Zum Inhalt springen
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Rezensionen

Een concertavond die onder de huid kruipt

W
· 5 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Een concertavond die onder de huid kruipt
© The Cleveland Orchestra/Yevhen Gulenko

Sommige concerten blijven je bij door één uitzonderlijk moment. Andere avonden grijpen je van begin tot einde, omdat de muziek, de uitvoerders en de onderlinge verstandhouding op het podium samenvallen. Het optreden van het Cleveland Orchestra onder leiding van Franz Welser-Möst in Bozar behoorde tot die laatste categorie. Van Liszts Orpheus over Strauss’ Vier letzte Lieder tot Brahms’ Tweede symfonie: drie werken met een heel eigen karakter, verbonden door de aandacht voor klank, frasering en de verhouding tussen de verschillende stemmen in het orkest.

Betovering door klank

Het was een mooie keuze om te openen met Orpheus, een symfonisch gedicht van Franz Liszt (1811-1886) dat minder vaak op de lessenaars staat. De twee harpen riepen meteen een eigen klankwereld op, waarin ook de prachtige hoornsolo alle ruimte kreeg. De concertmeester en de cellosolist voegden daar met hun bijdragen nog andere kleuren aan toe. De kwaliteit van het orkest viel onmiddellijk op: een rijke klank zonder zwaarte, met instrumentengroepen die helder naar voren kwamen en toch deel bleven uitmaken van één geheel.

Welser-Möst dirigeerde rustig en zelfverzekerd. Je zag hoe goed hij zijn orkest kent en hoe vanzelfsprekend de musici op elkaar reageren. Ze leken samen te ademen, te voelen en te denken, zonder dat daar uiterlijk vertoon voor nodig was. De muziek kreeg alle ruimte om zich te ontwikkelen.

Ook inhoudelijk was Orpheus een passende opening. Liszt toont de mythische zanger niet zozeer als een held die de wereld overwint, maar als iemand wiens muziek mensen raakt en een wereld in beweging zet. Die gedachte vond een vervolg in Strauss’ Vier letzte Lieder, waarin de muziek eveneens een wereld opent, ditmaal op de grens van schoonheid, afscheid en vergankelijkheid.

De zeggingskracht van ieder woord

Voor de Vier letzte Lieder van Richard Strauss (1864-1949) verscheen de Zuid-Afrikaanse sopraan Golda Schultz op het podium. Haar stem leek voor deze muziek gemaakt. Ze zong de noten met grote aandacht en gaf de woorden hun volle betekenis, met een intensiteit die nergens gekunsteld werd. Ik had van begin tot einde kippenvel.

Haar dictie was precies. Schultz gaf sommige woorden extra betekenis door ze zorgvuldig te articuleren en de tekst alle ruimte te geven. In Im Abendrot liet ze bijvoorbeeld een kleine pauze vallen na ‘tritt’, voordat ze ‘her’ zong. Die vertraging gaf de woorden meer reliëf zonder de muzikale lijn te onderbreken.

Ook het orkest droeg wezenlijk bij aan deze vertolking. Onder leiding van Welser-Möst klonk het grote ensemble geregeld als een kamerorkest, met een opmerkelijk gevoel voor onderlinge verhoudingen. Wanneer Strauss de muziek naar een climax leidde, kreeg de orkestklank alle ruimte. Tegelijk bleef Schultz’ stem mooi verweven met het geheel. Zo behielden de liederen hun intimiteit, ook wanneer de muziek zich breed ontvouwde.

In Beim Schlafengehen was er een prachtige solo van de concertmeester, een passage waarin de viool als het ware een eigen stem kreeg. In Im Abendrot, het laatste lied, werd de verstandhouding tussen de uitvoerders nog tastbaarder. De blik van Schultz naar de concertmeester was een klein gebaar dat hun muzikale verbondenheid zichtbaar maakte.

Dan klonk de vraag waarin het lied lijkt samen te komen: ‘Ist dies etwa der Tod?’ Schultz zong de woorden zonder ze nadrukkelijk uit te vergroten. Juist daardoor kwamen ze binnen. De delicate inzet van celesta en fluiten riep het beeld op van leeuweriken die boven het orkest opstegen. Het gaf het slot een bijna gewichtloze schoonheid.

Tussen licht en duisternis

Na de pauze volgde de Tweede symfonie van Johannes Brahms (1833-1897), die vaak als de zonnigste van zijn vier symfonieën wordt omschreven. Dat betekent evenwel niet dat de donkere kanten van het werk naar de achtergrond moeten verdwijnen. Welser-Möst liet beide polen scherp naar voren komen en bracht ze vervolgens samen.

Al in het eerste deel werd de nuance van deze lezing duidelijk. Het lyrische hoofdthema kreeg alle ruimte om zich te ontvouwen, gedragen door een strijkersklank van grote warmte. Daartegenover stonden de scherp geaccentueerde passages van het tweede thema, die voor een andere spanning zorgden. Ook de heldere hoornsolo viel op. Ze paste mooi in het orkestweefsel en liet tegelijk iets horen van de melancholie onder het ogenschijnlijk zonnige oppervlak.

In het tweede deel kreeg de strijkersgroep een diepe, volle klank. Het Adagio non troppo ontvouwde zijn lyrische lijnen zonder te gaan slepen. Onder de muzikale schoonheid bleef een zekere weemoed voelbaar, waardoor het deel in deze interpretatie meer werd dan een onbezorgde melodie. Het derde deel, Allegretto grazioso, bracht een lichtere, speelse beweging. De verfijnde ritmiek van het Cleveland Orchestra gaf de muziek vaart, terwijl het samenspel soepel bleef en de verschillende stemmen helder tot hun recht kwamen.

In de finale hield Welser-Möst het tempo hoog en speelde het orkest met grote gedrevenheid. Ondanks de bruisende energie bleef de klank opmerkelijk homogeen en bleven de afzonderlijke stemmen herkenbaar. Vlak voor het einde volgde een korte vertraging, waarna het orkest nog één keer voluit losbarstte. Door de zorgvuldige opbouw kwam die slotexplosie des te overtuigender aan.

Goethes Faust bevat de beroemde regel: ‘Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust.’ Die innerlijke tweestrijd past ook bij deze symfonie. Lyriek en onrust, licht en melancholie zijn bij Brahms geen afzonderlijke werelden, maar krachten die elkaar voortdurend uitdagen. Welser-Möst hield die spanning voelbaar tot in het krachtige slot. De precisie ging nergens ten koste van de spontaniteit: de muziek bleef levendig en ademde zichtbaar speelplezier.

Een avond die blijft nazinderen

De muzikale verstandhouding tussen Welser-Möst en zijn musici gaf het concert een bijzondere samenhang. Ze bleek uit de kleine details, uit de blikken tussen de uitvoerders en uit de ruimte die elke muzikale stem kreeg. Zo behield elk werk zijn eigen karakter, terwijl de aandacht voor klank en frasering de drie composities met elkaar verbond.

Van de klankpoëzie van Liszt over de doorleefde zeggingskracht van Strauss tot de wisselwerking tussen licht en melancholie bij Brahms: dit was een avond waarop de muziek je helemaal kon meenemen.

Details

Wer
Cleveland Orchestra o.l.v. Franz Welser-Möst met Golda Schultz, sopraan
Wo
BOZAR, Brussel
Gesehen am
8 oktober 2026
Bildnachweis
The Cleveland Orchestra/Yevhen Gulenko
Diesen Artikel teilen
DE