In het eerste deel van deze bespreking bleek hoe verschillend Szells behoefte aan controle kon uitpakken: soms bleef ze aan de oppervlakte, soms werd ze – zoals in het Brahms-concerto met Clifford Curzon – een bron van expressie. De overige opnamen uit deze box laten horen dat die expressieve kant van Szell allerminst een uitzondering is.
Lyriek zonder sentimentaliteit
Die kant komt misschien nog overtuigender naar voren in de Achtste symfonie van Antonín Dvořák (1841-1904) op cd 5, zonder twijfel een van de hoogtepunten van de hele uitgave. Vanaf de eerste maten klinkt de muziek alsof Szell haar volledig doorgrondt. In het eerste deel haalt hij weemoed, vuur, lyriek en levensvreugde naar boven; het tweede deel wordt zeer zangerig en groeit meeslepend naar zijn climax; in het derde gaan ritme en lyriek moeiteloos samen. Het Concertgebouworkest speelt schitterend – de gloeiende strijkers, de rijke houtblazers, het koper in de finale – en Szell benut precies die kwaliteiten van het Amsterdamse orkest. Het resultaat is precies zonder koel te worden, rijk zonder zwaar te klinken.
Het Celloconcerto met Pierre Fournier en de Berliner Philharmoniker, op dezelfde cd, behoort eveneens tot de absolute hoogtepunten. De orkestrale inleiding wordt met grote intensiteit opgebouwd, en wanneer Fournier inzet, lijkt zijn cello daar vanzelf uit voort te komen – aristocratisch van toon, nooit sentimenteel. Fournier en Szell vertellen van begin tot einde één verhaal, met de fluitsolo's als natuurlijke antwoorden binnen dat gesprek in plaats van losse versiering.
Licht, kleur en elegantie
Ein Sommernachtstraum van Felix Mendelssohn (1809-1847) en Rosamunde van Franz Schubert (1797-1828) op cd 7 vormen een andere verrassing – een kant van Szell die makkelijk onderbelicht blijft. De ouverture van Mendelssohn is verbluffend helder, met loepzuivere houtblazers; het Scherzo vinnig en stijlbewust zonder aan spontaniteit in te boeten; het Notturno krijgt dankzij de hoorns meteen zijn sprookjesachtige sfeer. Zelfs de overbekende Huwelijksmars wint aan frisheid, simpelweg omdat Szell hem als muziek behandelt en niet als routine.
Bij Schuberts Rosamunde valt vooral op hoe hij zelfs de kleinste miniatuur betekenis geeft: ook hier ontstaat zonder tekst toch een verhaal dat zich vanzelf lijkt te ontvouwen. De grotere orkestbezetting is vandaag ongebruikelijk, maar de zangerigheid van Schubert blijft er onaangetast onder, gedragen door het Concertgebouworkest dat ook bij Dvořák zo overtuigde.
De Pianoconcerten nr. 23 en 27 van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) op cd 8 sluiten daar verrassend goed bij aan. Met Curzon en de Wiener Philharmoniker klinkt Mozart rijk gekleurd, maar nergens wollig; de tempi doen opvallend modern aan. Curzon speelt met dat natuurlijke, bijna vanzelfsprekende gevoel voor stijl dat hem ook bij Brahms zo geloofwaardig maakte – het langzame deel van nr. 23 ontroert door eenvoud, nr. 27 door de heerlijke muzikaliteit tussen pianist, dirigent en orkest.
Genieten zonder schroom
De meest onverwachte cd van de box is misschien wel cd 6, met Georg Friedrich Händel (1685-1759) in de orkestraties van Hamilton Harty. Puristen zullen er wellicht van gruwen, maar ik heb er ongelooflijk veel plezier aan beleefd. Als er één barokcomponist is wiens muziek zich leent tot een bewerking voor groot symfonisch orkest, dan is het wel Händel: Harty houdt de Water Music ondanks de weelderige bezetting ritmisch en licht, en Szell speelt met evenveel scherpte als liefde voor detail. Dat is minder vanzelfsprekend dan het klinkt: net in dit ogenschijnlijk lichtste repertoire van de box moet die lichtheid zelf nog worden opgebouwd, noot voor noot, en het is precies daar dat Szells vakmanschap zich onopgemerkt laat gelden – een discipline die zich niet toont als inspanning, maar als moeiteloosheid.
Bijzonder waardevol is de toegevoegde repetitie-opname. Szell blijkt een rustige, vriendelijke en zeer concrete dirigent – een accent, een vertraging, een klankkleur, altijd functioneel benoemd, nooit theatraal. Je hoort iemand die de partituur volledig kent en die kennis gebruikt om het orkest, zonder overbodige woorden, precies daarheen te sturen waar hij wil zijn. Een mooie correctie op het cliché van de autocraat.
De Music for the Royal Fireworks begint wat plechtstatig, maar wint gaandeweg aan leven. Minder overtuigend is Ombra mai fu: te romantisch, te traag en verdronken in de weelderige orkestratie van August Reinhard, die de aria bijna onder haar eigen goede bedoelingen laat bezwijken. Het Menuet in Thomas Beechams bewerking werkt daarentegen veel natuurlijker. Toch blijft de algemene indruk: een dirigent die zo vaak met discipline wordt geassocieerd, klinkt hier bovenal als iemand die plezier heeft.
Niet alles laat zich beheersen
Op cd 10 keert de keerzijde van Szells benadering nog eenmaal terug, maar dan verdeeld over de twee werken van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) die deze cd bevat. Het Eerste pianoconcerto maakt geen onverdeeld sterke indruk. De opnamekwaliteit speelt opnieuw een rol, maar ook interpretatief blijft de spontane gloed wat achter bij de technische beheersing.
De Vierde symfonie is een heel ander verhaal, en voor mij een van de aangenaamste verrassingen van de box. Szell bouwt de grote spanningsbogen met een haast onwrikbare logica op, en juist daardoor krijgt het noodlotsmotief hier iets dwingends dat bij een uitbundiger aanpak verloren zou gaan. Het Scherzo, met zijn beroemde pizzicati, is messcherp en licht tegelijk, het tweede deel zingt zonder ooit te verzoeten en de finale groeit naar een climax die juist daarom overtuigt omdat Szell hem niet forceert. Dit is Tsjaikovski zonder sentiment, maar allerminst zonder vuur – een symfonie die bewijst dat beheersing en emotionele lading elkaar hier niet in de weg zitten, maar juist versterken. Waar het pianoconcerto op dezelfde cd blijft steken in afstandelijkheid, komt de symfonie tot volle bloei.
De perfecte ontmoeting
Als ik echter één opname uit de box zou moeten kiezen om iemand die Szell niet kent te laten horen wat hij kon, dan zou ik naar Jean Sibelius (1865-1957) op cd 9 grijpen. De Tweede symfonie lijkt hem op het lijf geschreven: de architectuur wordt volledig blootgelegd, maar nergens verdwijnt het gevoel. Vooral in de finale wordt duidelijk hoe meesterlijk hij zijn spanningsbogen opbouwt – hij forceert niets, de climax ontstaat uit alles wat eraan voorafging en komt daardoor des te harder binnen.
Ik ken ook Szells live-opname met het Concertgebouworkest en zijn laatste opname uit Tokio, vlak voor zijn dood. Die laatste heeft voor mij nog een bijzondere, verdichte gloed, maar deze studioversie grijpt evengoed naar de keel. Wat haar onderscheidt van de andere hoogtepunten in deze box, is dat hier de architectuur zelf het drama wórdt: bij Dvořák en Tsjaikovski moest de emotie als het ware door de structuur heen breken, bij Sibelius vallen beide zo volledig samen dat het onderscheid oplost. Geen betere afsluiter denkbaar voor wat deze tien cd's over Szell te vertellen hebben.
Een genuanceerd portret
Een box als deze hoeft niet van begin tot einde te overtuigen om waardevol te zijn. Juist de verschillen tussen de opnamen maken duidelijk hoe sterk Szells resultaten konden afhangen van de partituur, het orkest en de musicus tegenover hem.
Daarom is deze George Szell Edition meer dan een verzameling historische opnamen. Ze toont een dirigent die niet altijd gelijk heeft, maar die vrijwel altijd iets te zeggen heeft – en juist dat maakt deze tien cd's de moeite van het beluisteren waard.