Dat Young Euro Classic al meer dan een kwarteeuw een van de belangrijkste internationale ontmoetingsplaatsen voor jeugdorkesten is, bewees opnieuw het optreden van het National Youth Orchestra of the United States of America. Het ensemble, samengesteld uit de grootste Amerikaanse talenten tussen zestien en negentien jaar, bracht op dinsdag 4 augustus in het Berlijnse Konzerthaus een programma dat niet alleen het Amerikaanse muzikale erfgoed belichtte, maar ook een van de grootste orkestrale meesterwerken van de twintigste eeuw omvatte. Samuel Barber (1910-1981), George Gershwin (1898-1937) en Béla Bartók (1881-1945) vormden samen een programma waarin virtuositeit, kleur, humor en collectieve muzikaliteit voortdurend met elkaar in gesprek gingen. Onder leiding van Karina Canellakis en met Kirill Gerstein als solist groeide het concert uit tot een van die zeldzame avonden waarop de kwalificatie ‘jeugdorkest’ nauwelijks nog de lading dekt.
Nog voor de muziek begon, wist een altviolist uit het orkest het publiek op een bijzonder charmante manier voor zich te winnen. Hij begon zijn inleiding in het Duits en had daarmee de zaal onmiddellijk op zijn hand. Een klein moment, maar tekenend voor de sfeer die volgde: jong, onbevangen, zichtbaar genietend.
Al opmerkelijk homogeen
Vanaf de eerste maten van Barbers sprankelende ouverture The School for Scandal viel op hoe de humoristische lichtheid van de muziek met een verbluffende homogeniteit van klank gepaard ging, zeker wanneer je bedenkt hoe jong deze musici zijn. Geen enkele orkestsectie deed voor de andere onder: de strijkers klonken warm en soepel, de houtblazers brachten hun solistische momenten met karakter en elegantie, het koper combineerde kracht met verfijning en het slagwerk zorgde voor de nodige scherpte. Tegelijk wist Canellakis het orkest strak te organiseren zonder de spontaniteit uit de muziek te halen. Haar voortdurende interactie met de musici gaf ruimte aan individuele expressie: Barber klonk alsof de muziek deze jonge musici simpelweg in het bloed zat.
Na de geestige lichtheid van Barber verschoof het zwaartepunt naar Gershwins Pianoconcerto, waarin Kirill Gerstein als solist een heel andere kant van het orkest naar boven bracht. Gerstein behoort al jaren tot de meest veelzijdige pianisten van zijn generatie en bewoog zich ook hier moeiteloos tussen klassieke traditie en jazzidioom. Zijn spel combineerde helderheid en ritmische trefzekerheid met een vrijheid die soms bijna improvisatorisch aandeed, zonder ooit in effectbejag te vervallen. Nog opvallender was zijn houding tegenover het orkest. Gerstein presenteerde zich geen moment als de solist die boven het ensemble staat, maar maakte er zichtbaar deel van uit: hij genoot mee met de jonge musici, zocht de interactie met de concertmeester en speelde voortdurend in op Canellakis. Dat hij zich tijdens het hele concerto nooit als ster op de voorgrond plaatste, maar zich telkens weer voegde naar het collectief, is precies wat een groot musicus onderscheidt.
De eerste beweging was ronduit verbluffend. De energie en ritmische vitaliteit van Gerstein en het orkest werkten zo aanstekelijk dat het nauwelijks te onderdrukken viel om al na dit eerste deel te applaudisseren. Het middendeel kreeg vervolgens een heel andere sfeer. Canellakis boetseerde de trage inleiding met gevoel voor klank en spanning, waarna een prachtige trompetsolo en verfijnd houtblazersspel de muziek verder kleurden. De overgang naar het snellere gedeelte verliep moeiteloos en mondde uit in een derde beweging vol vuur en energie. In de luidere passages werd de piano soms wat overstemd – het enige moment in de avond waarop de balans even zoek was – maar dat was nauwelijks een bezwaar tegenover de flamboyante overgave waarmee hier werd gemusiceerd.
Ook visueel bleef het jonge karakter van het orkest aanwezig: sneakers, een rode broek en andere jeugdige accenten pasten vanzelfsprekend bij de leeftijd van de musici. Dat Gerstein zich met zijn schoeisel zichtbaar bij hen aansloot, was een klein maar veelzeggend detail.
Na zoveel jeugdige energie speelde Gerstein als toegift de ingetogen Blame It on My Youth van Oscar Levant (1906-1972) – de ideale afsluiter van de eerste helft, een symbolisch moment van rust om na Gershwins uitbundigheid weer met beide voeten op de grond te komen.
Een orkest als één organisme
Na de pauze veranderde de sfeer volledig. Met Bartóks Concerto voor Orkest wachtte het ensemble de ultieme test. Het is een van die partituren waarin vrijwel alles wat een symfonisch orkest technisch en muzikaal moet kunnen, samenkomt: ritmische complexiteit, polyfonie, extreme dynamische contrasten, solistische passages, kamermuzikale interactie en een virtuositeit die voortdurend onder controle moet blijven. Dat een jeugdorkest zich aan deze muziek waagt, getuigt van ambitie. Dat dit National Youth Orchestra er vervolgens zo overtuigend mee omging, was fenomenaal.
In belangrijke mate is het de verdienste van Karina Canellakis dat deze verscheidenheid aan karakters uiteindelijk tot zo’n homogeen geheel kon uitgroeien. Zij heeft deze aartsmoeilijke muziek met haar jonge orkest niet alleen technisch opgebouwd, maar haar musici ook geleerd hoe ze naar elkaar moeten luisteren en hoe individuele partijen binnen het grotere geheel hun betekenis krijgen. Wie naar dit orkest keek, zag bovendien de enorme diversiteit aan achtergronden waaruit deze jonge musici afkomstig zijn – een weerspiegeling van de veelkleurigheid die de Verenigde Staten rijk is, hier samengebracht in één klank. Dit klonk dan ook niet als een orkest dat een moeilijk werk zo goed mogelijk probeert uit te voeren, maar als een ensemble dat Bartóks muziek van binnenuit beleeft. Iedere instrumentengroep kreeg haar moment, maar iedere muzikant bleef tegelijk deel van het grotere geheel. Dit was werkelijk een concerto voor orkest: niet één solist tegenover de rest, maar een compositie waarin elke speler op het juiste moment onmisbaar wordt.
De donkere, diepe klank van de strijkers gaf de opbouwende spanning een bijna dreigende intensiteit, waarna de houtblazers met souplesse en persoonlijkheid naar voren traden. Koper en slagwerk voegden kracht en precisie toe, zonder dat de afzonderlijke lijnen in het geheel verloren gingen. Zelfs in de meest complexe en luidruchtige passages bleef het orkest opmerkelijk transparant.
Bijzonder sterk was het vierde deel, Intermezzo interrotto, waarin ook de humor van Bartók volledig tot leven kwam. De ironische knipoogjes werden met zichtbaar plezier gemaakt en zo raak getimed dat er zelfs gelach uit de zaal opklonk. De muziek kreeg iets ondeugends, zonder ooit karikaturaal te worden. En dan de finale. Die begon met een snelheid die ik zelden zo heb gehoord – razendsnel, maar geen moment roekeloos – en zelfs in die duizelingwekkende vaart bleef ieder instrument hoorbaar binnen het complexe geheel.
De toekomst staat op het podium
Na Barber en Gershwin waren de verwachtingen hooggespannen, maar Bartók loste ze volledig in. Misschien ligt daarin wel de grootste kracht van dit orkest: de verbluffende technische beheersing staat volledig in dienst van de muziek, terwijl het plezier in het samenspelen voortdurend voelbaar blijft. Deze jonge instrumentalisten musiceren niet alsof ze later misschien het niveau van een professioneel orkest zullen bereiken; ze staan er nu al. En toch hebben ze iets behouden wat in professionele ensembles soms verloren gaat: de pure vreugde om samen muziek te maken. Wie nu zou denken dat dit oordeel te mild of te overenthousiast is, moet dit orkest gewoon eens live horen.
Dat plezier kreeg na Bartók nog een passende uitsmijter met Gershwins Girl Crazy Overture. Na de enorme ritmische kracht van Bartók was dit de ideale afsluiter: licht, swingend en onweerstaanbaar. Het publiek reageerde met een minutenlange staande ovatie. Canellakis moest uiteindelijk zelf de concertmeester van het podium meenemen om er een eind aan te maken. Meer hoefde er eigenlijk niet gezegd te worden.







