Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Waar spanning en speelvreugde elkaar vinden

W
· 6 min lezen
Deel dit artikel
Waar spanning en speelvreugde elkaar vinden

Een programma met Josef Suk (1874-1935), Franz Schubert (1797-1828) en Felix Mendelssohn (1809-1847) lijkt op het eerste gezicht een wat ongebruikelijke combinatie. Toch blijken de drie werken bij beluistering meer met elkaar gemeen te hebben dan hun verschillende stijlwerelden doen vermoeden. Violist Jan Mráček verbindt Suks Fantasie op. 24 met Schuberts Rondo in A majeur en Mendelssohns vroege vioolconcerto in d klein. Suk en Schubert staan daarbij niet alleen ver van elkaar in tijd en stijl, ook Mendelssohns jeugdwerk heeft een heel eigen plaats binnen dit programma. Juist in die onverwachte combinatie ontstaat ruimte voor drie verschillende kanten van Mráčeks musiceren.

Spanning en verstilling

Suks Fantasie zet meteen sterk in. Het orkest opent met een opvallende urgentie, waarna de viool voor verstilling zorgt. Die tegenstelling blijft de uitvoering voeden: beweging en terughoudendheid, spanning en lyriek wisselen elkaar af zonder dat het geheel uiteenvalt. De orkestbijdragen zijn dynamisch en kleurrijk, maar nergens overdreven. Vooral in de manier waarop de verschillende instrumentengroepen op de viool reageren, ontstaat een voortdurend gevoel van beweging. De muziek wordt nergens dichtgespeeld; juist de dosering maakt ruimte voor de vele stemmingswisselingen in de Fantasie.

Mráček treft de sfeer van het werk met grote muzikaliteit. Zijn vioolspel combineert technische beheersing met een sterk gevoel voor klank en frasering. In de virtuoze passages spreekt zekerheid zonder dat de muziek aan spanning verliest, terwijl hij in de meer ingetogen en speelse momenten juist ruimte laat voor nuance. Opvallend is ook zijn gevoel voor proportie: hij weet wanneer de viool naar voren moet treden en wanneer ze zich beter in het orkest kan voegen. Zo ontstaat een uitvoering waarin de grote contrasten van de Fantasie voelbaar blijven zonder te worden uitvergroot. De viool blijft een zelfstandige stem, maar staat nergens los van het orkest. Precies die wisselwerking maakt Mráčeks vertolking overtuigend.

Ook John Eliot Gardiner heeft daarin een belangrijk aandeel. Hij begeleidt niet simpelweg, maar reageert op de solist en geeft de orkestpartij een eigen profiel. Vooral de accenten in het hout vallen op: ze beantwoorden de viool niet alleen, maar lijken haar soms ook een andere richting uit te sturen. Daardoor krijgt de orkestpartij een zelfstandigheid die verder gaat dan ondersteuning. Gardiner en Mráček voerden Suks Fantasie bovendien voor het eerst samen uit. In de opname klinkt iets van de alertheid die zo'n eerste samenwerking kan oproepen: niet als demonstratieve frisheid, maar als een voortdurend luisteren naar wat er muzikaal gebeurt.

Musiceren met één adem

Met Schuberts Rondo in A majeur D. 438 verandert de schaal. De orkestrale rijkdom van Suk maakt plaats voor een kleinere, meer kamermuzikale bezetting. Opvallend is dat het Kamerorkest van de Tsjechische Filharmonie hier zonder dirigent speelt. Mráček neemt de leiding en doet dat met een opmerkelijke natuurlijkheid. Hij stuurt de musici vanuit de viool, maar blijft tegelijk volledig onderdeel van het ensemble. Een frase wordt door het orkest opgepakt, een motief keert terug in de viool en muzikale bewegingen gaan bijna ongemerkt van de ene groep naar de andere over.

Die manier van musiceren zorgt voor een fijne homogeniteit. De verschillende instrumentengroepen reageren alert op elkaar en plaatsen hun accenten precies waar ze nodig zijn. Dat geeft de uitvoering een elegante beweeglijkheid: de muziek blijft voortdurend in beweging, maar nergens ontstaat de indruk van haast. Mráček houdt daarbij de muzikale lijn helder, terwijl viool en ensemble voortdurend op elkaar blijven reageren. Ook in de meer lyrische passages blijft die onderlinge afstemming hoorbaar, met ruimte voor nuance.

Tegelijk klinkt er veel spelplezier. De virtuoze momenten krijgen vaart en glans, terwijl de meer zangerige passages ruimte laten voor expressie. De viool kan naar voren treden en zich vervolgens weer in het ensemble voegen. Het kamerorkest reageert niet alleen op de solist, maar draagt zelf actief de muzikale beweging. Juist die combinatie van elegantie, homogeniteit en speelvreugde maakt deze uitvoering bijzonder geslaagd.

Jeugd zonder lichtzinnigheid

Ook Mendelssohns vioolconcerto in d klein, geschreven toen de componist dertien was, wordt hier niet als curiosum behandeld. Mráček speelt het uitgesproken zangerig. Vooral in het Andante krijgt de melodische lijn alle ruimte. De viool zingt zonder dat de frase zwaar wordt aangezet, terwijl het kamerorkest de lijn met een transparante klank ondersteunt. Ook hier speelt het ensemble zonder dirigent, waarbij Mráček vanuit de viool de muzikale leiding neemt.

Dat maakt deze uitvoering interessant in vergelijking met de opname van Elvin Hoxha Ganiyev uit 2026, die eveneens het d-kleinconcerto opnam. Ganiyevs lezing viel op door haar vrijheid, ornamenten en soms bijna geïmproviseerde impuls. Mráček kiest een andere weg. Zijn spel klinkt nog lichter en daardoor overtuigender: de muziek lijkt nergens naar onbevangenheid te hoeven zoeken, maar bezit die eenvoudigweg. De frasering blijft natuurlijk, de virtuositeit moeiteloos en de samenwerking met het kamerorkest blijft opvallend hecht.

Die benadering komt het sterkst tot haar recht in het finale. Hier is het een en al speelvreugde. De virtuositeit krijgt iets speels en beweeglijks, passages lijken elkaar op te jagen zonder ooit gehaast te klinken. Mráčeks techniek staat volledig ten dienste van die energie, terwijl het kamerorkest de beweging met opmerkelijke souplesse volgt. De muziek lijkt hier vooral plezier te hebben in haar eigen beweging. Het is precies de jeugdige energie die je bij een dertienjarige Mendelssohn zou kunnen verwachten, maar dan zonder dat ze wordt aangedikt of geromantiseerd.

Een doordacht geheel

De kracht van deze cd ligt uiteindelijk niet in een stilistische eenheid, maar in de manier waarop Jan Mráček zich telkens opnieuw tot de muziek en het ensemble verhoudt. Hij speelt technisch volledig beheerst, zonder zijn virtuositeit ooit als doel op zich te presenteren. Bij Suk krijgt de viool een uitgesproken dramatische rol binnen een rijk orkestweefsel; bij Schubert ontstaat een verfijnde kamermuzikale dialoog, al laat de grote controle weinig ruimte voor het onverwachte; bij Mendelssohn wordt dezelfde speelhouding jonger en speelser, met een finale waarin virtuositeit en plezier samenvallen.

Zo blijkt de ogenschijnlijk ongebruikelijke combinatie van Suk, Schubert en Mendelssohn toch een doordacht programma. De drie werken behouden hun eigen karakter, terwijl Mráček ze niet naar één interpretatieve mal probeert te voegen. Juist daarin ligt de overtuigingskracht van deze cd: de verschillen blijven hoorbaar, maar vormen samen een helder portret van een violist die zowel de dramatische zeggingskracht van Suk als de kamermuzikale verfijning van Schubert en de jeugdige speelvreugde van Mendelssohn weet te treffen.

Besproken cd

Suk - Schubert - Mendelssohn

Jan Mracek (Violine), Czech Philharmonic Orchestra, Czech Philharmonic Chamber Orchestra, John Eliot Gardiner

Label
Supraphon · SU4380-2
Verschijningsdatum
4 september 2026
Volledige fiche →
Deel dit artikel
NL