Het initiatief van Opera Zuid om de zelden opgevoerde opéra bouffe van Chabrier te programmeren is toe te juichen. De voorstelling botst evenwel op de zeer delicate balans tussen komiek en spitsvondigheid, zeker een van de redenen waardoor het werk nauwelijks opgevoerd wordt.
Emmanuel Chabrier (1841-1894) is afkomstig uit de Auvergne. Met zijn ouders verhuist hij naar Parijs, waar hij de gelegenheid heeft zich te infiltreren in de kunstzinnige scène van het Parijs van het einde van de 19de eeuw. Tussen zijn rechtenstudies door neemt Chabrier vioolles en lessen in harmonie, fuga en contrapunt. Hij maakt kennis met Paul Verlaine en Edouard Manet en via hen met de librettisten Eugène Leterrier en Albert Vanloo. Ze stellen Chabrier hun nieuwste tekstboek voor. Chabrier ziet er de gelegenheid in niet alleen zijn zin voor humor maar ook zijn passie voor vloeiende melodieën in bot te vieren en hij grijpt de kans met beide handen. Uiteindelijk kan hij de directie van Les Bouffes-Parisiens overtuigen en “L’Etoile” gaat in première op 28 november 1877. Het succes is matig en de opera heeft pas na een opvoering in de Opéra Comique in Parijs in1941 echt succes. Het is Chabriers eerste voltooide opera. Nadien volgen onder andere nog Gwendoline (première in de Muntschouwburg in Brussel april 1886) en Le Roi malgré lui. Van een vaste waarde in het repertoire kunnen we hoe dan ook nog steeds niet spreken.
Luchtig verhaal
Het verhaal gaat over een koning die niet zozeer corrupt dan wel labiel is en vooral een fantast. Zijn naam “Ouf” maakt in omkering duidelijk wat zijn belangrijkste karaktertrek is, namelijk “fou”. Ook in de andere namen van de personages verstopte Chabrier grappige bijbetekenissen. Elk jaar laat koning Ouf een onderdaan executeren. Hij kiest daarvoor iemand die hem zogezegd beledigd heeft en omwille van die majesteitsschennis de dood verdient. Het slachtoffer is dit jaar de niets vermoedende marktkramer Lazuli. Die wordt verliefd op “prinses” Laoula, een knap jong meisje dat nog niet goed weg weet met haar leven, zoals haar naam verraadt: là ou là . Ze daagt op in een zogezegd “diplomatiek gezelschap. De relatie Lazuli -Laoula heeft een op zijn minst een burlesk verloop, met o.a. een pseudoverdrinking van Lazuli. Maar als de hofastroloog Sirocco duidelijk maakt dat volgens de sterren het lot van de koning samenhangt met dat van Lazuli, wordt de executie afgelast en Lazuli mag zelfs trouwen met prinses Laoula. Ouf, iedereen gered!
Spitse geestigheid ontbreekt
Zoals in een komisch werk vaak het geval is, zorgen nevenintriges voor grappige verwarring en verrassende wendingen, dat is in “L’Etoile” niet anders. Jammer genoeg ontbrak in de regie van Matthew Eberhardt de fantasie en de juist gedoseerde satirische inschatting van de situaties. Het decor toont een vrij realistische carrousel met hobbelpaardjes en grote troon voor Ouf, tegen de achtergrond van een weliswaar “lazuli”blauwe hemel, maar het komt eerder over als een scène voor een kindersprookje dan als een irreëel decor voor een parodie. Satire op de “gevestigde macht” mondt geregeld uit in eerder ridicule scènes, dan wel in geestigheid, voorbeeld de scène met het “marteltuig” om te spietsen waarmee de executie zou plaatshebben. Aan de sterrenwichelaar Sirocco het uitzicht van een Jood te geven, was gezien zijn bedrieglijke voorstellingen enigszins geslaagde parodie. Het kraampje van de venter Lazuli heeft nog enige speelsheid, maar de scènes met de prinsessen en de hele entourage van Hérisson de Porc-Epic, missen grappige verrassing waardoor op de duur verveling toeslaat. In het tweede deel zit de humor iets beter met onder andere de nochtans lange “chartreuse”-passage die Ouf en Sirocco “sterretjes” laten zien. Ook de meerwaarde van de aangepaste dialogen van Waut Koeken ontsnapt me. De regie slaagt er niet in de absurditeit van het verhaal te grijpen en mist de grens tussen ambiguïteit en domme gag.
Muzikaal te veeleisend
Dat je voor zo’n opera zangers nodig hebt die spontaan en levendig spelen en een bruisend orkest is vanzelfsprekend. Ook hier wringt jammer genoeg het schoentje. Erik Silk kroop in de koningskleren van Ouf, maar ik vrees dat die hem toch niet zo goed zaten. Zijn spel kwam geforceerd over en dat heeft zeker invloed gehad op zijn vocale prestatie. Ik vermoed dat deze zanger zich beter thuis voelt in een ernstige partij, Martijn Sanders bracht vocaal en als acteur de ambigue rol van Sirocco overtuigend op scène. Anna Emelianova stal ongetwijfeld de show. Ze zong haar prinsessenrol met lichte hoge sopraan en schitterde in de coloraturen. Brenda Poupard was overtuigend als soms naïeve, soms melancholische Lazuli, met de mooie “Romance de l’étoile”. Haar stem klinkt soepel en heeft een mooi timbre, maar jammer genoeg projecteert ze niet tot in de zaal. Dat brengt me bij een algemene bedenking bij de klank van het Parktheater. Hoewel dit een prachtig theater is, de akoestiek voor dit soort muziekuitvoeringen is allesbehalve ideaal. Het orkest Philzuid speelt zich onder leiding van Nicolas Krüger de ziel uit het lijf met deze wervelende operettemuziek maar de ritmische bravoure en zeker de lyrische melodieën geraken niet vanuit de orkestbak de zaal in. Voor een positieve noot zorgen alvast de vrolijke koorfragmenten van het Theaterkoor Opera Zuid. L’Etoile van Chabrier is zeker een ontdekking waard, maar deze productie legt meteen de vinger op de pijnpunten van dit operetterepertoire.








