De harp roept al snel een beeld op van etherische klanken, elegante melodieën en lichtheid. Op zijn eerste soloalbum, De la nuit…, laat de Amerikaanse harpist Zachary Hatcher horen dat het instrument zich niet tot die klankwereld laat beperken. Naast verfijning en verstilling is er ruimte voor onrust, donkere expressie en scherpe contrasten. Het programma combineert eigen werk met composities van Per Nørgård (1932–2025), Paul Hindemith (1895–1963), Henriette Renié (1875–1956) en Maurice Ravel (1875–1937). De nacht uit de titel krijgt zo meer dan één gezicht: van contemplatie tot muziek die schuurt en het vertrouwde beeld van de harp uitdaagt.
Voorbij het vertrouwde klankbeeld
Hatcher opent met zijn Sonate voor harp solo uit 2024, een werk in drie delen waarin de harp zich meteen van verschillende kanten laat horen. De Burlesque is beweeglijk en soms weerbarstig. In de Waltz klinkt de dansvorm minder vanzelfsprekend dan de titel doet vermoeden. Het slotdeel, Prayer, duurt bijna tien minuten en brengt een heel andere sfeer. De muziek zoekt en tast af, alsof ze vragen stelt waarop geen eenvoudig antwoord bestaat.
Even lijkt Hatcher een bekende melodie aan te halen, om die vervolgens te fragmenteren. Dat levert een vervreemdend effect op, zonder dat de muzikale samenhang verloren gaat. Het instrument hoeft bij hem niet lieflijk of dromerig te klinken: het mag wringen, weerbarstig zijn en zelfs klappen uitdelen. In Prayer bouwt hij bovendien een indringende climax op, met scherpe klanken die overgaan in verfijnde, intense glissandi. Het werk eindigt in verstilling. Een sterke kennismaking met Hatchers eigen muzikale taal.
Een ander soort concentratie vinden we in de twee korte werken van de Deense componist Per Nørgård. In Consolation: As a Roselike Flower en Swan Descending volstaan kleine muzikale gebaren om een sfeer op te roepen. De muziek hoeft zich niet breed uit te meten: Hatcher geeft de klanken de tijd om na te werken, terwijl subtiele veranderingen de aandacht gaande houden. Juist in deze miniaturen toont hij hoe weinig er nodig is om de luisteraar bij de muziek te houden.
Tussen onrust en verstilling
Tussen beide stukken van Nørgård weerklinkt Hindemiths Sonate für Harfe uit 1939, voor mij de verrassing van het album. Het begin klinkt enigszins aftastend, alsof Hatcher de muzikale mogelijkheden eerst verkent. Die aanpak dwingt je om aandachtig te luisteren: waar gaat de muziek naartoe? In het vraag-en-antwoordspel dat zich ontwikkelt, krijgen de muzikale lijnen steeds meer reliëf. Hatcher laat verschillende facetten van de harp horen, zonder dat de muziek abstract wordt.
Hij maakt de structuur en de melodische samenhang goed hoorbaar, zonder de eigenzinnigheid van Hindemith glad te strijken. Wie de componist vooral associeert met hoekigheid en ontoegankelijkheid, ontdekt hier hoe direct zijn muziek kan spreken. De combinatie van expressiviteit en de voortdurende spanning tussen vorm en vrijheid geeft deze uitvoering een bijzondere zeggingskracht.
Die spanning krijgt een ander karakter in het tweede deel, dat levendiger klinkt. Het geladen, liedachtige slot laat vervolgens een beschouwende indruk na. Hatcher verzacht de scherpe kanten van de muziek niet; de momenten van vertraging geven de muzikale lijnen wel de ruimte om na te werken.
Van dramatiek naar impressionistische verfijning
Ook Pièce symphonique (1907) van Henriette Renié toont hoe krachtig de harp kan klinken. In de drie episodes wisselen ernst, dramatiek en reflectie elkaar af. De Marche funèbre krijgt een ingetogen, ernstig karakter, waarna Appassionata de muziek met grotere beweeglijkheid en emotionele intensiteit voortstuwt. Hatcher maakt die ontwikkeling hoorbaar, zonder de lyrische momenten uit het oog te verliezen. In het afsluitende deel keert de rust terug. De muziek wordt contemplatiever, alsof de aanvankelijke pijn niet verdwijnt, maar geleidelijk een andere betekenis krijgt. Renié, zelf harpiste en componiste, benut de mogelijkheden van het instrument ten volle. De virtuoze passages contrasteren met momenten waarop de harp fijnzinnig en zangerig klinkt.
Het hoogtepunt van het album is Ondine, het eerste deel uit Ravels Gaspard de la nuit, in een transcriptie van Hatcher zelf. De muziek begint ingetogen en voorzichtig en roept een droomwereld op die zich geleidelijk aan de luisteraar prijsgeeft. De glissandi geven de harp een heel eigen kleur en maken deze bewerking bijzonder boeiend naast de vertrouwde pianoversie. Hatcher beheerst de technische uitdagingen met vanzelfsprekend gemak en bewaart tegelijk het evenwicht tussen beweging en rust. De golvende figuren krijgen een andere lichtheid, terwijl de melodische lijnen helder blijven spreken. Deze transcriptie spreekt mij zelfs meer aan dan het origineel voor piano. Het doet je haast afvragen waarom Ravel het werk niet zelf voor harp bewerkte.
Een harp met vele gezichten
De la nuit… overtuigt vooral door de manier waarop Hatcher elk werk een eigen karakter geeft. Hij zoekt niet naar één herkenbare klank of benadering, maar past zijn spel aan de uiteenlopende muzikale talen aan, van Hindemiths weerbarstigheid tot Ravels dromerige klankwereld.
Ook de opname draagt bij aan het luisterplezier. De harp klinkt helder en natuurlijk, zonder storende nagalm. De bassen zijn vol, terwijl de hoge tonen verfijnd blijven. Zo blijven zowel de kracht als de fijnere nuances van het instrument goed hoorbaar. Met dit solodebuut toont Hatcher zich een veelzijdig musicus met een eigen visie op het repertoire.