Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Een ontmoeting met het muzikale erfgoed van Silbermann

Marcell Fladerer-Armbrecht verkent op het historische Silbermannorgel van de Dresdner Kathedrale de rijke ontwikkeling van de Europese orgelmuziek.

W
· 6 min lezen
Deel dit artikel
Een ontmoeting met het muzikale erfgoed van Silbermann
© Werner De Smet

Een orgelconcert in de Dresdner Kathedrale is ook een ontmoeting met de geschiedenis. In de kerk, de voormalige katholieke Hofkirche, bevindt zich immers een instrument met een uitzonderlijke betekenis: het orgel dat Gottfried Silbermann (1683–1753) aan het einde van zijn leven bouwde. Het was zijn laatste en grootste instrument, met 47 registers, drie manualen en pedaal, en ongeveer drieduizend pijpen. De inhuldiging vond plaats in 1755, twee jaar na het overlijden van de orgelbouwer.

Tijdens de verwoesting van Dresden in februari 1945 kon het pijpwerk worden gered, maar de oorspronkelijke orgelkas ging verloren. Die werd later gereconstrueerd. Na een grondige restauratie, die in 2002 werd voltooid, kreeg het instrument zoveel mogelijk van zijn oorspronkelijke klankkarakter terug. Wanneer ik in Dresden ben, probeer ik dan ook altijd een orgelconcert in de kathedraal bij te wonen. De combinatie van het instrument en de kerkruimte blijft me fascineren: het orgel lijkt hier als vanzelfsprekend deel uit te maken van de architectuur. De klank vult de ruimte en gaat er tegelijk mee in dialoog. Je ervaart hoe instrument en kerk elkaar versterken.

Voor deze editie van de Dresdner Orgelzyklus nam Marcell Fladerer-Armbrecht plaats achter de klavieren. Hij studeerde kerkmuziek en orgel in Detmold en Berlijn en is sinds mei 2024 stads- en domorganist in Brandenburg. Voor zijn programma koos hij een doordachte opzet, waarin telkens twee composities rond hetzelfde religieuze thema of dezelfde koraalmelodie tegenover elkaar werden geplaatst. Zo kon je horen hoe componisten uit verschillende periodes hetzelfde muzikale uitgangspunt op hun eigen manier benaderden. Het programma bracht muziek uit ruim twee eeuwen samen, van de late zestiende tot de vroege negentiende eeuw.

Van Spaanse pracht naar Duitse koraalkunst

De avond opende met Ave Maris Stella van José Lidón (1748–1827). De krachtige, monumentale inzet maakte meteen indruk. Vanuit die eerste uitbarsting bouwde de compositie zich op naar een feestelijk, bijna jubelend geheel. Vooral de afwisseling tussen volle en lichtere registers sprak me aan. De klank was tegelijk rijk en verfijnd: diepe registers gaven het werk een indrukwekkende grondslag, terwijl de hogere stemmen soms bijna teer en fragiel klonken. Het was een compositie die het Silbermannorgel in al zijn mogelijkheden liet horen en me vanaf de eerste noten meesleepte.

Daarna volgde Salve Regina van Sebastián Aguilera de Heredia (1561–1627), een componist die ongeveer twee eeuwen eerder leefde. Het contrast kon nauwelijks groter zijn. Na de uitbundige pracht van Lidón was de overgang naar deze veel strengere en soberdere muziek even wennen. De registratie bleef overwegend uniform en de muzikale taal klonk ingetogener, al was het werk rijkelijk versierd. Juist door die scherpe tegenstelling werd duidelijk hoe sterk de orgelmuziek in de loop van de tijd veranderde.

De volgende twee composities waren gebaseerd op het koraal Vater unser im Himmelreich. Johann Ulrich Steigleder (1593–1635) en Georg Böhm (1661–1733) gaven elk een eigen invulling aan dezelfde melodie. Steigleders Fantasia oder Fugen Manier über „Vater unser im Himmelreich“ overtuigde aanvankelijk door haar heldere, sobere karakter. Gaandeweg begon de contrapuntische uitwerking echter wat eenvormig te worden. De algemene soberheid maakte het werk op den duur enigszins langdradig, ondanks de pogingen van de organist om met zijn spel enige variatie aan te brengen. Bij Böhm kwam er een heel andere frisheid in het programma. Zijn benadering klonk lichter en had haast iets etherisch. Het was een welkome verandering na Steigleders meer ingetogen compositie en liet horen hoe verschillend twee componisten met dezelfde koraalmelodie konden omgaan.

Van Zachow en Buxtehude naar Bach

Ook Wie schön leuchtet der Morgenstern vormde het uitgangspunt voor twee heel verschillende werken. Friedrich Wilhelm Zachow (1663–1712) hield zijn bewerking betrekkelijk kort, maar wist met een heldere presentatie van de melodie meteen een sterke indruk te maken. De klank had iets nasaals en volksachtigs, met een lichte associatie met een doedelzak. Dat gaf het werk een heel eigen klankkleur.

Bij Dieterich Buxtehude (1637–1707) werd dezelfde koraalmelodie veel uitvoeriger behandeld. Zijn compositie was rijker versierd en kende meer variatie in registratie. Sommige klankcombinaties kregen daardoor iets geheimzinnigs en bevreemdends. De wisselende klankkleuren en muzikale figuren zorgden voor verrassende momenten, maar wisten mijn aandacht niet voortdurend vast te houden. De compositie als geheel duurde voor mijn gevoel te lang: de versieringen en figuren bleven soms wat lang doorgaan en er waren te weinig momenten waarop de muziek even tot rust kon komen.

Met Johann Gottfried Walther (1684–1748) en Johann Sebastian Bach (1685–1750) kwam vervolgens het koraal Wachet auf, ruft uns die Stimme aan bod. Walther, een verre verwant van Bach en een vriend uit diens Weimarperiode, schreef een toegankelijke en heldere bewerking. De compositie wist zonder grote gebaren te overtuigen.

Bachs koraalbewerking Wachet auf BWV 645 klonk vervolgens iets sneller dan ik gewend ben. Daardoor kregen sommige passages wat minder ruimte. Het tempo bleef wel consequent, en dat vond ik belangrijker dan de snelheid op zich. In Meine Seele erhebt den Herrn, BWV 648, lag de nadruk vooral op de zachte, intieme klankwereld die Fladerer-Armbrecht opriep. De verschillende stemmen werden helder met elkaar verweven, terwijl de registratie voor een ingetogen en samenhangend geheel zorgde.

Het hoogtepunt van de avond kwam met Bachs Toccata en fuga in d klein, BWV 565. Het is een werk dat zo vaak wordt uitgevoerd dat je denkt het door en door te kennen. Toch wist Fladerer-Armbrecht er een heel eigen interpretatie aan te geven. Vanaf het begin viel de vrijere, minder voorspelbare frasering op. Hij nam soms onverwacht gas terug, liet stiltes toe en gaf bepaalde momenten meer ruimte dan je doorgaans hoort. Die combinatie van virtuositeit en verstilling maakte dat ik opnieuw met volle aandacht naar dit vertrouwde werk luisterde. Het klonk anders dan verwacht, zonder dat de herkenbaarheid verloren ging. Bovendien leek de muziek op dit instrument en in deze kerkruimte helemaal op haar plaats. Het was een overtuigende en persoonlijke afsluiting.

Een instrument dat blijft verwonderen

Marcell Fladerer-Armbrecht toonde zich gedurende het concert een bedachtzame organist, met een goed gevoel voor registratie en voor de mogelijkheden van het Silbermannorgel. Vooral de werken van Lidón en Bach bleven me bij: de monumentale, feestelijke klankwereld van Ave Maris Stella en de persoonlijke interpretatie van een werk dat ik al zo vaak had gehoord.

De klank van het Silbermannorgel blijft fascineren, maar het is vooral de manier waarop dit historische instrument in deze ruimte tot leven komt die me telkens opnieuw raakt. Een orgelconcert in de Dresdner Kathedrale is telkens weer een ontmoeting met een instrument en een klankwereld die nergens anders op dezelfde manier te ervaren zijn.

Details

Wie
Marcell Fladerer-Armbrecht, organist
Waar
Kathedrale, Dresden
Wanneer gezien
4 november 2026
Links
Website
Foto credentials
Werner De Smet
Deel dit artikel
NL