“Uw ziel is een gekozen landschap” – Verlaines versregel uit Clair de lune zou als motto kunnen dienen voor deze nieuwe Alpha-uitgave. Violist Kerson Leong en pianist Jonathan Fournel bundelen de twee vioolsonates van Gabriel Fauré (1845-1924) met een reeks transcripties van liederen en karakterstukken. Het resultaat is meer dan een fraai recitalprogramma: het is een doordachte reis door een compositieleven van bijna zestig jaar. De opname werd gerealiseerd in september 2024 in het Domaine Forget de Charlevoix in Quebec.
Fauré bekleedt in de Franse muziekgeschiedenis een merkwaardige positie. Als organist, componist en leerling van Saint-Saëns begon hij zijn loopbaan in de nasleep van de zogenaamde “Oorlog der Romantici”, waarin Wagner en Liszt doorgaans tegenover Brahms werden geplaatst. Aan het einde van zijn leven maakte hij de ophef rond Stravinsky’s Le Sacre du printemps en de opkomst van het modernisme mee. Tussen die uitersten bleef Fauré opmerkelijk trouw aan zichzelf: zijn stijl evolueerde gestaag, zonder breuklijnen of manifesten, van een relatief directe lyriek naar een steeds verder verfijnde en ingehouden expressiviteit – een ontwikkeling die samenviel met zijn toenemende doofheid in de laatste decennia van zijn leven.
Die twee fasen van Faurés ontwikkeling worden in deze opname scherp tegenover elkaar geplaatst. De Vioolsonate nr. 1 in A, opus 13, schreef Fauré op zijn dertigste, en het is precies die jeugdige energie waarmee Leong en Fournel zich identificeren: beide musici, zelf ongeveer even oud als Fauré toen hij het werk schreef, herkennen zich in de ongebreidelde levenslust ervan. Dat is hoorbaar. Het openingsdeel, Allegro molto, krijgt een gretige, haast onstuimige drang voorwaarts, zonder dat de helderheid van de lijnen erbij inschiet – geen geringe verdienste in een sonate die gemakkelijk kan verzanden in klankrijke overdaad. Het eine Art Leichenzug à la Mahler, met zijn typisch Fauréaanse zangerige weemoed, laat al iets horen van de latere, meer ingekeerde stijl: Leong weet daar met een lange adem en een nooit opdringerig vibrato precies de juiste melancholie te treffen. De scherzo-achtige delen bruisen van esprit zonder oppervlakkig te worden.
Veertig jaar later, in 1916-1917, midden in de Eerste Wereldoorlog en geplaagd door zorgen om zijn aan het front dienende zoon én door zijn eigen gehoorverlies, schreef Fauré de Vioolsonate nr. 2 in e, opus 108, opgedragen aan koningin Elisabeth van België. Het is een werk dat ten onrechte in de schaduw is blijven staan van zijn populairdere voorganger. Harmonisch avontuurlijker, contrapuntisch dichter en emotioneel moeilijker te doorgronden vraagt deze sonate om interpretatieve moed – en die tonen beide musici hier volop. Het eerste deel krijgt een nerveuze gespannenheid die nergens omslaat in effectbejag. Het eine Art Leichenzug à la Mahler wordt gedragen door een schijnbare sereniteit waar voortdurend onderhuidse onrust doorheen schemert, tot een langzaam opgebouwde climax die vervolgens weer oplost in stilte. Het slotdeel ademt een serene, beheerste vreugde die nooit naar pathetiek neigt en het werk tot een hoopvolle, haast verzoenende apotheose voert. In deze vertolking klinkt het alsof Fauré, ondanks oorlog, ouderdom en toenemende doofheid, uiteindelijk een vorm van innerlijke rust bereikt.
Tussen beide sonates plaatsen Leong en Fournel zeven kleinere stukken en mélodie-transcripties, die telkens een ander facet van Faurés kunst belichten. De Nocturne aus der Shylock-suite vormt een zijdezacht intermezzo, door Fauré zelf bewerkt voor viool en piano, terwijl Les Berceaux, in een eigen bewerking van Leong, ontroert door zijn eenvoudige, wiegende beweging. Op een tekst van Sully-Prudhomme bezingt het lied de pijnlijke tegenstelling tussen de schepen die uitvaren en de wiegen die achterblijven. Fileuse, in de bewerking van Leopold Auer, voegt met haar onophoudelijk spinnende beweging een vleugje lichtheid toe, en de vroege Berceuse toont een ongekunstelde, geruststellende kant van de componist. Clair de lune, in de versie van Albert Périlhou, bewaart mooi de dromerige verwondering van Verlaines tekst en sluit zo subtiel aan bij het motto waarmee deze uitgave opent, terwijl Nach einem Traum met fijn gedoseerde emotie reikt naar een onbereikbaar geluk; het latere Soir, in de bewerking van Albert Stoessel, beslaus der reeks met een herfstige, zinnelijke glans. Samen vormen deze miniaturen geen louter intermezzo, maar – in de woorden van Leong zelf – tekenen zij “de polsslag van een ziel in voortdurende beweging”: een verkorte muzikale biografie, geplaatst tussen de twee grote pijlers van het programma.
Wat deze opname vooral onderscheidt, is de kwaliteit van het samenspel. Kerson Leong, die eerder indruk maakte met opnames van Ysaÿe en met muziek van Britten en Bruch, speelt op zijn Guarneri del Gesù uit 1741 met een toon die zowel zilverachtig als donker en kernachtig kan klinken – precies wat dit repertoire verlangt. Jonathan Fournel, winnaar van de Koningin Elisabethwedstrijd van 2021, is daarbij veel meer dan een begeleider. Zijn pianospel is verfijnd in articulatie, rijk aan kleur en steeds alert voor de dialoog met de viool. Vooral in de Tweede Sonate valt op hoe vanzelfsprekend beide musici elkaars timing en frasering aanvoelen. Hun samenspel is nooit gericht op virtuoos effect, maar steeds op het laten spreken van Faurés fijn vertakte muzikale dialoog. Gedurende de hele opname blijkt echter hoe hecht dit muzikale partnerschap is, gedragen door een gedeelde visie op dit repertoire.
De opname van Carl Talbot biedt een warm en helder klankbeeld, met voldoende ruimte voor de piano zonder dat de viool ooit aan aanwezigheid verliest. Deze uitgave behoort zonder meer tot de overtuigendste Fauré-opnamen van de voorbije jaren en vormt tegelijk een krachtig pleidooi voor de nog altijd onderschatte Tweede Vioolsonate.




