Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Nieuws

Finding Inner Flame – in gesprek met Erkki-Sven Tüür over zijn nieuwe compositie

Naar aanleiding van het festival Ars Musica vertelt de Estse componist over zijn nieuwe werk voor strijkers en percussie, over Arvo Pärt en over het ijs van Hiiumaa.

W
· 5 min lezen
Deel dit artikel
Finding Inner Flame – in gesprek met Erkki-Sven Tüür over zijn nieuwe compositie
© Kaupo Kikkas

Erkki-Sven Tüür begon niet in de concertzaal, maar in een progressieve rockband. In 1979 was hij een van de oprichters van In Spe. Hij noemt die periode „in veel opzichten een belangrijk creatief laboratorium voor een componist die zijn eerste stappen zet”. Ideeën die ’s morgens bij hem opkwamen, kon hij ’s avonds tijdens de repetitie meteen met de instrumenten zelf uitproberen: „Dan werd onmiddellijk duidelijk wat werkt en wat niet.” Bovendien leerde hij van meet af aan rekening te houden met de luisteraar.

In de muziek die hij vandaag schrijft, zijn volgens hem af en toe verbanden te vinden met progrock of jazzfusion, weliswaar „in ruimere zin”. Die komen zowel tot uiting in zijn ritmische aanpak als in de manier waarop hij percussie gebruikt.

Evenwicht zoeken

Tüürs muziek kan veel ritmische energie ontwikkelen, maar kent ook momenten van stilte en intense concentratie. Als we hem vragen hoe hij die verschillende krachten in evenwicht brengt, verbreedt hij de vraag: het gaat om evenwicht „in ruimere zin”, tussen transparantie en ondoorzichtigheid, chaotische en pulserende ritmes, dichtheid en schaarste, hoge en lage registers, enzovoort. Daarvoor is volgens hem „een fijn ontwikkeld innerlijk gevoel voor verhoudingen” nodig, waarbij zowel intuïtie als een zorgvuldige afweging een rol spelen. Soms, voegt hij toe, is het ook nodig om dat evenwicht te verstoren.

Over zijn werkwijze is hij even genuanceerd: „Men moet zijn instincten zorgvuldig volgen en de moed hebben om het aanvankelijke abstracte plan te wijzigen als dat nodig is.” Paradoxaal genoeg moet een componist soms ook koppig genoeg zijn om vol te houden en niet te zwichten voor de weerstand die het muzikale materiaal biedt: „Het hangt altijd af van de concrete situatie.”

Zijn compositorische aanpak wordt in verband gebracht met de zogenoemde vectoriale methode. Gevraagd om die toe te lichten aan de hand van Finding Inner Flame, houdt Tüür het kort: het gaat om het theoretische aspect van de vorming en ontwikkeling van het melodisch-harmonische complex, maar „het heeft geen zin hier in details te treden”.

Tussen kracht en kwetsbaarheid

Finding Inner Flame, voor strijkers en percussie, beleeft tijdens Ars Musica zijn wereldpremière. Het vertrekpunt is een antifonale opzet met twee segmenten: het ene in een hoog register, het andere in een laag. Beide verschuiven langzaam en voortdurend ten opzichte van elkaar: „De spanning die daaruit ontstaat, drijft de hele verdere ontwikkeling.”

De titel verwijst naar het kanaliseren van innerlijke energie in een creatieve uitlaatklep. Een verhaal moeten we er niet in zoeken: „Mijn instrumentale muziek is grotendeels niet beschrijvend of programmatisch. Mijn werken vertellen of beschrijven nooit slechts één specifiek verhaal.” Hoogstens creëert elke luisteraar tijdens het beluisteren een eigen verhaal.

Voor dit werk wilde hij „kracht en subtiele kwetsbaarheid” met elkaar verbinden. Daarbij hield hij rekening met de specifieke klankeigenschappen van de strijkinstrumenten en de verschillende percussie-instrumenten. Welke plaats Finding Inner Flame in zijn compositorische ontwikkeling inneemt? Daarover laat hij zich liever niet uit: „Dat is een vraag voor muziekonderzoekers,” antwoordt hij met een knipoog.

Over de rol van Ensemble Musiques Nouvelles en dirigent Jean-Paul Dessy is hij beeldender. Tüür vergelijkt de partituur met „een code die de formule bevat die nodig is om leven te scheppen”. De musici en de dirigent blazen hun eigen geest in dit lichaam van symbolen en tekens en brengen het tot leven zolang de muziek klinkt.

Een eerste uitvoering beschrijft hij als „de geboorte van een kind”. Daarna begint het werk een eigen leven te leiden: „Sommige werken hebben meer hulp nodig tijdens het opgroeien, andere zijn meteen klaar om te lopen en te springen.”

Arvo Pärt en Estland

Ook The Path and the Traces (2005), dat Tüür opdroeg aan Arvo Pärt, staat op het programma. Het werk roept bij hem het beeld op van „het pad dat ons naar de bron leidt en dat gevormd is door de talloze sporen die in de loop der tijd zijn achtergelaten”.

Wanneer hij nadenkt over de betekenis van zijn Estse achtergrond, noemt hij zowel zijn ervaringen in de natuur als zijn muzikale vorming. „Misschien,” zegt hij eerst, „speelt de langdurige mogelijkheid om de processen in de ongerepte natuur van dichtbij te observeren een rol.” Daarnaast noemt hij een concrete muzikale ervaring uit zijn studententijd: „Zeker ook het feit dat ik als student de premières bijwoonde van werken als Tabula rasa van Pärt en de Eerste symfonie van Sumera.”

Herinneringen en nieuwe wegen

Het thema van Ars Musica is dit jaar Arctic Fever. Voor Tüür brengt het thema hem terug naar zijn jeugd op het Estse eiland Hiiumaa: „Ik herinner me de koude winters waarin de zee bevroor en je met de auto over het zee-ijs naar het vasteland kon rijden.” De overtocht bedroeg ongeveer 25 kilometer. „In de vrieskou glinsterden ijskristallen op de sneeuw. In alle richtingen verdween de horizon achter een nevelige waas en rondom strekte zich een witte woestijn uit. Dat licht en dat magische gevoel zal ik nooit vergeten.”

Welke muzikale uitdagingen hem in de toekomst zullen bezighouden, moet nog blijken. „Hopelijk geven mijn toekomstige werken daarop een antwoord.” Momenteel schrijft hij voor een ongebruikelijke combinatie van orgel en percussie. De première staat gepland in de Elbphilharmonie in Hamburg, met Iveta Apkalna aan het orgel en Alexej Gerassimez op percussie.

Details

Foto credentials
Kaupo Kikkas
Deel dit artikel
NL