Er zijn concertavonden die al vóór de eerste noot een bijna onvermijdelijke geladenheid bezitten. De uitvoering van de Grosse Messe KV 427 van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) door het Vlaams Radiokoor in Flagey was op zaterdag 30 mei zo’n avond. Niet alleen door de intrinsieke monumentaliteit van het werk, maar vooral door de intelligente confrontatie met de Vijfde Symfonie van Ludwig van Beethoven (1770-1827): twee composities in c-klein waarin menselijke onrust wordt omgesmeed tot muziek die de grenzen van het louter esthetische overschrijdt.
Beethoven als existentieel voorspel
Dat Beethovens Vijfde voorafging aan de mis bleek een dramaturgisch bijzonder sterke keuze. Bart Van Reyn benaderde de symfonie niet als een gecanoniseerd monument, maar als een werk dat zijn revolutionaire kracht nog altijd bezit. Al vanaf de eerste maten stuurde hij de lezing nadrukkelijk in de richting van spanning en innerlijke druk, eerder dan naar uitgesproken grandeur. Met zichtbaar speelplezier gaven dirigent en musici de symfonie een frisse, spontane uitstraling, zonder afbreuk te doen aan haar dramatische scherpte. Dankzij de transparante klank van de oude instrumenten ontstond geen romantisch uitwaaierende monumentaliteit, maar een voortdurend geladen beweging, gekenmerkt door ritmische nervositeit en een spanning die nauwelijks afneemt.
Het Orkest van de Achttiende Eeuw bevestigde die lezing in de klank zelf: minder verzadigde strijkers en scherp articulerende blazers leverden een transparant maar gespannen klankbeeld op, waarin de motorische energie van de partituur onverminderd aanwezig bleef. De historische instrumenten voegden daar niet alleen kleur aan toe, maar ook een rauwe directheid die de dramatische lading verder verscherpte.
Precies in die combinatie van controle en onrust werkte de symfonie als een ideale opmaat naar Mozarts Grosse Messe. Waar Beethoven de spanning doelgericht opbouwt naar het overwinningsgebaar, opent hij tegelijk een ruimte van existentiële druk die bij Mozart niet uitmondt in een lineaire spanning, maar in een voortdurend wisselend spanningsveld tussen dreiging, verstilling, verzoening en contemplatie.
Mozarts onvoltooide meesterwerk
In januari 1783 schreef Mozart aan zijn vader dat “de partituur van een halve mis hier nog steeds ligt te wachten om voltooid te worden” – een verwijzing naar het werk dat hij had beloofd te schrijven nadat zijn vrouw Constanze een ernstige ziekte had overleefd. Zij herstelde, maar de mis bleef onvoltooid. Waarom Mozart het werk uiteindelijk neerlegde na het componeren van Kyrie, Gloria, Credo, het sublieme Et incarnatus est, Sanctus en Benedictus, blijft tot op vandaag onduidelijk. Wat bewaard bleef, behoort tot het meest intrigerende en gelaagde dat hij voor koor, orkest en solisten heeft geschreven.
Bart Van Reyn benaderde deze Grosse Messe niet als een monument dat met zwaarwichtige ernst moet worden benaderd, maar als levende muziek. Zijn lezing ademde spanning, transparantie en een natuurlijke muzikale ademhaling. Zelfs in de monumentale koorpassages bleef de textuur helder en beweeglijk. Daarbij klonk onmiskenbaar de invloed van Bach en Händel door, vooral in de indrukwekkende dubbelkorige passages van het Qui tollis en de grote fuga van het Cum Sancto Spiritu.
Het Vlaams Radiokoor was een van de grote troeven van de avond. De koorklank combineerde warmte, homogeniteit en precisie, terwijl de dictie zelfs in de meest complexe contrapuntische passages voorbeeldig verstaanbaar bleef. Vooral de doorleefdheid van het zingen maakte indruk. Het koor bewoog zich tussen grandeur en intimiteit en hield daarbij een spanning vast die de hele partituur doortrok.
Ook het Orkest van de Achttiende Eeuw bevestigde zijn uitzonderlijke klasse. De orkestrale glans die eerder al in Beethoven overtuigde, werd moeiteloos doorgetrokken naar Mozart. De karakteristieke klank van de historische instrumenten verleende ook hier de partituur kleur, transparantie en elegantie. Het ensemble koppelde daarbij een historisch geïnformeerde speelpraktijk aan een opvallende klankrijkdom en precisie, die de muziek een grote levendigheid gaf.
Mozart op zijn meest menselijk
De ware kern van deze uitvoering lag echter in de contemplatieve momenten. Het Et incarnatus est werd geen virtuoze showcase, maar een moment van bijna ontstellende intimiteit. Een bijzonder geslaagde ingreep was de opstelling van sopraan Ilse Eerens tussen de obligate houtblazers in plaats van voor het orkest. Daardoor ontstond een uitzonderlijk hechte dialoog tussen stem en instrumenten, die de besloten, kwetsbare sfeer van dit deel nog versterkte. Het resultaat was muziek van een haast ongrijpbare schoonheid, die in deze uitvoering een bijna bovenaardse kwaliteit kreeg.
Ilse Eerens beschikte daarvoor over precies de juiste middelen. Haar sopraan bezit geen opzichtig volume, maar wel die zeldzame combinatie van helderheid en fragiliteit die Mozart nodig heeft. De Belgische sopraan kent dit repertoire door en door en die vertrouwdheid met het werk was voortdurend voelbaar. Haar pianissimi hadden de kwaliteit van iets dat net op het punt staat te verdwijnen, terwijl de obligate partijen voor fluit, hobo en fagot om haar heen eerder als een innige omhelzing klonken dan als een decoratieve omlijsting.
Ook de overige solisten die in de mis aantraden, pasten goed binnen het geheel. Barbara Kozelj bracht een warme, donkere klankkleur, al kwam die in de ensemblebalans niet altijd volledig vrij tot ontplooiing. James Way hield zijn tenorpartij opvallend sober en stijlzuiver, zonder de vaak geforceerde heroïek waarmee dit repertoire soms wordt benaderd. François Heraud gaf de baslijnen een rustige autoriteit, die het collectieve karakter van de lezing versterkte zonder te domineren.
Twee werken, één gedachte
Met het Orkest van de Achttiende Eeuw en het Vlaams Radiokoor beschikte Van Reyn over musici die deze muziek niet romantisch oppoetsten, maar haar scherpte in de partituur hoorbaar maakten. Daardoor werd de samenhang tussen Beethoven en Mozart niet uitgelegd, maar vanzelf duidelijk in de uitvoering zelf. Niet in gelijkenis, maar in het verschil tussen twee manieren van omgaan met spanning: Beethoven die ze opbouwt richting een ontlading, Mozart die haar open laat en verder laat ademen.
In dat verschil kreeg het programma zijn eigen logica. Wat bij Beethoven naar een afsluiting neigt, blijft bij Mozart onderweg – en precies dat hield de avond samen.
Die dramaturgische opbouw werkte des te sterker doordat het publiek, ondanks dreigend onweer, een drukkende hitte en de gelijktijdige finale van de Koningin Elisabethwedstrijd, opvallend talrijk was opgekomen. De warme ontvangst na afloop onderstreepte hoe diep deze combinatie van Beethoven en Mozart had ingewerkt.





