Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Klassiek Centraal

Als de kaarten kleur bekennen

Wanneer het Koninklijk Concertgebouworkest in BOZAR neerstrijkt, brengt het altijd een flinke portie geschiedenis mee, maar onder Santtu-Matias Rouvali kreeg die traditie op zaterdagavond 16 mei een heerlijk frisse impuls. Weg was het plechtstatige prestige; er kwam beweging, adem en spontaniteit voor in de plaats. Dat het klikte tussen dirigent en orkest was vanaf de eerste noten voelbaar: alsof een orkest dat zijn kaarten door en door kent, besloot ze vanavond eens helemaal anders uit te delen. Het resultaat? Een concert dat voortdurend verraste en toch geen moment zijn samenhang verloor.

Het programma sloot daar naadloos bij aan. Van de natuurlyriek van Antonín Dvořák (1841-1904) en het fijn geconstrueerde modernisme van Bohuslav Martinů (1890-1959), tot het speelse kaartspel van Igor Stravinsky (1882-1971) en de zinnelijke orkestmagie van Maurice Ravel (1875-1937): vier werken die elk tonen hoe muziek zich blijft vernieuwen om expressief te blijven. Zo ontstond een heldere dramaturgische boog waarin bijna een eeuw muziekgeschiedenis voorbijtrok. De reis liep van laatromantische expansie naar modernistische fragmentatie, zonder dat de onderliggende zoektocht naar lyriek ooit verdween.

De eerste kaarten op tafel

Met Dvořáks In Nature’s Realm opende de avond vol openheid en verwachting. Deze ouverture is het eerste deel van het drieluik Nature, Life and Love, waarin Dvořák geen concrete natuurbeelden wilde schilderen, maar de diepe verbondenheid tussen mens, natuur en emotie zocht. Het werk kende een prachtig begin in de contrabassen, die meteen voor een warme, diepe ondergrond zorgden. Wat vaak als louter pastorale romantiek klinkt, kreeg onder Rouvali veel meer reliëf en energie. Zijn lezing hield de muziek voortdurend in beweging: de natuur als iets ademends en veranderlijks, niet als een stil decor.

Het Concertgebouworkest speelde met een prachtige transparantie en toonde een heerlijk onderling samenspel. Vooral de houtblazers gaven het werk een bijna kamermuzikale verfijning, terwijl de strijkers warmte toevoegden zonder de klank dicht te smeren. Rouvali vermeed bewust elk zwaar sentiment. Hij legde de nadruk op interne spanning en verdichting, alsof Dvořáks romantiek hier al voorzichtig onder druk kwam te staan. Daardoor werd dit werk veel meer dan een sfeerschets alleen.

Lyriek met scherp geschudde kaarten

Martinů’s Eerste celloconcerto vormde het hart van de avond. Dit pittige werk combineert Europese melancholie met een heldere, bijna objectieve en uitstekend fijnzinnige orkesttaal. Die dubbelheid tussen emotie en constructie bepaalde de hele uitvoering van dit uitdagende stuk, dat door het publiek zichtbaar werd gesmaakt.

Sol Gabetta vond precies de juiste balans. Haar spel bezat warmte en intensiteit, maar bleef altijd helder van lijn. Geen breed uitgesponnen romantiek, maar een strakke, bijna architecturale opbouw. Wat daarbij opviel, was het gedreven samenspel en het mooie oogcontact tussen de celliste en de dirigent; een dialoog die de uitvoering vleugels gaf. Gabetta maakte van het concerto geen romantisch pronkstuk, maar een levendig gesprek met het orkest. In het eerste deel klonk de cello soms eerder als commentator dan als protagonist. De partituur kent enkele fameuze, abrupte orkestpassages, maar het Concertgebouworkest stelde zich uiterst ingetogen op zodra de cello speelde, waardoor de sololijn alle ruimte kreeg.

Vooral in de heerlijk melancholische tweede beweging ontstond een mooie spanning tussen introspectie en beweging. Onder de melodische lijnen van Martinů blijft altijd een ondertoon van onrust aanwezig. Gabetta speelde die niet uit als grote emotionele climax, maar als geconcentreerde innerlijke spanning. Tijdens een prachtig solomoment vloeide haar spel mooi samen met dat van de altvioliste – een muzikale verstandhouding die na het stuk door Gabetta werd bezegeld toen zij de altvioliste persoonlijk bedankte.

In de finale schudt Martinů de kaarten opnieuw. Ritmische impulsen, scherpe accenten en abrupte verschuivingen geven het slotdeel een nerveuze beweeglijkheid die Rouvali strak bijeenhield zonder de spontaniteit weg te drukken. Gabetta behield ook hier haar heldere lijnenspel: virtuositeit werd nooit een doel op zich. Daardoor kreeg de finale niet alleen energie, maar ook een onderliggende rusteloosheid.

Het Concertgebouworkest begeleidde haar met grote alertheid. Rouvali bewaakte de structuur zorgvuldig, waardoor Martinů’s grillige opbouw organisch bleef klinken. Het concerto ontvouwde zich tot het einde toe als een subtiel spel van geven en reageren.

Het spel wordt expliciet

Met Jeu de cartes maakt Stravinsky de metafoor letterlijk. Dit ballet rond een pokerpartij is muziek als strategie, verrassing en ironie. Motieven functioneren als speelkaarten die worden ingezet, gecombineerd of onverwacht weer ingetrokken. Het gaat hier puur om de logica van het spel zelf, waarin bluffen en toeval de muzikale motor vormen. Stravinsky vertelt in dit neoklassieke werk uit 1936 geen verhaal, maar zet spelregels op die voortdurend verschuiven.

Rouvali voelde zich hier zichtbaar thuis; zijn benadering sloot perfect aan bij dat spelprincipe. Hij dirigeerde scherp en ritmisch alert, maar hield de muziek tegelijk soepel en dansant. Elke muzikale ‘zet’ kreeg een directe, hoorbare consequentie. Hij koos resoluut voor nervositeit boven elegantie: de muziek mocht schuren en ontregelen, zolang de interne logica maar intact bleef.

De uitvoering blonk uit door een ongelofelijk groot spelplezier. Het Concertgebouworkest liet de voortdurend wisselende stemmingen horen die je ook bij een echt kaartspel ervaart. Aan het einde leek het werkelijk alsof het geld op was en alle fiches waren verspeeld. Het orkest schitterde in de snelheid waarmee kleuren elkaar afwisselden en bracht een waanzinnige klankrijkdom teweeg. Vooral indrukwekkend was hoe lichtvoetig de complexiteit bleef klinken. Achter de speelse façade bleef de precisie verbluffend, zonder ooit academisch te worden.

Alle kleuren tegelijk

Met Ravels Suite nr. 2 uit Daphnis et Chloé brak het absolute hoogtepunt van de avond aan. Dit meesterwerk voor Diaghilevs Ballets Russes is een van de meest kleurrijke partituren uit de vroege twintigste eeuw; een werk waarin klank bijna tastbaar wordt. Na het strategische spel van Stravinsky lijken de regels hier volledig opgelost. Geen zetten of kaarten meer, maar een totale uitbarsting van kleur en licht.

Rouvali koos niet voor impressionistische vaagheid, maar voor een helder opgebouwde spanning. Het Lever du jour kende een overheerlijke opbouw en groeide laag na laag organisch uit de stilte. Daarbij leverden de fluiten prachtig werk af om de ontwakende sfeer in te kleuren. De daaropvolgende pantomime was uiterst sfeervol en vormde een mooie, vloeiende overgang naar de finale.

Wanneer de slotdans losbarstte, combineerde het Concertgebouworkest ritmische scherpte met pure klankvreugde. Dat was misschien wel de grootste kwaliteit van deze uitvoering: de muziek behield haar verfijning, maar straalde tegelijk een aanstekelijk speelplezier uit. Zelfs de grootste tutti’s bleven volkomen transparant, waardoor de zinnelijke overvloed nooit massief werd, maar culmineerde in een overweldigend klankorgasme.

Zo bewoog de avond zich van Stravinsky’s strakke spelregels naar Ravels totale overgave: van kaarten die met elkaar concurreren naar een moment waarop alle kaarten tegelijk open op tafel liggen.

De winnende hand

Wat deze avond uiteindelijk naar de ultieme showdown dreef, was de meesterlijke controle van Santtu-Matias Rouvali. Hij verbond structuur en spontaniteit op bewonderenswaardige wijze, waardoor Sol Gabetta en het Concertgebouworkest alle ruimte kregen om te schitteren. Niets klonk monumentaal of vastgelegd; alsof elke nieuwe muzikale kaart niet afsloot, maar juist weer opnieuw werd uitgedeeld.

Precies daardoor blijft dit concert nazinderen. Niet als een reeks losse werken, maar als één doorlopend spel waarin het Concertgebouworkest bewees dat traditie pas leeft als je haar durft te herschikken. Vanavond werd de pot binnengehaald, omdat dit concert niet draaide om afzonderlijke hoogtepunten, maar om het ongelooflijk spelplezier en de waanzinnig mooie orkestklank die iedereen van begin tot einde op het puntje van zijn stoel hielden.

Details:

Titel:

  • Als de kaarten kleur bekennen

Wie:

  • Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Santtu-Matias Rouvali met Sol Gabetta, cello

Waar:

  • BOZAR, Brussel

Wanneer:

  • 16 mei 2026

Foto credentials:

  • © Eduardus Lee
nlNLdeDEenENfrFR