid die wel energie oplevert maar minder gelaagdheid en interne differentiatie dan in de voorgaande delen. Als dit “inferno” moet voorstellen, dan is het de meest letterlijke, en tegelijk minst verfijnde variant ervan op deze cd.
Johannes Brahms (1833–1897) sluit af met het Intermezzo" uit de Vier Klavierstücke opus 119, en die keuze is wél raak: geen vuur meer, enkel nagloed, een ingehouden klacht die zich terugtrekt in plaats van te exploderen. Het is een mooi moment, maar het komt te laat om de rest van het programma alsnog samen te smeden.
Want daar wringt het uiteindelijk: op vijf werken houdt slechts één – de Liszt – werkelijk verband met wat de titel belooft. De rest beweegt zich op afstand van dat idee, soms verwant in sfeer, vaker eenvoudigweg ingehaald door de logica van de programmavolgorde. Dat hoeft geen probleem te zijn voor wie vooral uit is op uitstekend pianospel, en Abduraimov speelt, op de wat grovere Stravinsky na, doorgaans met grote precisie en overtuigende klankbeheersing. Maar wie op basis van de titel een coherente helletocht verwacht, hoort hier vooral een degelijk uitgevoerd, maar nogal willekeurig samengesteld recital – opgenomen met de gebruikelijke klankrijkdom van de Teldex Studio in Berlijn, die precies genoeg glans geeft om te overtuigen, maar te weinig om het concept echt overeind te houden.





