Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Paganini voorbij de duivelsviool

W
· 7 min lezen
Deel dit artikel
Paganini voorbij de duivelsviool

Niccolò Paganini (1782-1840) heeft een probleem. Of beter: zijn reputatie heeft dat. Zodra zijn naam valt, verschijnt vrijwel automatisch het beeld van de demonische vioolvirtuoos, de man die met zijn technische mogelijkheden het publiek van het begin van de negentiende eeuw tot verbijstering bracht. De componist die achter dat imago schuilgaat, blijft daardoor gemakkelijk buiten beeld. En precies daar begint de aantrekkingskracht van deze cd.

Paganini – His Music, His Instruments is veel meer dan een verzameling werken van een beroemde violist. Het album wil de componist Paganini opnieuw bekijken vanuit zijn liefde voor de kamermuziek en vooral voor de gitaar. Carlotta Dalia en het Goldmund Quartett – Florian Schötz, Pinchas Adt, Christoph Vandory en Raphael Paratore – doen dat met een bijzonder uitgangspunt: zij spelen op instrumenten die ooit aan Paganini zelf toebehoorden. De vier historische Stradivari-instrumenten van het zogenaamde Paganini-Quartett bevinden zich sinds 2019 bij het Goldmund Quartett; de gitaar die Carlotta Dalia bespeelt, wordt tegenwoordig in het Palazzo Tursi in Genua bewaard en heeft zelfs Paganini's initialen "N.P." in ivoor verwerkt in de kopplaat.

Dat de vijf instrumenten ooit door dezelfde eigenaar werden bespeeld, had gemakkelijk een marketingverhaal kunnen blijven. Dat gebeurt hier niet. De historische instrumenten vormen geen doel op zich, maar een middel om een kant van Paganini hoorbaar te maken die doorgaans minder aandacht krijgt: de componist die zich niet uitsluitend interesseerde voor de virtuoze mogelijkheden van de viool, maar diep verbonden was met de gitaar, de altviool en de cello. Paganini bespeelde geen piano, en dus greep hij voor het schrijven van zijn muziek steevast naar de gitaar; wie zijn kamermuziekpartijen wil doorgronden, moet dus eigenlijk naar dit instrument kijken. Niet minder dan vijftien kwartetten voor gitaar en strijkers behoren tot zijn nalatenschap – een verrassend rijke oogst voor iemand die in het collectieve geheugen toch vooral als vioolcomponist is blijven hangen.

De hiërarchie omgekeerd

Het programma opent met het Guitar Quartet nr. 15 in a klein, MS 42, en meteen wordt duidelijk dat Paganini zich niet aan de conventies van zijn tijd gebonden voelde. Waar doorgaans de eerste viool de honneurs waarneemt, is het hier de altviolist die het voortouw krijgt: het stuk zet meteen fors in met een uitgebreide, technisch veeleisende solopassage voor dat instrument, terwijl de rest van het ensemble ondersteunend meebeweegt. Dat is geen gimmick: de muziek beweegt voortdurend tussen individuele virtuositeit en ensembleklank, tussen vragen en antwoorden. Het openende Maestoso klinkt daarbij minder plechtig dan de aanduiding doet vermoeden – eerder zoekend en smekend, alsof Paganini eerst een gesprek wil aangaan voor het kwartet zich echt ontvouwt. De musici van het Goldmund Quartett voelen zich daarbij hoorbaar thuis.

Carlotta Dalia's gitaar – gebouwd door Ory-Koelliker in Parijs in 1797 – past hier prachtig bij: het instrument heeft een warme, ietwat gedempte klankkleur die lang blijft doorklinken, zonder ooit hard of scherp te worden. Er werd bewust geëxperimenteerd met tremoli en pizzicati om de gitaarklank aan te vullen, en dat werkt: de stemmen vullen elkaar aan en lossen op bepaalde momenten bijna volledig in elkaar op.

Het Minuetto a canone toont een heel andere kant: speels en licht, met een mooi solomoment voor de gitaar dat vervolgens elegant door de strijkers wordt overgenomen – vooral de pizzicati geven het geheel iets sprankelends. In het Recitativo komt de operacomponist in Paganini het duidelijkst naar voren: een uitgesproken vocale lijn, gedragen door melancholie, die door Dalia en het kwartet ingetogen wordt gehouden en juist daardoor overtuigt.

Vooral het vierde deel, het Adagio cantabile, blijft echter het meest verfijnde moment van het kwartet. Alle virtuoze bravoure valt hier even weg en klank, adem en melodische zeggingskracht krijgen de ruimte. Paganini toont zich hier als een componist die veel meer te zeggen heeft dan het cliché van de "duivelsviolist" doet vermoeden: de muziek bouwt bijna ongemerkt naar een climax die des te meer raakt omdat ze nergens wordt opgedrongen. Het slotdeel, het Rondo, brengt vervolgens weer het vuur en de speelvreugde terug – een finale die niet wil imponeren, maar verleiden, en die de melodie vrijwel meteen in het oor laat kruipen.

Twee andere gezichten

Na dit omvangrijke openingswerk volgt een heel andere Paganini. Carlotta Dalia neemt de gitaar alleen ter hand voor de Sonata in A majeur, op. 3 nr. 1, oorspronkelijk voor soloviool en hier getranscribeerd door Manuel Barrueco. Op papier een merkwaardige keuze, maar in de praktijk een heel natuurlijke overgang, want de gitaar was nu net het instrument waarmee Paganini zijn kamermuziek uitwerkte. Dalia probeert niet de viool na te bootsen, en juist daarin ligt de charme: de gitaar maakt de virtuositeit minder pronkerig en geeft de melodische lijnen een zachtere, meer ingetogen kleur. Het is Paganini zonder de theatrale buitenkant.

Met het String Quartet nr. 3 in a klein, MS 20, horen we Paganini dan weer zonder gitaar, in klassieke bezetting – en juist daardoor wordt duidelijk hoe weinig zin het heeft hem als virtuoos van één instrument te beschouwen. Het Largo zet meteen een verwachtingsvolle toon, alsof er iets staat te gebeuren, voor het vol vuur overgaat in het Allegro. Het Minuetto daarbinnen is een pareltje op zich, bijna een mini-operascène: een vragende eerste viool krijgt soms een bewust bruusk antwoord van de andere spelers, met een lyrisch Andantino als uitloper. Het Andante con variazioni wordt met duidelijke afwisseling tussen de stemmen gebracht, waarna het Presto na de twee meer ingetogen delen die eraan voorafgingen weer heerlijk speels uitpakt.

Het is bovendien een kwartet dat zelden wordt uitgevoerd; deze opname pleit stilzwijgend voor een plek in de concertzaal, en verschaft wie het voor het eerst hoort meteen een andere kijk op Paganini. Het Goldmund Quartett brengt het geheel met grote overgave en een hechte, jarenlang gerijpte muzikale taal – de vier spelers vullen elkaar aan zonder elkaar ooit de loef af te steken in virtuositeit.

Een vreemde eend in de bijt

Tussen de twee grote kwartetten en de afsluitende Caprice staat Te voglio bene assaje, een negentiende-eeuwse Napolitaanse canzone die traditioneel aan Donizetti wordt toegeschreven en hier door Carlo Marchione werd bewerkt tot een eigentijds ghiribizzo. Het stuk is charmant en sluit qua speelsheid aan bij Paganini's eigen ghiribizzi – een genre van miniaturen waarin populaire wijsjes van de dag in een gitaarzetting werden gegoten.

Toch is het ook het enige stuk op deze cd dat niet van Paganini zelf is – een anoniem overgeleverde melodie, in een nieuw geschreven bewerking. Op een album dat zijn hele concept ontleent aan de gedachte "zijn muziek op zijn instrumenten", is dat een opvallende inconsistentie. Niet dat het een kwaliteitsprobleem is: Dalia en Marchione leveren een aantrekkelijk stuk af, en de link met Paganini's eigen ghiribizzo-traditie is inhoudelijk verdedigbaar. Maar tussen de rest van het programma, dat wél rechtstreeks van Paganini komt, blijft deze keuze vreemd aandoen.

Dé Caprice als afsluiter

Het bekendste stuk van de cd weerklinkt als afsluiter in een onverwachte gedaante: de Caprice nr. 24 voor gitaar en strijkkwartet, gebaseerd op de bewerking van Robert Schumann, die het werk in een ongewoon licht plaatst. De gitaar krijgt de solistische functie, terwijl het kwartet niet zomaar begeleidt maar met tremoli en pizzicati een klankdecor vormt waarin de gitaar helder kan blijven – naar het einde toe groeit dat decor bijna uit tot de gloed van een klein symfonisch orkest, zonder dat de gitaar ooit wordt overschaduwd.

Het is precies hier dat het hele idee van de cd samenkomt: niet "kijk eens op welke beroemde instrumenten we spelen", maar "luister eens hoe anders deze muziek klinkt wanneer ze wordt teruggebracht naar een instrumentale wereld die dicht bij Paganini zelf staat." Historische authenticiteit wordt zo geen dogma, maar een artistieke stimulans.

De mens achter de mythe

Paganini – His Music, His Instruments probeert de componist niet van zijn mythe te ontdoen, maar de mythe open te breken. De duivelsviolist blijft bestaan, maar krijgt gezelschap van een andere Paganini: de kamermusicus, de gitarist, de altviolist, de melodicus. De samenkomst van de vijf historische instrumenten in Brescia voor deze opname heeft daardoor iets symbolisch – twee eeuwen nadat Paganini ze zelf in handen had, komen ze opnieuw samen voor muziek die hij zelf componeerde of die rechtstreeks aansluit bij zijn muzikale wereld. Toch maakt de cd er geen museumstuk van: de muziek klinkt als muziek, niet als historisch experiment.

Wie Paganini alleen kent van de 24 Caprices, krijgt hier een verrassend andere, en vooral veel menselijkere Paganini te horen.

Besproken cd

Paganini, his music, his instruments

Carlotta Dalia, gitaar, & Goldmund Quartett

Label
Berlin Classics · LC06203
Verschijningsdatum
11 september 2026
Beluisteren Spotify Apple Music
Volledige fiche →

Tracklist

  1. 1 Guitar Quartet No. 15 in A Minor, MS 42: I. Maestoso
  2. 2 Guitar Quartet No. 15 in A Minor, MS 42: II. Minuetto a Canone. Andantino
  3. 3 Guitar Quartet No. 15 in A Minor, MS 42: III. Recitativo - Andante Sostenuto, Con Sentimento
  4. 4 Guitar Quartet No. 15 in A Minor, MS 42: IV. Adagio Cantabile
  5. 5 Guitar Quartet No. 15 in A Minor, MS 42: V. Rondo. Allegretto
  6. 6 Sonata in A Major, Op. 3 No. 1, Ms27 (For Solo Violin, Transcribed for Guitar by Manuel Barrueco)
  7. 7 String Quartet No. 3 in A Minor, MS 20: I. Largo - Allegro
  8. 8 String Quartet No. 3 in A Minor, MS 20: II. Minuetto. Andantino
  9. 9 String Quartet No. 3 in A Minor, MS 20: III. Andante Con Variazioni
  10. 10 String Quartet No. 3 in A Minor, MS 20: IV. Finale. Presto
  11. 11 Te Voglio Bene Assaje (Canzone Napoletana, Attribuita a Gaetano Donizetti)
  12. 12 Caprice No. 24 in A Minor (Version for Guitar and String Quartet)
Deel dit artikel
NL