Pikovaïa Dama is samen met Evgeni Onegin een van de bekendste en populairste opera’s van Piotr Ilitch Tsjaikovski. De passionele liefde van het aristocratische meisje Liza, gedwarsboomd door de gokobsessie van Herman, een man van lagere stand. Tsjaikovski baseerde zijn opera op de gelijknamige novelle van Poesjkin en schreef samen met zijn broer Modest het libretto. De opera ging in première in het Mariinski-theater in 1899.
Regisseuse Maria-Lambert-Le Bihan legt in haar enscenering terecht veel klemtoon op het aristocratische milieu waarin het tragische liefdesverhaal zich afspeelt. Jammer genoeg vereist die setting zo veel aandacht dat de essentie van de tragiek tussen de protagonisten verzinkt in de anekdotiek. De voorstelling opent met de evocatie van een feest in een landelijke tuin, met lieflijke tafereeltjes, waarbij het koor van de kinderen die soldaatje spelen uiteraard meteen een sterk effect heeft (en uiteraard herinnert aan het kinderkoor in Bizets Carmen). Jammer genoeg wordt van bij deze eerste scène de focus te weinig toegespitst op de personages om wie het stuk draait: Lisa, Herman en Yeletski. Herman is passioneel verliefd op Lisa, maar omdat hij niet van dezelfde stand is, voelt hij zich verplicht rijkdom te verzamelen om kans te maken. Zijn rivaal is Yeletski, de officiële verloofde van Lisa. In de eerste twee bedrijven van de opera, is de personenregie bijzonder zwak. De eerste grote aankondiging van Herman dat hij op de kaarten inzet doet hij gewoon op het voorplan van het toneel. Ook het liefdesduet tussen Lisa en Herman op het einde van de eerste bedrijf is zeer conventioneel in scène gezet.
In het tweede bedrijf wordt het gemaskerd bal heel speels voorgesteld, met het ballet over Daphnis et Chloë, als toneel in het toneel, met verklede schaapjes, die er zo ridicuul uitzien, dat de interpretatie als parodie op het achttiende-eeuws ballet voor de hand ligt.
Vanaf de tweede scène van het tweede bedrijf, is er een echte regie-breuk. Plots wordt niet meer de volledige scène bespeeld, maar is er een zevenhoekige structuur op de scène gezet. Daarin speelt zich dan de kern van de opera af. De wanden van de structuur zijn beschilderd met een doodse, kale boomstructuur, als een symbolische verwijzing naar ondergang en dood. In die kamer ontmoet hij de oude gravin, grootmoeder van Lisa, die het geheim heeft van drie winnende kaarten (Tre karti. In deze besloten scène gaat het alleen om Herman en de gravin. Maar als Herman haar het geheim probeert te ontfutselen, sterft de gravin. Het geheim van de drie kaarten, komt Herman pas te weten, als de gravin als een geest terug aan hem verschijnt. De regievondst van de besloten kader, maakt deze confrontatie bijzonder scherp en aangrijpend. Ook de afwijzing van Lisa omwille van zijn obsessie is nu bijtend tragisch.
Jammer dat de regie dan weer terugkeert naar het anekdotische van het dronken soldatenleven voor de uiteindelijke gokscène, waarbij Herman zijn kansen verspeelt en ook zijn geliefde, die zichzelf doodt. Het spannende van de foute kaart is jammer genoeg in deze context te weinig uitgespeeld, en zelfs als Herman de hand aan zichzelf slaat, grijpt de scène nauwelijks aan.
Giampaolo Bisanti verenigt aristocratie en noodlot
In Pikovaïa Dama herkennen we enerzijds het talent van Tsjaikovski om de sociale context te schilderen waarin het verhaal zich afspeelt. Er is de aristocratische sfeer maar ook het landelijke van de beginscènes of het uitbundige met dronken gokkers in de laatste scène. Anderzijds is zijn grote kunst het preciseren van de psychologie van de protagonisten. Daarvoor zijn uiteraard de aria’s van Liza en Herman exemplarisch en zeker de passage met het onheilspellende optreden van de gravin. De topprioriteit van Bisanti om deze opera absoluut in de ORW uit te voeren, heeft hij hier schitterend in werkelijkheid omgezet. Hij stuurt en stuwt het orkest tot de meest aangrijpende passages, maar evengoed tot emotionele intimiteit. Het motief van “tri karti”, krijgt van bij het weerklinken in de eerste scène meteen iets onheilspellends. De solisten slagen erin zich vocaal totaal in hun rol uit te leven. Olga Maslova heeft een heldere vooral krachtige stem als Liza, waarbij we soms wel iets meer nuance hadden willen ervaren. Hetzelfde geldt voor Arsen Soghomonyan als Herman. De luidheid van zijn stem maakt ze soms monotoon en verhindert zo de rijkdom van de emotie weer te geven. Olesya Petrova was een goede Grafinya, maar niet de meest indrukwekkende. Een positieve indruk heeft zeker Nikolai Zemianskikh gemaakt als lyrische Yeletski. Het koor, dat toch een belangrijk aandeel heeft in deze opera was in elke passage schitterend.
Ondanks het ietwat vreemde van de “gebroken” regie heeft de uitvoering van dit grandioze werk van Tsjaikovski indruk gemaakt.

























