Anton Bruckner (1824-1896) stond in zijn tijd bekend als een geniaal organist en improvisator, ook al is van zijn hand maar een beperkt aantal orgelwerken overgeleverd. Dat die reputatie zich nooit in een substantieel orgeloeuvre heeft vertaald, blijft merkwaardig. In 1871 trok hij naar Londen, waar hij als een van de bijzondere gasten het orgel van de Royal Albert Hall mocht bespelen bij de inhuldiging ervan. Waar vinden we die grote organist dan terug?
Misschien wel in zijn symfonieën. Wie Bruckner beluistert vanuit het orgel, hoort hoe sterk zijn symfonische denken met het instrument verbonden is. Hij bouwt klankblokken op en plaatst ze tegenover elkaar, wisselt massieve tutti af met ijle lijnen en laat zijn muziek ademen door lange rusten en stiltes. Die stiltes zijn bij Bruckner nooit zomaar onderbrekingen: zoals in een kerkruimte de nagalm na een akkoord nog enige tijd blijft hangen, blijft ook bij hem de voorafgaande klank in de stilte aanwezig.
Bruckner lijkt soms eerder te registreren dan te orkestreren. Een melodie krijgt een andere kleur wanneer ze van de ene groep naar de andere verhuist; een stem treedt uit een klankmassa naar voren en verdwijnt er later weer in. Crescendo's ontstaan niet alleen doordat er luider wordt gespeeld, maar doordat geleidelijk nieuwe lagen worden toegevoegd. Het is precies die manier van denken die zijn symfonieën zo verwant maakt aan het orgel en misschien verklaart waarom een orgeltranscriptie, hoe ver ze ook van het oorspronkelijke orkest verwijderd is, toch iets wezenlijks over Bruckners muziek kan blootleggen.
Als symfonicus moest Bruckner ondertussen lang wachten op erkenning: pas met zijn Zevende Symfonie, op zestigjarige leeftijd, kwam de grote doorbraak. De première in Leipzig, op 30 december 1884 onder leiding van Arthur Nikisch, betekende zijn eerste grote succes als symfonicus. De componist die als organist al lang naam had gemaakt, vond dus pas laat een breed publiek voor de muziek waarmee hij vandaag zo sterk wordt vereenzelvigd.
Toen deze cd met de orgeltranscriptie van zijn Zevende op de redactie binnenkwam, was mijn belangstelling dan ook onmiddellijk gewekt. Natuurlijk klinken bepaalde orkestrale passages op orgel onvermijdelijk anders – zoals ook in bewerkingen voor kleiner ensemble, pianoduo of jazzensemble een deel van de oorspronkelijke orkestklank verdwijnt. Maar wat ervoor in de plaats komt, kan een ander aspect van de partituur zichtbaar en hoorbaar maken. Van de Zevende kende ik al het indrukwekkende Adagio in de orgelbewerking van Erwin Horn, gespeeld door Robert Kovács op het Brucknerorgel van St. Florian, waar de traag voortschrijdende muziek een intensiteit krijgt die bijna vanzelfsprekend met het orgel lijkt te verbinden. Een volledige Zevende op orgel had ik echter nog niet gehoord.
Van orkest naar één gigantisch instrument
Deze opname werd gemaakt op het monumentale Seifert-orgel van de Mariabasiliek in Kevelaer, gebouwd tussen 1905 en 1907 en na verschillende uitbreidingen en restauraties vandaag uitgerust met 135 registers. Het is een van de grote vertegenwoordigers van de Duits-romantische orgelbouw en met zijn enorme rijkdom aan kleuren bijzonder geschikt voor de laatromantische wereld van Bruckner. Voor deze opname waren meer dan 1.200 registerwisselingen nodig. Alleen al dat gegeven maakt duidelijk hoe nauwgezet Eberhard Klotz zijn transcriptie heeft uitgewerkt.
Klotz probeert niet ieder orkestinstrument letterlijk te imiteren – dat zou ook weinig zin hebben. Een orgel kan de ademhaling van een strijkersgroep of de individuele kleur van hoorns en Wagner-tuba's niet vervangen. Wat hij wel doet, is de verschillende muzikale lagen en functies naar de mogelijkheden van het instrument vertalen. Daardoor worden details die in de orkestversie gemakkelijk in het geheel verdwijnen, hier soms verrassend duidelijk. Dat vraagt van de organist meer dan virtuositeit: hij moet voortdurend schakelen tussen verschillende registers en klankkarakters en tegelijk de grote spanningsboog van de symfonie bewaken.
Andrea Pedrazzini slaagt daar overtuigend in. Bij momenten heb je zelfs niet het gevoel naar een transcriptie te luisteren: de rijke melodische bogen komen zo rechtstreeks binnen dat je vergeet dat hier geen orkest zit, maar één organist achter één instrument. Vanaf de eerste noten krijg je kippenvel. De beroemde beginmelodie van het Allegro moderato verschijnt niet zoals in het orkest vanuit het tremolo van de violen, maar lijkt uit de ruimte zelf te ontstaan en wint geleidelijk aan gewicht. Pedrazzini neemt er ongeveer 25 minuten voor, ruim vijf minuten langer dan veel gebruikelijke uitvoeringen, maar die speelduur voelt nergens als een bezwaar. Hij bouwt spanning zorgvuldig op, durft ook weer gas terug te nemen en vertelt vooral een verhaal. De grote climax wordt heerlijk langzaam voorbereid, maar zo intens dat de muziek naar de keel grijpt.
Het Adagio – Sehr langsam und sehr feierlich zet die brede benadering voort. Met ongeveer 26 minuten behoort ook dit deel tot de langzaamste uitvoeringen die ik ken, maar opnieuw blijkt de tijd die Pedrazzini neemt geen doel op zich. De muziek wordt nergens uitgerekt; ze krijgt eenvoudig de gelegenheid om volledig uit te klinken. De lange melodische lijnen krijgen een bijna vocale intensiteit, terwijl de donkere registers eronder een enorme ruimte openen. De Wagner-tuba's kunnen hier natuurlijk niet letterlijk worden nagebootst, maar hun plechtige functie krijgt in de orgelklank een overtuigende nieuwe gedaante.
De variaties op non confundar in aeternum worden met grote zorg naar hun climax gevoerd. Iedere nieuwe laag lijkt logisch uit de vorige voort te komen, waardoor het hoogtepunt niet als een plotseling effect verschijnt, maar als de onvermijdelijke uitkomst van wat eraan voorafging. En dan valt op hoe weinig je de bekkenslag en pauken mist. Dat klinkt bijna onmogelijk voor wie Bruckners Zevende goed kent, maar de spanning is hier zo organisch opgebouwd dat het ontbreken van het orkestrale slagwerk geen gemis wordt. Ook de treurmuziek die Bruckner schreef na het overlijden van Richard Wagner krijgt hier een beklijvende gedaante.
Het Scherzo wordt vrij breed en zeer gedetailleerd gespeeld. Persoonlijk had ik hier soms wat meer scherpte en demonische energie gewenst – wie bijvoorbeeld naar een uitvoering onder Sir John Barbirolli luistert, ervaart een nerveuzere, meer opzwepende Bruckner. Pedrazzini kiest bewust een andere weg en brengt vooral detail en ritmische stevigheid naar voren, zonder de muziek te laten ontsporen in een demonstratie van orgelgeweld. Op een instrument van dit formaat is die verleiding nooit ver weg – dat hij er niet aan toegeeft, siert hem, ook al had ik het hem soms gegund.
Bijzonder geslaagd is de aanpak van de Finale. De muziek begint vanuit het ijle en wordt stap voor stap opgebouwd, waardoor de constructie zich bijna voor je oren ontvouwt. Dat is verfrissend, zeker omdat deze finale in orkestuitvoeringen nogal eens wat haastig wordt afgewerkt: hier krijgt ieder onderdeel de tijd om zich tot het volgende te verhouden. De klank kan indrukwekkend massief worden, maar blijft ingebed in een duidelijk opgebouwde spanningsboog, waardoor de symfonie niet eindigt in een vertoon van orgelkracht, maar in de vervulling van alles wat eraan voorafging.
Een andere blik op Bruckner
Wie Bruckners Zevende uitsluitend als orkestwerk kent, zal hier kleuren en details missen – een orgel kan het orkest niet vervangen, en deze opname pretendeert dat gelukkig ook niet. Interessanter is wat de transcriptie wél zichtbaar maakt. Door de orkestrale veelheid terug te brengen tot één instrument worden Bruckners lange lijnen en klankblokken tastbaarder, krijgen de stiltes meer gewicht en wordt het contrapunt soms verrassend helder. Je hoort een partituur die je misschien al honderden keren hebt beluisterd plots vanuit een andere hoek. De transcriptie verandert de symfonie niet, maar verandert wel je manier van luisteren.
Pedrazzini maakt daarbij waarachtig muziek, zonder enige vorm van theatraliteit. Een instrument met deze schaal en dit register aan mogelijkheden nodigt uit tot vertoon; Pedrazzini kiest daar consequent niet voor. Er is geen behoefte om Bruckner groter of dramatischer te maken dan hij al is; de muziek krijgt eenvoudig de ruimte om haar eigen kracht te ontwikkelen.
En zo komt aan het einde toch weer die organist van het begin tevoorschijn. Misschien moeten we hem niet zoeken in de weinige orgelwerken die Bruckner zelf heeft nagelaten, maar in de manier waarop zijn symfonieën zijn opgebouwd: als grote klankruimten waarin stemmen verschijnen, verdwijnen, zich opstapelen en weer oplossen. In deze Zevende wordt die verborgen verwantschap tussen componist en instrument bijzonder hoorbaar.
Deze opname maakt dan ook nieuwsgierig naar meer. Hopelijk blijft het niet bij deze ene symfonie en vormt ze de aanzet tot een volledige cyclus van Bruckners symfonieën in orgeltranscriptie. Als de andere delen van het oeuvre op dezelfde overtuigende manier worden benaderd, valt er nog heel wat te ontdekken. Ik kijk alvast uit naar een vervolg.