Aller au contenu
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Critiques

Vuur en verbeelding, maar niet altijd in evenwicht

W
· 7 min de lecture
Partager cet article
Vuur en verbeelding, maar niet altijd in evenwicht

Sommige dirigenten zoeken in een partituur naar evenwicht en helderheid, andere willen vooral de emoties blootleggen die onder de muziek verborgen liggen. Carlos Païta (1932-2015) behoorde onmiskenbaar tot die tweede categorie. De Argentijnse dirigent stond bekend om zijn compromisloze aanpak, met grote contrasten, extreme tempi en een uitgesproken gevoel voor dramatiek. Die benadering kan een partituur onder hoogspanning zetten en de luisteraar bij de keel grijpen, maar vraagt ook om een scherp gevoel voor dosering. Dat blijkt uit deze heruitgave van Le Palais des Dégustateurs, waarop twee werken zijn samengebracht die Païta’s temperament heel verschillend blootleggen.

In Tableaux d’une exposition van Modest Moessorgski (1839-1881), in de orkestratie van Maurice Ravel (1875-1937), overheerst de voortstuwende energie te vaak de verfijning van de orkestklank. In de Symphonie fantastique van Hector Berlioz (1803-1869) krijgen dezelfde dramatische uitersten daarentegen een overtuigende functie. De opnamen kwamen tot stand tijdens twee sessies in de Londense Kingsway Hall: de Symphonie fantastique met het London Symphony Orchestra in november 1977 en Tableaux d’une exposition met het National Philharmonic Orchestra in september 1981. Ondanks hun leeftijd klinken ze aangenaam en laten ze heel wat orkestrale details horen. Het verschil zit vooral in de interpretaties zelf.

Vaart zonder voldoende diepgang

In Tableaux d’une exposition laat Païta de muziek voortdurend vooruitstormen. Alles beweegt als één geheel, met een sterke onderlinge samenhang en een orkest dat zijn technische kunnen overtuigend demonstreert. Maar die onstuitbare beweging heeft een keerzijde: de vaart wordt een doel op zich en laat te weinig ruimte voor de verfijning van de klankkleur. De uitvoering klinkt verzorgd, maar de orkestrale schoonheid die Ravel in deze partituur heeft gelegd, komt niet ten volle tot haar recht.

Dat begint al bij de Promenades. Die zijn bij Païta eerder marsen dan wandelingen: het ritme stuwt de muziek vooruit, terwijl de wisselende stemming van de wandelaar onderbelicht blijft. Ook in Le vieux château geeft de saxofoon het tafereel een mooie, melancholische kleur, maar houdt Païta de beweging zo nadrukkelijk gaande dat de muziek onvoldoende kan verstillen.

In Ballet des poussins dans leurs coques werkt het vinnige tempo wél. De lichte, nerveuze beweging past bij het speelse karakter van het tafereel. In Limoges. Le marché slaat dezelfde aanpak echter door. De drukte van de markt wordt vooral snelheid, terwijl de kleurrijke details en onderlinge contrasten nauwelijks de kans krijgen om zich af te tekenen.

In Catacombes. Sepulcrum Romanum verandert er plots iets wezenlijks. Païta vertraagt en laat de muziek zwaar en indringend worden. De dreiging krijgt tijd om zich op te bouwen en de klank wint aan diepte. Dit is een van de weinige momenten waarop zijn dramatische aanpak me werkelijk overtuigt. Hier toont hij wat er mogelijk is wanneer hij niet alles op snelheid en kracht laat aankomen.

Die verdieping blijkt helaas van korte duur. In La cabane sur des pattes de poule (Baba-Yaga) verdringt het onstuimige klankgeweld de verbeelding. Ook La grande porte de Kiev overtuigt niet. De finale krijgt een uitgesproken militaristisch karakter: veel volume en nadruk, maar te weinig grandeur van binnenuit. De grote gebaren zijn er, alleen ontbreekt de verfijning die ze betekenis kan geven.

Dat Ravels orkestratie ook een ander karakter toelaat, blijkt uit de opname van Sergiu Celibidache met de Münchner Philharmoniker uit september 1993. Hij haalt uit dit werk een haast impressionistische klankwereld. Zijn ruime tempi geven de klank de tijd om te ontstaan, zich te mengen en weer te vervagen. Precies die aandacht voor de innerlijke beweging van de klank mis ik bij Païta. Waar Celibidache de luisteraar laat onderduiken in de orkestrale kleuren, jaagt Païta de muziek te vaak naar haar volgende hoogtepunt.

Wie Païta’s opname van Mahlers Zesde symfonie kent, weet hoe diep zijn dirigeerstijl kan aangrijpen. Wat me daar naar de keel greep, vind ik hier nauwelijks terug. Zijn aanpak leeft van uitersten, en die kunnen een partituur openbreken, maar ook het evenwicht verstoren. In deze Tableaux d’une exposition leveren ze enkele interessante momenten op, met Catacombes als hoogtepunt, maar als geheel overtuigt de interpretatie me niet.

Extremen die hun doel treffen

Bij de Symphonie fantastique valt Païta’s aanpak veel overtuigender uit. Berlioz’ geladen partituur lijkt om zijn dramatische uitersten te vragen. Waar de onstuimigheid in Moessorgski geregeld ten koste gaat van de klankverfijning, ontstaat hier een spanning die je onmiddellijk bij de les houdt.

Rêveries – Passions begint in een duistere sfeer, waarna het tempo vinnig aantrekt. De contrasten blijven scherp zonder dat de beweging uit elkaar valt. De beweeglijkheid van de strijkers en de pizzicati zijn goed te volgen, terwijl de donkere cello’s en contrabassen een onheilspellende ondertoon toevoegen. De passie klinkt hoog opgelaaid en fascinerend. De wisselingen in tempo en spanning werken bijzonder goed; wanneer de muziek tot rust komt, voelt dat als het einde van een intense innerlijke strijd.

Ook Un bal heeft me onmiddellijk in zijn greep. De harp geeft de wals een bijzondere glans, terwijl Païta het tempo hoog houdt. Zijn vinnigheid is meer dan een demonstratie van snelheid: onder de elegante beweging blijft de onrust voelbaar, alsof de kunstenaar door zijn emoties wordt meegesleept. Toch had een tikje meer souplesse de dans soms aantrekkelijker kunnen maken.

Het hart van deze uitvoering ligt voor mij echter in Scène aux champs. Hier toont Païta een kant die in Moessorgski te weinig aan bod kwam: het vermogen om de muziek tijd en ruimte te geven. De Engelse hoorn laat de roep van de herder horen, waarop de hobo vanuit de verte antwoordt. Dat de instrumenten op verschillende plaatsen zijn opgesteld, is duidelijk hoorbaar en versterkt het gevoel van afstand tussen beide stemmen. Het orkest ondersteunt die dialoog met een fijnzinnige terughoudendheid. De lijnen krijgen de ruimte, de klank blijft transparant en Païta laat het verhaal zich in alle rust ontvouwen. De stilte tussen de muzikale zinnen wordt even belangrijk als de noten zelf.

Onder die pastorale schoonheid blijft een dreiging aanwezig. Tegen het einde kondigt het roffelen van de pauken het naderende onheil aan. De spanningsboog tussen de herdersroep en de dreiging is bijzonder fraai opgebouwd. Hier vallen verfijning, verbeelding en dramatische beheersing samen. Païta overweldigt niet, maar laat de spanning langzaam groeien.

Na die ingetogenheid klinkt Marche au supplice aanvankelijk wat plomp, zelfs bruut. Toch werkt de abrupte omslag binnen het geheel. De onverbiddelijke mars stuwt naar haar noodlottige bestemming en laat nauwelijks ruimte om op adem te komen. De ruwe aanpak is niet altijd subtiel, maar maakt de dreiging tastbaar.

In Songe d’une nuit du sabbat komen Païta’s sterke kanten opnieuw samen. De accenten zijn scherp, het tempo is vinnig en de uitbarstingen zijn krachtig, maar de verschillende orkestgroepen blijven goed te volgen. De opbouw naar de klokken is knap getroffen. Wanneer het Dies irae-motief opduikt, geven het ruwe koper en de vinnig geaccentueerde strijkers de muziek een demonisch karakter, zonder dat de orkestrale samenhang verloren gaat.

De finale mondt uit in een orgiastische muzikale ervaring. Hier mag alles uit de bocht lijken te vliegen, omdat Berlioz die ontsporing zelf in de partituur heeft ingebouwd. Païta houdt de spanning vast tot het einde en laat de muziek haar volle theatrale kracht ontplooien.

Twee werken, twee resultaten

Deze cd laat horen hoe sterk het resultaat van Païta’s compromisloze dirigeerstijl afhangt van de partituur. In Tableaux d’une exposition overheerst de drang om de muziek voort te stuwen te vaak de aandacht voor klanknuance en innerlijke spanning. In de Symphonie fantastique worden de dramatische uitersten juist onderdeel van het verhaal en geven ze de muziek een meeslepende kracht.

Bij Moessorgski bleef ik op mijn honger, bij Berlioz werd ik meegesleept.

Partager cet article
FR