Een orkest is per definitie een plaats van ontmoeting: tientallen musici brengen er hun instrument, hun opleiding en hun muzikale persoonlijkheid samen om iets te laten ontstaan wat niemand alleen kan bereiken. Maar wat gebeurt er wanneer niet individuele musici, maar twee jeugdorkesten elkaar ontmoeten? Het Orchestra of the Americas en het Penderecki Youth Orchestra geven daarop tijdens Young Euro Classic op maandag 10 augustus een overtuigend antwoord: op het podium van het Konzerthaus Berlin blijken zij na een repetitieperiode van amper een week een opmerkelijk hecht orkest te kunnen vormen.
Die ontmoeting begint niet op het podium. Een deel van de jonge musici van het Orchestra of the Americas kende elkaar aanvankelijk alleen via Zoom en kwam pas in Polen voor het eerst fysiek samen. Via een scherm kun je elkaar leren kennen, maar pas wanneer je naast elkaar zit, hoor je hoe iemand ademt en hoe snel een andere musicus reageert.
Dat proces past bij het karakter van het orkest: de musici, tussen achttien en dertig jaar oud, worden jaarlijks uit zowat zesduizend kandidaten geselecteerd voor tachtig plaatsen, en sinds de oprichting in 2002 speelde het ensemble al meer dan vierhonderd concerten in ruim 35 landen. Het Penderecki Youth Orchestra, opgericht in 2013 vanuit het Krzysztof Penderecki European Centre for Music in Lusławice, brengt daar een uitgesproken Poolse en Europese component tegenover. Op het podium van het Konzerthaus komen zo muzikale ervaringen uit verschillende delen van Amerika en Europa samen.
Penderecki als verbindende figuur
Het concert opent met de festivalhymne van Iván Fischer (°1951), gebracht door de blazers – ietwat ruw, maar dat kan deze korte, feestelijke begroeting wel hebben. Dan wordt het stil en verandert de klankwereld volledig met Ciaccona in memoria Giovanni Paolo II van Krzysztof Penderecki (1933-2020), een werk ter nagedachtenis aan paus Johannes Paulus II en later opgenomen in het Polnisches Requiem. Penderecki bouwt het werk rond de oude vorm van de chaconne, waarin een terugkerend basmodel de muziek draagt terwijl de spanning zich steeds verder verdicht.
Nog voor die structuur zich laat analyseren, valt de warme, homogene klank van de strijkers op. Er zit een diepe doorleving in die de Ciaccona niet als compositietechnische oefening laat klinken, maar als een werkelijk doorleefd afscheid. Voor de jonge Poolse musici, die de naam van de componist niet alleen op hun orkestmap maar ook op hun instelling dragen, krijgt het werk daardoor een bijzondere, bijna symbolische lading.
Een verrassende interpretatie
En dan Johannes Brahms (1833-1897). Soms hoor je een werk zo vaak dat je denkt het na tientallen jaren te kennen – en dan zit je op een avond in de zaal en lijkt de eerste beweging plotseling een compleet ander werk. Dat overkwam mij bij deze uitvoering van Brahms’ Derde symfonie. De eerste beweging werd uitzonderlijk breed genomen: geen dramatische haast, geen nadruk op het heroïsche, maar een warme zomeravondgloed die de muziek heel intens liet ademen. Het vroeg om wennen, maar hoe langer de beweging duurde, hoe meer die keuze zich openbaarde als een melodische rijkdom die mij tot dan toe was ontgaan.
Verbluffend was hoe snel deze twee orkesten zo’n homogene, warme klank hadden ontwikkeld: de diepere strijkers gaven een intense gloed, en de instrumentengroepen stonden nergens als afzonderlijke blokken naast elkaar. Zelfs in de verstilde passages die Prieto aanbracht bleef de muziek perfect hoorbaar, net als de pizzicato’s. De houtblazers kregen daarbij alle ruimte voor mooie, karaktervolle solo’s. Diezelfde tendens zette zich voort in het Andante en het Poco allegretto – heerlijk genieten, zonder dat er voortdurend iets hoefde te gebeuren om toch iets te zeggen.
In de finale keerde het vertrouwde vuur terug: dramatischer, feller en ideaal om op deze manier toch klassiek af te sluiten. Een bijzonder sterke vondst was de opstelling van de koperblazers bij elkaar, in plaats van de hoorns tegenover de rest van het koper in verschillende hoeken te verspreiden. Zo kon het koper als één blok spreken in plaats van tegen zichzelf op te boksen, en dat werkte hier ongelofelijk goed.
Het klikte tussen Carlos Miguel Prieto en beide orkesten, iets wat al voelbaar was tijdens de gesprekken van die middag. Prieto had toen gezegd dat voor hem vooral het proces telde; het concert zelf was de bekroning, het feestelijke sluitstuk van het harde werk dat eraan voorafging. Na deze Brahms begreep je wat hij bedoelde. Voor mij beleefde de symfonie die avond dan ook een echte wedergeboorte – niet doordat het werk radicaal anders klonk, maar doordat er tijd, warmte, stilte en adem in de muziek werd gelegd.
Onstuimigheid troef
Na de pauze verandert de sfeer volledig. Prieto licht La noche de los Mayas van Silvestre Revueltas (1899-1940) kort toe en vertelt dat deze generatie hem hoop geeft voor de toekomst – een eenvoudige opmerking die na alles wat voorafging extra betekenis krijgt. Hij laat de percussionisten één voor één zichzelf en hun instrument voorstellen, en tegen de tijd dat iedereen weer zit, weet je: hier staat ons iets te wachten.
Wat volgt is een puur muzikaal feest. Het werk ontstond in 1939 als filmmuziek en werd pas in 1960 door José Yves Limantour tot de bekende vierdelige orkestsuite samengebracht. Het slagwerk krijgt er een uitzonderlijk grote plaats, met onder meer bongo’s, conga, güiro, ratels, tom-toms, teponaxtles, huehuetl, caracol, tamtam en xylofoon. Vooral de caracol – de schelp die als blaasinstrument dient – springt in het oog én oor, samen met de houten teponaxtles en de grote huehuetl-trom.
Wat vooral opviel, was hoe fysiek de musici op de muziek reageerden. Ze zaten niet stil achter hun lessenaars, maar bewogen mee op hun stoelen, alsof de ritmiek van Revueltas niet alleen in hun handen zat, maar in hun hele lijf. En dat gold niet enkel voor de musici van het Orchestra of the Americas: ook de jonge Poolse spelers hadden zich deze Mexicaanse ritmische taal zichtbaar eigen gemaakt. Nergens klonk het alsof de ene groep de muziek van de andere speelde. Twee orkesten die enkele weken eerder nog grotendeels vreemden voor elkaar waren, musiceerden hier met dezelfde drive en dezelfde alertheid.
Belangrijk daarbij: met zoveel percussionisten zou het makkelijk zijn geweest om er een demonstratie van orkestrale kracht van te maken, maar dat gebeurt niet. De secties reageren scherp op elkaar en de ritmische uitbundigheid krijgt nergens iets vrijblijvends. De tweede beweging eindigt met een kleine kwinkslag die het publiek meteen met een lach ontvangt; ook de paukeniste is een plezier om bezig te zien, terwijl de balans tussen de secties goed bewaakt blijft. Mooi zijn ook enkele fluitsolo’s die zich als lichte, bijna speelse lijnen boven het ritmische fundament verheffen.
In het vierde deel wordt dat nog indrukwekkender: boeiend is het om al die variaties in het percussieapparaat te zien ontstaan en tegelijk te horen hoe muzikaal ze worden ingebed. De strijkers zijn niet altijd even goed hoorbaar, maar dat doet nauwelijks afbreuk aan het geheel – de kracht zit in de manier waarop de lagen samen een voortdurend veranderend ritmisch landschap vormen.
Het is een heel andere orkestwereld dan Brahms, maar de onderliggende kwaliteit blijft dezelfde: het gaat om luisteren, alleen is de taal veranderd van adem en frase naar ritme en kleur – bij Revueltas dan wel een adem die ritmischer, lichamelijker en uitbundiger is.
Een stad die onophoudelijk danst
Aussi Antropolis van Gabriela Ortiz (°1964) wordt door Prieto kort toegelicht. De titel is een neologisme waarin antro, de Spaanse aanduiding voor bars en nachtclubs, doorklinkt en verwijst naar het geluid van Mexico-Stad en de energie van een stedelijke, nachtelijke wereld – een muzikale tocht langs de danszalen en nachtclubs waarin verschillende stijlen samenkomen.
Wat meteen opvalt, is hoezeer Ortiz het orkest hier bijna in een dansband verandert. De percussiesectie beschikt over een indrukwekkend arsenaal – naast pauken onder meer bongo’s, marimba, vibrafoon, drumset, claves, cowbell, maracas, güiro en vibraslap – terwijl de strijkers een ritmische basis leggen en hout en koper daar korte, energieke uitroepen en melodische fragmenten boven plaatsen. De pauken krijgen aan het begin een opvallende solistische rol en functioneren vervolgens als bindmiddel tussen de delen. De muziek verandert voortdurend van gedaante, maar verliest nergens haar samenhang.
Na de orkestrale gloed van Brahms en de explosieve ritmiek van Revueltas is Antropolis geen eenvoudig vervolg, maar een verdere versnelling: een hedendaagse taal waarin dans, nachtleven en stadsritme in elkaar overvloeien. De Duitse première krijgt daardoor iets onweerstaanbaars – opnieuw met veel ritmische energie, maar altijd gedragen door precisie in plaats van pure vertoning.
Jong talent zonder grenzen
Young Euro Classic presenteerde hier niet simpelweg twee jeugdorkesten die toevallig hetzelfde podium delen, maar een situatie waarin jonge musici elkaar daadwerkelijk nodig hebben. Veelzeggend is ook dat het programma niet eindigt met Brahms, maar met Ortiz: de Europese traditie is het vertrekpunt, niet het eindpunt. Penderecki en Brahms openen de avond, Revueltas brengt Mexico binnen, en Ortiz laat horen hoe een hedendaagse componist met die geschiedenis verder gaat.
Voor mij kreeg die gedachte in Penderecki haar meest ingetogen gestalte, in Brahms haar meest verrassende, in Revueltas haar meest feestelijke en in Ortiz haar meest dansante – vier heel verschillende muziekwerelden, gedragen door twee jeugdorkesten waarvan de musici elkaar pas kort daarvoor werkelijk hadden leren kennen. Precies daarin lag de betekenis van deze avond: twee orkesten die niet zomaar samengevoegd werden, maar één gezamenlijke stem vonden.
Voorafgaand aan dit concert spraken vier jonge musici van beide orkesten al over hun samenwerking en het programma – dat interview lees je hier: https://klassiek-centraal.be/musici-uit-heel-amerika-en-europa-een-klank-orchestra-of-the-americas-en-penderecki-youth-orchestra-vinden-elkaar-bij-young-euro-classic/
Een interview met dirigent Carlos Miguel Prieto lees je hier: https://klassiek-centraal.be/muziek-is-een-absolute-barometer-van-het-leven-in-gesprek-met-dirigent-carlos-miguel-prieto/




