Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

La nuict froide et sombre

Musica Divina laat eeuwen met elkaar spreken in Mol

D
· 7 min lezen
Deel dit artikel
La nuict froide et sombre
© Frank Emmers

Het concert La nuict froide et sombre, gebracht door ClubMediéval en SPECTRA in de Sint-Pieter en Pauwelkerk van Mol, deed iets ambitieus: het liet verleden en heden in elkaar overvloeien. Wat op papier een intellectueel concept over tijd, herinnering en muzikale waarheid zou kunnen zijn, bleek in de praktijk vooral een bijzonder overtuigende luisterervaring.

Vooraf schetste Katelijne Boone het concept achter het programma. Ze sprak over "momenten van waarheid", over oude muziek in een nieuwe context en over de vraag hoe waarheid zelf door de eeuwen heen verandert. Oude muziek werd daarbij niet als museumstuk behandeld, maar als levend materiaal dat hedendaagse componisten nog steeds inspireert. Opvallend was ook dat Noah Senden (1998), aanwezig in de kerk, als allereerste festivalcomponist van Musica Divina werd voorgesteld. Zijn opdrachtwerk vormde niet toevallig het vertrekpunt van de avond.

Met before we begin… plaatste Senden de luisteraar meteen in een andere toestand van aandacht. De jonge Antwerpse componist verkent in het werk het moment vóór de eerste noot, de verwachting en de stilte die aan muziek voorafgaan. De compositie ontstond grotendeels tijdens een residentie in Averbode en vertrekt vanuit symbolisch materiaal: een melodische stroom die zich door het werk beweegt als het leven, en een motief rond waarheid, opgebouwd uit een majeur- en mineurterts. Waarheid is daarbij niet noodzakelijk goed of slecht, maar kan verschillende gedaanten aannemen.

Wie echter enkel filosofische bespiegelingen verwachtte, kwam bedrogen uit. Het stuk werkte bij mij vooral omdat het een sterk zintuiglijke ervaring werd. Vanuit een haast ongrijpbare klankmist ontstonden mysterieuze texturen die door de voortreffelijke strijkers van SPECTRA met grote precisie werden opgebouwd. In de verte leken klokken te klinken. Eerst diffuus, vervolgens steeds meer als oriëntatiepunten in een landschap van geluiden. Alsof vanuit een oertoestand langzaam orde ontstond.

00006673Onderweg hoorde je natuurgeluiden, vogelachtige figuren en een ontwakende wereld. Het was alsof een reus zich langzaam uitstrekte na een lange slaap. Op een cruciaal moment nam de fluit het voortouw met een melodische lijn die plots richting gaf aan het geheel. Wat voordien organisch en zwevend leek, kreeg vorm. Die lijn werd vervolgens door de strijkers overgenomen, waarna het klankbeeld opnieuw donkerder kleuren aannam. De rol van de klokachtige motieven bleef daarbij mooi ambigu: markeerden ze de voortgang van de tijd of verwezen ze juist naar iets tijdloos? Of gewoon: Averbode? SPECTRA hield die spanning overtuigend overeind met een spel dat tegelijk krachtig, helder en trefzeker was.

De overgang naar Ut heremita solus, het aan Ockeghem toegeschreven motet, voelde bijna vanzelfsprekend aan. Plots bevonden we ons vijf eeuwen terug in de tijd, maar vreemd genoeg leek de afstand beperkt. ClubMediéval bracht het werk sober en geconcentreerd. De afzonderlijke lijnen bleven mooi leesbaar en de contemplatieve sfeer van de zang kwam uitstekend tot haar recht.

Daarop volgde Harrison Birtwistles instrumentale reactie op hetzelfde materiaal, en hier werd duidelijk hoe goed het programma was opgebouwd. Birtwistle trekt de melodische en polyfone gedachte van Ockeghem helemaal open. De antieke geest blijft aanwezig, maar wordt bekeken door een moderne lens. Wat in het historische werk besloten ligt, wordt uitvergroot, gefragmenteerd en ruimtelijk uitgespreid.

Toch was dit geen “destructie” van het origineel. Integendeel. De verwantschap bleef voortdurend hoorbaar. SPECTRA speelde het werk met een opmerkelijke transparantie, waardoor de verschillende instrumentale lijnen werkelijk als stemmen binnen een polyfoon ensemble gingen functioneren. De piano voegde bovendien een geheel eigen kleur toe aan het palet. Het was een uitvoering die “de adem van de polyfone zang” quasi hoorbaar maakte.

Ook bij Obrechts Weet ghij wat mijnder jongher herten deert bleef de programmalogica overeind. Het lied kreeg een warme, kleurrijke uitvoering waarbij vooral de emotionele betrokkenheid van de zangeres opviel. Haar zang was bezield en vol gevoel. Soms ging dat enigszins ten koste van de verstaanbaarheid van de tekst, waardoor het verhaal iets minder direct overkwam dan mogelijk was geweest. 

Met Lassus Echo I en Lassus Echo II van Daan Janssens bewees het programma vervolgens dat het concept meer was dan een intellectuele kapstok. De vraag was immers of de oorspronkelijke Lassus werkelijk hoorbaar zou blijven. Dat bleek zonder meer het geval. Janssens behoudt de contouren van het historische model, maar projecteert die in een hedendaags klanklandschap vol schaduwen, kleuren en verschuivende perspectieven.

Ook hier bleven de polyfone lijnen opvallend aanwezig. In Lassus Echo I werden ze uitgesponnen in verfijnde details, terwijl Echo II een veel dreigender karakter kreeg. De muziek werd beeldend, soms zelfs onheilspellend. Opnieuw maakte SPECTRA indruk met een krachtig en overtuigd spel waarin de afzonderlijke klankkleuren helder afgetekend bleven. Het abrupte einde van het tweede deel werkte daardoor des te sterker.

00006605Met Bedynghams O rosa bella werd opnieuw duidelijk hoe verschillend de klankculturen van beide ensembles zijn. Waar SPECTRA vaak werkt vanuit scherp afgelijnde contouren en hedendaagse klankkleuren, kiest ClubMediéval voor een zachtere, meer organisch vloeiende sonoriteit. Toch sloten beide werelden wonderwel op elkaar aan. De homogeen klinkende snaren en blokfluit vormden een warm draagvlak voor de sopraan, die het werk overtuigend tot leven bracht.

Het slotstuk, Memling Echo van Frederik Neyrinck, bracht uiteindelijk beide ensembles samen. Meteen viel de grote concentratie op waarmee de musici zich aan deze complexe partituur wijdden. Niemand speelde op automatische piloot. Iedere beweging en adem zat in de muziek verankerd. Daarbij hield dirigent Filip Rathé met opvallend sobere maar uiterst efficiënte gebaren alle lijnen samen. Hij dirigeerde niet groot, maar precies. Met handen, vingers en kleine bewegingen stuurde hij expressie en richting, en dat werkte voortreffelijk.

Neyrincks compositie ontvouwde zich voor mij als een reeks golven. Een energieke opening maakte meteen duidelijk dat dit geen nostalgische terugblik zou worden. Vervolgens ontstond een meer harmonische episode waarin de twee zangeressen sterk op de voorgrond traden. Hun partijen waren verre van eenvoudig, maar ze brachten die met bewonderenswaardige zekerheid en muzikaliteit.

00006193Daarna volgden episodes waarin slagwerk, vedel, fluiten, harp en luit telkens nieuwe perspectieven openden. Soms had de vedel iets elementairs, alsof zij de oerstem van het geheel vertegenwoordigde. Dan weer zorgden harp en luit voor rustpunten binnen een voortdurend bewegend landschap. Regelmatig doorkliefden de stemmen het instrumentale weefsel als een soort cantus firmus. Hier en daar meende ik zelfs subtiele oosterse invloeden te horen opduiken.

Opvallend was hoe Neyrinck voortdurend speelde met opbouw en ontspanning. De muziek ademde. Spanningsbogen groeiden, losten op en keerden terug. Tegen het einde verschenen opnieuw etherische klankvelden, fragiele dissonanten en zachtere solomomenten. Uiteindelijk keerden ook de vogelgeluiden en verre klokken terug, alsof het concert zijn beginpunt weer bereikte. Het slot, naar ik meen een zacht uitgesproken "amen", voelde daardoor niet als een einde, maar als de afronding van een cirkel.

En daarmee werd ook before we begin… van Senden opnieuw hoorbaar. Wat aan het begin van de avond begon met de vraag wat er gebeurt vóór de eerste noot klinkt, eindigde met klokken, vogels en stilte. Tussen die twee momenten had de muziek vijf eeuwen overbrugd. Niet als een rechte lijn van verleden naar heden, maar als een reeks echo's waarin oud materiaal telkens een nieuwe betekenis kreeg.

ClubMediéval en SPECTRA slaagden erin oude en nieuwe muziek niet simpelweg naast elkaar te plaatsen, maar ze daadwerkelijk naar elkaar te laten luisteren. Geen enkel werk stond geïsoleerd. Ockeghem werd een vertrekpunt voor Birtwistle, Lassus een voedingsbodem voor Janssens en de muziek van Bedyngham en Obrecht een fundament voor Neyrincks hedendaagse klankwereld. Alles leek deel uit te maken van één groter verhaal over tijd, herinnering, waarheid en menselijke verbeelding.

Musica Divina toont daarmee lef. Waar sommige festivals nieuwe muziek nog steeds als een soort intermezzo bij het erfgoed presenteren of als unicum naar voren schuiven, maakt dit programma haar tot een volwaardige gesprekspartner van de oude muziek. Dat levert niet alleen interessante concepten op, maar ook muziek die daadwerkelijk iets doet met de luisteraar. De kwaliteit van de nieuwe composities die hier aan bod kwamen, doet alvast verlangen naar meer.

De volledig gevulde kerk leek die ervaring te delen. Na afloop volgde een lange, warme ovatie, die wellicht nog langer had geduurd mocht er niet al een receptie hebben gewacht. 

Wie er niet bij was, krijgt op 13 oktober een tweede kans om het concert via Klara te beluisteren. Misschien ontdek je dan hetzelfde als het publiek in Mol: dat sommige waarheden inderdaad blijven evolueren, terwijl goede muziek moeiteloos de eeuwen overspringt.

Details

Wie
ClubMediéval, SPECTRA, Filip Rathé
Waar
Sint-Pieter en Pauwelkerk, Mol
Wanneer gezien
29 september 2026
Links
Website
Foto credentials
Frank Emmers
Deel dit artikel
NL