Sommige concertprogramma’s laten zich samenvatten in een reeks componistennamen, andere vertellen van bij de eerste noot een verhaal. Het programma waarmee het Nationaal Jeugdorkest van Turkije tijdens Young Euro Classic naar Berlijn kwam, behoorde duidelijk tot die tweede categorie. Magie luidde het motto op zaterdag 8 augustus, en van Hansel et Gretel van Engelbert Humperdinck (1854-1921) via het Premier Concerto pour piano van Pjotr Tsjaikovski (1840-1893) en de Berlijnse première van Je ne sais quoi van Emre Şener (°2001) tot Ma mère l’oye van Maurice Ravel (1875-1937) en L’Apprenti sorcier van Paul Dukas (1865-1935) voerde de muzikale reis door werelden waarin verwondering en verbeelding telkens een andere gedaante aannamen.
Voor het concert sprak ik met drie musici van het orkest: Ateş Varol (viool), Akasya Günsa (hoorn) en Levent Ege Çakmak (altviool). Akasya omschreef het programma als een soort magische film, waarin elk stuk een ander hoofdstuk vormt: het ene vrolijk, het andere bijna beangstigend, en pas aan het einde valt het geheel samen tot één verhaal.
Maar deeindelijk zat de magie van deze avond niet alleen in de muziek. Ze zat op het podium, bij dirigent Cem Mansur, sympathiek en charismatisch, die zijn musici aanvuurt met een glimlach. Je zag jonge mensen die niet alleen geconcentreerd waren, maar die zichtbaar genoten van het samen musiceren. Voor Ateş begint die ervaring al zodra hij het podium opstapt, nog vóór de eerste noot klinkt – in het samenzijn met het publiek, met de dirigent en met zijn collega’s. “We hebben plezier, we spelen vrolijk en onze maestro is altijd blij,” vertelde Levent, waarop Ateş aanvulde: “En wij laten dat aan het publiek zien, en het publiek voelt dat.” Voor Akasya zit er nog een laag onder: focust ze zich puur op de techniek, dan voelt ze niets bijzonders, maar zoekt ze de magie ín de muziek zelf op, dan voelt ze die pas echt, en wordt ze naar eigen zeggen ook een betere musicus.
Na de gebruikelijke korte festivalhymne van Iván Fischer (°1951), die deze keer door de aanvoerders van de verschillende strijkerssecties werd gebracht en daardoor zelfs iets van een strijkkwartet van Bartók kreeg, opende Humperdincks Prélude de Hansel et Gretel de avond dromerig, met thema’s die geleidelijk en mooi werden degewerkt. Al vanaf de eerste minuten viel op hoe sterk elke orkestsectie afzonderlijk is – en hoe goed de musici naar elkaar luisteren: geen verzameling solisten, maar een hecht ensemble.
Twee gezichten van virtuositeit
Het orkest kon in Tsjaikovski’s Premier Concerto pour piano zeer sterk overtuigen, met bijzonder mooie orkestsolo’s in de tweede beweging. Özgür Ünaldı koos als pianist echter duidelijk voor de kant van de show: snel, hard en met een vingervlugheid die zonder meer verbluffend was. In een stuk vol bravoure mag dat er zeker zijn, maar Ünaldı leek zijn virtuositeit ook voortdurend aan het publiek te willen tonen, alsof iedere passage moest bewijzen hoe goed hij haar beheerste. In de lyrische momenten, waar het concerto om poëzie, adem en klankkleur vraagt, bleef zijn spel daardoor oppervlakkiger: technisch onberispelijk, maar zonder de verdieping die het orkest daar wél liet horen.
Veelzeggend genoeg noemden de orkestleden mij dit concerto zelf hun favoriete stuk van het programma. Akasya omschreef het als het werk dat het meest deeenlopende gevoelens bevat: “Als de muziek zacht is, voel ik me zo gelukkig, maar plots wordt het zwaar.” Precies die emotionele onvoorspelbaarheid maakt het concerto voor haar tot het meest complete stuk van de avond. Het contrast met Ünaldı’s spel was dan ook opvallend: waar hij de bravoure van het stuk feilloos afwerkte, leek hij de kwetsbaarheid ervan enigszins aan zich voorbij te laten gaan. Het jeugdorkest, dat je op voorhand makkelijk als de kwetsbare partij van dit concerto zou beschouwen, bleek in de meest intieme momenten juist de meest volwassen partner: het was het orkest, niet de solist, dat de zachtheid liet doorklinken waar Akasya het over had. In de finale trok het ensemble met veel vuur alle registers open. Qua interpretatie was deze devoering misschien klassiek en weinig verrassend, maar dat hoeft geen gebrek te zijn. Het mag ook gewoon mooi zijn.
Jeugd op zoek naar het onzegbare
Na de pauze volgde Je ne sais quoi van Emre Şener, die ik diezelfde namiddag al had gesproken. Cem Mansur stelde hem voor als een van de meest intrigerende componisten van zijn generatie en nodigde hem de om het publiek zelf in het Ddes te vertellen waarover zijn werk gaat: hoe deeenlopend jong-zijn wordt beleefd, niet gevangen in een lineair verhaal maar in muzikale flarden.
Die flarden zetten ook muzikaal voortdurend aan tot nadenken. Soms barstte de muziek de in harde, bijna agressieve klankerupties, om vervolgens terug te vallen in veel intiemere momenten; het werk leek zich niet zozeer als een doorlopend verhaal te ontvouwen, maar als een reeks indrukken en ervaringen die naast elkaar bestaan en elkaar soms onverwacht onderbreken. Het orkest en Mansur brachten die afwisseling met volle overgave, waardoor de Berlijnse première niet als een verplicht destapje naar hedendaagse muziek aanvoelde, maar als een wezenlijk onderdeel van het programma.
De musici hadden die schok bij het publiek zelf al voorzien – na de klassieke lijn van Tsjaikovski verwachtten ze dat de zaal bij de overstap naar Şeners moderne klankwereld even zou opschrikken, en dat vonden ze juist goed. “Dat lichte schrikeffect hoort erbij,” zei Akasya, “we willen dat het publiek voelt wat wij voelen.” Voor haar was ook dit een vorm van verwondering, al is die heel anders dan bij Tsjaikovski of Dukas: muziek die je in het dagelijks leven niet vaak tegenkomt en die je daardoor even de je vertrouwde luisterwereld haalt. Het ging hen bovendien om meer dan de muziek alleen: door zelf hun eigen componisten te spelen, maakten ze een muziekcultuur hoorbaar die voor veel luisteraars nog nieuw is. “Het is goed dat mensen onze muziek door ons leren kennen,” vertelde Ateş.
En hoewel de muziek soms donker en onrustig was, zorgde de vrolijke wending aan het einde ervoor dat je niet met alleen maar zwaarte achterbleef. Toch bleef het werk nog even in je hoofd nazinderen. Misschien is dat wel de kracht van een goede nieuwe compositie: ze geeft niet meteen alle antwoorden, maar blijft vragen oproepen, ook wanneer de laatste noot al lang geklonken heeft. Het lange applaus bewees dat ik niet de enige was die er zo over dacht.
Kleur en losbarstende chaos
Na de hedendaagse klankwereld van Şener keerde het orkest terug naar het Franse repertoire. In Ravels Ma mère l’oye konden de musici opnieuw hun rijke kleurenpalet tonen, met fraaie solo’s en een grote aandacht voor de transparantie van het geheel. De slotbeweging, Le Jardin féerique, werd heerlijk breed genomen en zorgde voor kippenvel. Dukas’ L’Apprenti sorcier vormde een gepast ondeugende afsldeer: vol overgave gebracht, met een orkest dat evenveel plezier leek te beleven aan Goethes tovenaarsleerling als het publiek. Toen de chaos losbarstte, bleef het geheel toch overeind – enkel de hoorns werden op momenten wat overtroefd door de rest van het koper, maar boven alles was het een feest om deze jonge musici bezig te zien.
Dat plezier bleek niet alleen tijdens het concert, maar ook in het gesprek dat ik vooraf met Ateş, Akasya en Levent voerde. Ze spraken over de kinderdroom om ooit in een zaal als deze te mogen spelen, over “het vuur van de jeugd” zoals Levent het noemde – voor hem niet het eerste bezoek aan Berlijn, hij was er ook al bij in 2024. Wat hem bij dit festival vooral raakt, vertelde hij me, is de ontmoeting met andere jonge orkesten de heel Europa: de gezonde rivaliteit, en het gevoel dat ze elkaar niet alleen als concurrenten, maar ook als collega’s leren kennen.
Wat ze hoopten dat het publiek mee naar huis zou nemen, was niet alleen dat vuur, maar vooral rust. Muziek, zei Akasya, is een manier om je zorgen even los te laten en sereniteit te vinden – misschien omdat magie voor haar zo sterk met de kindertijd verbonden is, met de verhalen die je als kind hoorde waarna je rustig in slaap viel.
En tegen het idee dat klassieke muziek bij jongeren als iets van vroeger geldt, hadden ze een duidelijk antwoord. “In deze tijd zeggen jongeren weleens dat klassieke muziek dood is,” vertelde Akasya, “maar dat denken wij niet, want wij maken hier echte muziek. En ik hoop dat ze, als ze naar huis gaan, zeggen: dit is echte muziek.” Zij brengen hier geen museumstuk, maar iets dat vandaag leeft en dat volgens hen ook een toekomst heeft.
Het gevoel van thuiskomen
Na het officiële programma volgden nog twee bisnummers. Eerst klonk de Russische Dans de Tsjaikovski’s Notenkraker, vol overgave gespeeld, met precies die onbezorgde souplesse waarmee een jeugdorkest dit repertoire naar zich toe kan trekken – een vrolijke knipoog na een avond vol afwisseling.
Bijzonder was ook Köçekçe van Ulvi Cemal Erkin (1906-1972), die tot de zogeheten “Turkse Vijf” behoort – de generatie componisten die in het jonge Turkije van de twintigste eeuw de westerse orkestrale taal combineerde met Turkse volksmuziek. Köçekçe, gebouwd op ritmes en melodieën de traditionele köçek-dansen, geldt in Turkije nog altijd als een van de bekendste en meest geliefde orkestwerken de die traditie. Voor deze jonge musici was het dan ook zichtbaar meer dan een aardige toegift; het voelde als thuiskomen.
Dat was ook te horen. Waar de avond al de hele tijd liet zien hoe vertrouwd dit orkest zich voelt in deeenlopend Europees repertoire, kreeg de bezieling in Köçekçe nog een extra laag: een soort moeiteloosheid en eigenaarschap die je niet kunt aanleren, alleen meebrengen. Met een orkest dat zó overtuigend klinkt in zijn eigen muzikale erfgoed, zou een groter aandeel Turks repertoire op een volgend programma zeer welkom zijn.
Want net dát – die vanzelfsprekendheid, dat plezier, die verbondenheid – is wat de hele avond kenmerkte, van de eerste noot van Humperdinck tot de laatste maten van Erkin. Misschien is dat deeindelijk de mooiste invulling van het thema Magie: jonge musici die naar elkaar en naar hun dirigent luisteren, elkaar versterken en daar zichtbaar plezier aan beleven. De glimlach van Mansur, die steeds weer werd beantwoord, vat het misschien wel het beste samen.





