{{NOTRANSLATE_4}} ging voor een programmatorische keuze die aanvankelijk wat zoekend aanvoelt, maar in de tweede helft uitmondt in een muzikale en emotionele stroomversnelling.
Het concert werd opgebouwd rond het thema liefde en dood. Meer specifiek refereerde men aan de liefdesverhalen die getekend werden door de dood van Karel V en Isabella van Portugal, en aan de dood van Caterina Martinelli, een van de lievelingszangeressen van Vincenzo I Gonzaga, de hertog van Mantua.
De zeventig jaar tussen beide gebeurtenissen gaven muzikaal leider en cornettospeler Lambert Colson de mogelijkheid om uit een bijzonder ruim repertoire te putten, met alles tussen Josquin en Monteverdi. Er werd bovendien een mix gebracht van wereldlijk en religieus repertoire. Mogelijkheden te over dus. Maar naar mijn mening schuilt daarin ook een valkuil.
Het concert opende achteraan met een speelse La Spagna van Josquin. Deze overbekende bassa danza zette meteen de kwalitatieve toon van het concert: hoog! Zeer hoog! En altijd op een natuurlijke manier. De overweldigende start werd meteen gevolgd door wat bijna als een stukje kamermuziek kon worden beschouwd: sopraan Alice Foccroulle bracht op een heel intieme vocale manier haar boodschap aan een ridder, door Gombert op muziek gezet.
Meteen daarna volgde voor mij het eerste hoogtepunt van de avond: de klaagzang op de dood van Isabella van Nicolas Payen, tot dan toe voor mij een redelijk onbekende Franco-Vlaamse componist. Met vier regels tekst schreef hij een indringend motet, gecentreerd rond Cur requiris? Waarom vraag je daarnaar? Vivit, non obiit. Zij is niet dood! Ze leeft. Die gedachte zou uiteindelijk de rode draad van het hele concert worden.
Das Motett Mort m’a privé (op tekst van Karel V?) van de welbekende Thomas Crécquillon plaveide de weg naar diens mis, gecomponeerd op hetzelfde thema en met tal van verwijzingen naar verlangen, overlijden enzovoort. Een werk dat op zich een plaats verdient als hoofdmoot.
En hier ligt dan,wat mij betreft, toch wel een programmatorische zwakte. Door een bepaald thema te kiezen, kan men, zeker bij oude muziek, de hedendaagse luisteraar via herkenbare situaties meenemen in een repertoire dat anders misschien moeilijk toegankelijk is. Zoals gezegd: van Josquin tot Monteverdi. Maar als er dan ook nog eens wordt gemixt tussen wereldlijk en liturgisch repertoire, wordt het toch wel erg complex. Want met een mis kom je meteen in de kern van iets wat niet meer wereldlijk is.
In theorie kan hetzelfde gezegd worden van liederen over liefde en verlangen, maar aan misdelen hangt toch een andere connotatie, meen ik.
Ik bleef, in alle eerlijkheid, een beetje op mijn honger met de mis van Crécquillon. Ik wist aanvankelijk niet waarom. Ze werd meer dan degelijk uitgevoerd. De lijnen die verlangen en diepte uitdrukten, werden voortreffelijk neergezet, onder meer door de volle basstem van Jimmy Holiday. Had het dan te maken met het feit dat alle misdelen werden ‘begeleid’? Ook dat klonk mooi en zou best ook zo geklonken kunnen hebben. Toch had ik het gevoel dat het geheel wat vlak bleef en met weinig bezieling werd gezongen.
Die aanpak werd helaas doorgetrokken in het overbekende motet Todos los bienes van Encina. Er bestaan zoveel uitvoeringen van: traag, snel, met Noordelijke bescheidenheid, met Zuidelijke passie. Ik miste hier een duidelijke lijn. Het waarom werd gelukkig snel duidelijk.
Na een kort en sympathiek intermezzo waarin Lambert Colson wat toelichting gaf, bracht hij Vergine bella van Cipriano de Rore als solist, begeleid door luitist Johannes Ötzbrugger en continuospeler Joseph Rassam. Die beiden creëerden overigens gedurende het hele concert een wezenlijke ‘fond’.
Dit was een meesterzet.
Ik voelde aan dat Colson op dat moment de brug maakte tussen het hemelse en het wereldlijke. Zijn uitermate virtuoze interpretatie van het motet was exact dat. Hoewel de tekst van Petrarca eerder als wereldlijk kan worden beschouwd, is het motet duidelijk ook een hemels loflied. Ik denk dat De Rore het ook zo bedoeld heeft.
En dan, vanaf dat moment, komt het concert in een ander tempo terecht. Net als de artiesten.
Alle kleurenpaletten van zang en instrumenten werden opengetrokken in een hemels Incenerite, spoglie van Monteverdi.
Wat een tekstinterpretatie en expressie! Je zag de tomba, je voelde de ira en je kon alleen maar meeklagen met de pianto.
Echt!
Hier stak het concert van wal en oversteeg het de spreekwoordelijke recensieomschrijving ‘degelijk gebracht’. Als ik Colson was – hoezeer zijn academische aanpak ook op zijn plaats is – zou ik de misdelen inruilen voor, als het echt religieus moet zijn, motetten die eveneens liefde, dood en verlangen uitdrukken. Keuze legio!
Misschien voelde Colson exact wat ik hierboven schreef, want In die tribulationes, een sterk motet van Guami, werd enkel door instrumenten geïnterpreteerd. Een terechte keuze, waarin de fantastische trombonisten Defendi, Hanssen, Van Passen en Vrooman overtuigend hun ding konden doen. Ze lieten opnieuw horen hoe ze erin slagen elke polyfone lijn klaar en duidelijk neer te zetten.
Wat een feest voor het oor… zelfs al gaat het over ‘dagen van onheil’.
In het volgende madrigaal van Monteverdi, Dunque, amate, reliqui un mar di pianto, viel me vooral de hoge tenor Andres Montilla op. Wat een tekstinterpretatie, met een correcte vocale plaatsing op het juiste moment! Samen met Benedict Hymas en Ricardo Pisani vormden deze ‘drie tenoren’ een weelde om naar te luisteren, elk met hun eigen palet.
Er was ook plek voor een solodeeltje met enkel orgel en luit. Mooi en rustgevend. Vaak heb je het gevoel dat de luit in het geheel verdwijnt. Hier was dat niet zo. Het gaf – letterlijk – die ‘toetsaanslag’ om alles net iets pittiger te maken. Mooi gedaan.
Zoals ik al zei: na Vergine bella nam het concert een emotionele én muzikale rotvaart, met tal van hoogtepunten. Het overbekende Lasciate mi morire was er daar eentje van.
Colson koos duidelijk voor een meer ingetogen interpretatie. Daar waar vaak over theatraal en met Zuidelijke passie wordt gezongen over ‘laat mij sterven’, kozen de zangers hier voor een uitvoering die veel meer naar binnen gekeerd was. Het vragende einde blijft echter altijd overeind!
Speciale vermelding ook nog voor mezzosopraan Maria Dalia Albertini, die net als Foccroulle in haar solo de nodige rust en overtuiging brengt.
Het concert eindigde met het strofische lied Questa vita mortale van Cavalieri.
In het begin schreef ik: Vivit, non obiit. Zij is niet dood! Die gedachte vormt de rode draad. Hier wordt ze bevestigd: enerzijds door het besef dat de hemel leven geeft en de wind het weer verwaait, maar anderzijds ook door de hoop en de wens van de achterblijvers dat men elkaar ooit, zeker en wel, opnieuw in een veilige haven zal terugvinden.
En zo schipperde het concert tussen hemel en aarde, tussen passionele verrukking en religieuze ernst.
Een gewaagde programmatische keuze, die haar kracht vooral vond in de tweede helft. {{NOTRANSLATE_4}} bewees opnieuw, en uiterst succesvol, haar eigenzinnige aanpak. Dat werd gesmaakt door het talrijke publiek. Waarschijnlijk niet alleen in de kerk, maar ook thuis, want het concert werd live uitgezonden en is dus misschien nog te herbeluisteren.
Doen, zou ik zeggen. Dit is zo’n concert dat de tweede keer ‘rijper’ is dan de eerste.
foto’s: MAfestival / Laia Van den Borre
concert: vrijdag 7 augustus 2026, Sint-Jacobskerk, Brugge





