Vier jaar opnamewerk, vijfentwintig cd's – te veel voor één gewone recensie, vandaar dit drieluik. Veel leesplezier!
Er zijn dirigenten die de geschiedenis ingaan door hun charisma, en er zijn dirigenten die vooral herinnerd worden door de verhalen die over hen verteld worden. Artur Rodziński (1892-1958) behoort onmiskenbaar tot die tweede categorie: zijn naam roept nog altijd het beeld op van een compromisloze orkestleider, een man die musici tot wanhoop kon drijven en bestuurskamers tot het uiterste tartte.
De onlangs uitgebrachte, omvangrijke Eloquence-box, met de complete opnamen die Rodziński tussen 1954 en zijn dood in 1958 voor het Amerikaanse label Westminster maakte, biedt een unieke kans om dat beeld tegen het licht te houden. Wie deze vijfentwintig cd's vanuit de muziek zelf beluistert, hoort geen dirigent die in de eerste plaats door macht werd gedreven, maar een musicus met een bijna obsessieve behoefte om de partituur volledig te doorgronden.
Geboren in Split, het toenmalige Oostenrijkse Dalmatië, opgegroeid in Lemberg en muzikaal gevormd in Wenen, werd hij na zijn Poolse jaren een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de generatie Europese emigrantendirigenten die het Amerikaanse muziekleven ingrijpend veranderden. Toch doet de geschiedenis hem tekort wanneer zij hem uitsluitend als moeilijke persoonlijkheid beschrijft: onder zijn leiding groeide het Cleveland Orchestra uit tot een ensemble van internationaal niveau, een fundament waarop George Szell later kon voortbouwen, en ook in Chicago liet hij een orkest achter dat sterker was dan het bij zijn aantreden geweest was.
Wat deze box bijzonder maakt, is dat ze zich concentreert op het laatste hoofdstuk van die carrière: geen directeurschap meer, geen bestuurskamers, maar uitsluitend de opnamestudio, voornamelijk met het Royal Philharmonic Orchestra in Londen en het orkest van de Weense Staatsoper. Een muzikale nazomer – Rodziński's gezondheid ging sterk achteruit; bij de opname van Tsjaikovski's Vijfde Symfonie zat zelfs een verpleegster in de controlekamer, maar op de plaat hoort men daar nauwelijks iets van terug. Juist in die laatste, vrije jaren, ontdaan van elke bestuurlijke last, komt wellicht het duidelijkst naar voren waar het hem altijd om te doen was: niet zichzelf, maar de partituur zo helder en overtuigend laten klinken dat de luisteraar uiteindelijk niet de dirigent hoort, maar de muziek zelf.
De ontleder: architectuur, kleur en de kunst van het detail
Een van de meest opvallende eigenschappen die doorheen deze box naar voren komt, is Rodziński's vermogen om een partituur te analyseren zonder dat de muziek daardoor haar spontaniteit verliest. Zijn precisie is nooit een doel op zichzelf; ze dient om de grotere structuur zichtbaar te maken, spanningsbogen helder af te lijnen en iedere orkestgroep haar eigen functie binnen het geheel te laten behouden. Rodziński wil niet alleen laten horen hoe muziek klinkt, maar vooral waarom ze zo klinkt.
De openingsschijf van de box is meteen een interessante confrontatie met die historische Rodziński. De Onvoltooide Symfonie (cd 1) van Franz Schubert ( 1797-1828) begint bij hem met een duistere ernst en een traagheid die voor hedendaagse oren onwennig kan klinken – de tempi liggen merkbaar lager dan wat vandaag gebruikelijk is, waardoor de muziek soms iets van haar natuurlijke ademhaling verliest. Toch ontdekt wie zich over die traagheid heen zet een doorleefde, bijna contemplatieve interpretatie waarin Rodziński niet zozeer de melodische schoonheid zoekt, maar de onderliggende tragiek die achter deze onvoltooide symfonie verborgen ligt. Het is misschien niet de opname waarmee men deze dirigent het best leert kennen, maar wel een interessant document van een musicus die ook in Schubert de dramatische onderstroom wilde blootleggen.
De Vijfde Symfonie van Ludwig van Beethoven (1770-1827), op diezelfde cd, toont een heel andere kant van hem: dramatisch, contrastrijk en sterk gericht op de retoriek van de partituur, met echo's van de grote vooroorlogse Beethoventraditie zonder dat hij volledig in het spoor van Furtwängler treedt. Opvallend zijn de accenten waarmee hij bepaalde momenten anders kleurt dan we vandaag gewend zijn: de trompet in het tweede deel klinkt niet als een vanzelfsprekende triomfantelijke bevestiging, maar eerder als een stem die langzaam zekerheid zoekt, en ook het begin van de finale krijgt daardoor minder het karakter van een onmiddellijke overwinningstocht en meer van een doorbraak die nog bevochten moet worden. Het toegevoegde repetitiefragment is misschien zelfs interessanter dan de uiteindelijke opname, want hier hoort men de echte Rodziński: niet de karikatuur van de autoritaire chef, maar een uiterst kritische, gedetailleerde en opvallend rustige dirigent die precies weet wat hij zoekt en vanuit een duidelijk muzikaal inzicht steeds terugkeert naar articulatie en klankbalans. Het meest veelzeggende moment komt aan het einde, wanneer de reactie van het orkest niet klinkt als een verplicht eerbetoon, maar als oprechte waardering – musici die duidelijk ervaren hadden dat Rodziński hen niet uit machtsvertoon uitdaagde, maar omdat hij een bepaald muzikaal ideaal nastreefde.
Diezelfde combinatie van precisie en gevoeligheid voor kleur horen we terug bij Antonín Dvořák (1841-1904). De Slavische Dansen (cd 6) behoren misschien niet tot de meest onthullende opnamen van de box, maar tonen wel hoe Rodziński ritmische energie en orkestrale helderheid weet te combineren zonder de muziek ooit tot folklore te reduceren: de verschillende orkestgroepen krijgen hun eigen plaats, waardoor alles levendig blijft zonder oppervlakkig te worden. Nog dieper reikt de Negende Symfonie "Uit de Nieuwe Wereld" (cd 7), waar vooral het Largo uitgroeit tot een van de mooiste momenten van deze box: de beroemde Engelse hoornsolo overtuigt door haar eenvoud en warmte, en Rodziński laat de melodie ademen zonder ze sentimenteel te maken. De symfonie wordt zonder herhalingen uitgevoerd, wat in die periode niet ongewoon was, maar de grote lijn blijft volledig intact, alsof hij erop vertrouwt dat de architectuur van het werk zelf genoeg overtuigingskracht bezit.
Met de Symfonie in d en het symfonisch gedicht Le Chasseur maudit (cd 8) van César Franck (1822-1890) begeeft Rodziński zich op terrein waar de vergelijking met grote Franse dirigenten zich haast vanzelf opdringt. Wie de verfijnde transparantie en kleur van bijvoorbeeld Monteux of Cluytens verwacht, zal hier misschien iets missen. Rodziński kiest niet voor die couleur locale, maar voor de symfonische kracht van Francks muziek: vanaf de eerste maten valt de gedrevenheid op, de spanningsbogen worden zorgvuldig opgebouwd en de verschillende stemmingen vloeien natuurlijk in elkaar over, geholpen door de warme, rijke strijkersklank van het Weense orkest, die uitstekend past bij Francks soms bijna Wagneriaanse klankwereld. Ook in Le Chasseur maudit maken de hoorns grote indruk en draagt iedere orkestrale kleur bij aan het verhaal dat Franck vertelt.
Een andere, verrassende kant van deze analytische dirigent horen we op cd 11 in concerti van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). Na de donkere ernst van Schubert zou men misschien geen lichte Mozart verwachten, maar Rodziński bewijst hier zijn veelzijdigheid: het Klarinetconcerto klinkt met een warme Weense orkestklank maar zonder zwaarte, de strijkers bezitten glans, de houtblazers krijgen ruimte en de solist wordt voortdurend ondersteund door een transparante begeleiding. Het langzame deel wordt naar hedendaagse maatstaven misschien iets te breed genomen, maar juist daardoor ontstaat een bijzondere aandacht voor frasering en kleur; ook het Hoboconcerto sluit daarbij aan: geen academische Mozart, maar een uitvoering waarin iedere muzikale lijn met zorg gevormd wordt.
En dan is er Schilderijen op een tentoonstelling van Modest Moessorgski 1839-1881), in de beroemde orkestratie van Ravel (cd 12), een werk dat Rodziński bijna op het lijf lijkt geschreven: een compositie waarin kleur, ritme en karakter voortdurend veranderen, en waarin de uitvoering een enorme drive bezit terwijl ieder detail toch hoorbaar blijft. Bijzonder indrukwekkend is de manier waarop hij De grote poort van Kiev opbouwt – niet door vanaf het begin in te zetten op maximale monumentale grandeur, maar door de climax geleidelijk te laten groeien, wat het resultaat minder massief maar misschien juist overtuigender maakt. Ook Nacht op de Kale Berg toont zijn dramatische instinct, met een bijna ijzingwekkende intensiteit die nooit in chaotisch orkestrumoer verzandt. En zelfs de onbekendere Caucasian Sketches van Mikhail Ippolitov-Ivanov (1859-1935) krijgen dezelfde ernst als het grote repertoire.
Wordt vervolgd in deel 2, waarin Rodziński's ervaring als operadirigent centraal staat: hoe hij van orkestwerken telkens een muzikaal drama maakte.