Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Artur Rodziński – voorbij de mythe van de tiran (deel 3)

W
· 8 min lezen
Deel dit artikel
Artur Rodziński – voorbij de mythe van de tiran (deel 3)

In de vorige twee delen zagen we Rodziński als analytisch ontleder van de partituur en als theaterman die orkestwerken tot muzikaal drama omvormde. In dit derde en laatste deel richten we ons op zijn rol als begeleider van solisten, op de late hoogtepunten met Tsjaikovski en Sjostakovitsj, op de technische verzorging van de box en formuleren we een eindoordeel na het beluisteren van deze box.

De partner: solisten en dialoog

Een van de grootste verrassingen van deze volledige Westminster-box is misschien wel de manier waarop Rodziński zich toont als begeleider – een woord dat eigenlijk te beperkt is, want in vrijwel alle concertante werken ontstaat geen verhouding tussen solist en orkest, maar een echte muzikale dialoog. Juist in deze opnamen blijkt hoe aandachtig Rodziński naar solisten luistert: hij probeert hun muzikale persoonlijkheid niet naar zijn hand te zetten, maar creëert de ruimte waarin zij volledig kunnen spreken. Tegelijk wordt het orkest nooit gereduceerd tot een kleurloze achtergrond: wanneer de partituur daarom vraagt, laat hij het orkest breed uitwaaieren, en wanneer de solist het muzikale woord neemt, trekt hij de klank vanzelfsprekend terug.

Het absolute hoogtepunt vinden we op cd 2, met Erica Morini in de vioolconcerten van Johannes Brahms (1833-1897) en Pjotr Tsjaikovski (1840-1893). Morini's spel bezit een zeldzame combinatie van virtuositeit, elegantie en innerlijke concentratie – haar techniek staat nooit op zichzelf, iedere frase lijkt vanuit de muziek zelf te ontstaan, en Rodziński voelt dat perfect aan. In het Brahmsconcert klinkt de orkestinleiding breed en warm, maar nooit zwaar of overdreven romantisch, en wanneer Morini haar intrede doet, ontstaat geen strijd tussen solist en orkest maar een vanzelfsprekend gesprek. Vooral de langzame beweging behoort tot de mooiste momenten van de hele box: de hobo-introductie krijgt een bijna menselijke warmte, waarna Morini de melodie overneemt met een zangerigheid die nog altijd indrukwekkend klinkt, terwijl Rodziński niet zomaar begeleidt maar mee de muzikale ademhaling van het werk vormt. Ook het Tsjaikovski-vioolconcerto op dezelfde cd bereikt dat niveau: Morini vermijdt elke vorm van oppervlakkige virtuositeit en zoekt vooral de lyrische kern van de muziek, terwijl Rodziński een rijke orkestbegeleiding biedt waarin details hoorbaar blijven zonder de soliste ooit te overschaduwen. Brahms en Tsjaikovski zijn twee totaal verschillende werelden, maar worden hier met dezelfde combinatie van verfijning en intensiteit benaderd. Het bijgevoegde repetitiefragment is veelzeggend: we horen hoe Rodziński het orkest stuurt in zijn begeleiding van de soliste en uitlegt waarom een frase precies zo moet klinken, maar evengoed hoeveel humor daarbij komt kijken – er wordt oprecht gelachen. Weer een beeld dat weinig te maken heeft met de autoritaire man uit de verhalen.

Diezelfde kwaliteiten horen we op cd 3, met Antonio Janigro in Schelomo van Ernest Bloch (1880-1959), Kol Nidrei en het Canzone voor cello en orkest van Max Bruch (1838-1920), dat laatste werk een kleine ontdekking: een pareltje dat zelden op concertprogramma's verschijnt, maar hier onmiddellijk overtuigt door zijn lyrische schoonheid. Janigro kiest niet voor een zwaar romantische benadering, maar speelt met een eerder moderne helderheid en aandacht voor structuur, wat nauw aansluit bij Rodziński's eigen esthetiek – expressief, maar nooit sentimenteel. In het tweede deel van diezelfde cd ontmoeten we Paul Badura-Skoda als solist in Francks Symfonische Variaties en het zelden uitgevoerde Pianoconcerto van Nikolai Rimski-Korsakov (1844-1908). dat laatste is een aangename verrassing waarin het kleurrijke orkestpalet, de houtblazers en de fluitsolo's alle ruimte krijgen zonder dat de piano ooit wordt overstemd.

Op cd 5 horen we Frédéric Chopin (1810-1849) met Badura-Skoda, en ook hier valt vooral de natuurlijke samenwerking tussen pianist en dirigent op: Badura-Skoda kiest niet voor een zwaar romantische Chopin, maar voor een verfijnde, elegante interpretatie waarin subtiele vertragingen en verstillingen de muzikale lijn bepalen, en Rodziński volgt niet alleen – hij luistert voortdurend mee. De warme klank van het Weense orkest geeft deze concerten een bijzondere kleur – Chopin krijgt hier een andere dimensie dan in veel moderne uitvoeringen, minder gericht op uiterlijke virtuositeit, meer op stijl en muzikale beschaving. Ook Jörg Demus vindt op cd 15 in Rodziński een ideale partner, in het Pianoconcerto en twee minder bekende werken voor piano en orkest van Robert Schumann (1810-1856). Demus speelt zonder overdreven romantische gebaren, verfijnd en beheerst, met veel aandacht voor de architectuur van de muziek, en Rodziński reageert daar perfect op: wanneer het orkest een actieve rol krijgt, laat hij de verschillende secties duidelijk spreken, met bijzonder mooie momenten voor de houtblazers, maar zodra de piano het muzikale woord neemt, trekt hij de orkestklank discreet terug.

De late hoogtepunten: Tsjaikovski en Sjostakovitsj

Tsjaikovski is de componist die misschien het duidelijkst de reikwijdte van Rodziński's kunstenaarschap onthult. De symfonieën nr. 4, 5 en 6 (cd 21-23) behoren niet alleen tot de sterkste momenten van deze Westminster-opnamen, maar vormen ook een samenvatting van alles wat deze box zo bijzonder maakt. Zijn Tsjaikovski is intens, maar nooit overdreven – Rodziński vertrouwt erop dat de muziek zelf voldoende dramatische kracht bezit en weigert haar kunstmatig zwaarder te maken. Daarmee staat hij dicht bij de traditie van dirigenten als Jevgeni Mravinski, niet omdat hij diens stijl kopieert, maar omdat beiden vertrekken vanuit de overtuiging dat de tragedie al in de noten zit.

De Vierde Symfonie maakt indruk door haar enorme innerlijke spanning: de eerste beweging bezit een bijna koortsachtige energie, maar Rodziński verliest nooit de architectuur uit het oog, en de lange stilte vlak voor het einde krijgt daardoor een bijzondere kracht, omdat de spanning niet ontstaat door effect maar door verwachting. De Vijfde begint opvallend ingetogen – de beroemde klarinetmelodie klinkt niet als een zwaar noodlotssymbool, maar als een moment van twijfel en zoeken – en vanuit die terughoudendheid bouwt Rodziński de symfonie langzaam op naar een finale waarin triomf en onzekerheid voortdurend naast elkaar blijven bestaan. Maar misschien is de Zesde Symfonie, de Pathétique, nog indrukwekkender: in nauwelijks vijfenveertig minuten ontvouwt zich het volledige drama van het werk. De laatste maten klinken daardoor niet als een theatrale doodsscène, maar als het langzaam uitdoven van een leven.

Een bijzondere plaats in deze uitgave krijgt de Vijfde Symfonie (cd 16) van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975). Rodziński behoorde, samen met Leopold Stokowski, tot de eerste westerse dirigenten die deze componist serieus namen, op een moment dat Sjostakovitsj buiten de Sovjet-Unie nog lang niet de centrale plaats in het repertoire had die hij vandaag bezit, en alleen al vanuit historisch perspectief is deze opname daarom bijzonder. Maar ook muzikaal blijft ze fascinerend: vanaf de eerste maten valt de enorme betrokkenheid op, met tempi die ook vandaag nog opvallend hoog liggen, zonder dat de partituur ooit aan helderheid inboet. Het scherzo bezit een heerlijk bijtende scherpte, de langzame beweging wordt met grote ernst gespeeld, diep doorvoeld maar zonder sentimentele overdrijving. Toch roept vooral de finale interessante vragen op: waar latere dirigenten als Kurt Sanderling en Kurt Masur de dubbelzinnigheid van het slot sterker benadrukken – een overwinning die tegelijk ook iets tragisch en geforceerds heeft – kiest Rodziński voor een directere, impulsievere benadering, waardoor deze finale voor mij misschien iets van de wrange onderlaag mist die latere generaties sterker hebben blootgelegd. De opname toont daarmee een dirigent die deze muziek met een zeldzame overtuiging verdedigde, op een moment dat daar nog moed en visie voor nodig waren.

Klankbeeld en technische verzorging

Technisch is deze uitgave bijzonder verzorgd. De mono- en vroege stereo-opnamen zijn met grote zorg geremasterd en behouden een natuurlijke transparantie die uitstekend past bij Rodziński's manier van musiceren. Ondanks hun leeftijd van ongeveer zeventig jaar klinken deze opnamen zelden gedateerd, en vooral in complexe orkestrale passages valt op hoe goed de verschillende instrumentgroepen behouden zijn gebleven: de helderheid van de restauratie maakt de onderlinge verhoudingen binnen het orkest uitstekend hoorbaar. Een belangrijke meerwaarde vormen daarbij de toegevoegde repetitiefragmenten: geen historische curiositeit, maar telkens een venster op hoe hij daadwerkelijk werkte – kritisch, precies en verrassend vaak met humor.

Besluit

Vijfentwintig cd's vormen een indrukwekkende hoeveelheid muziek, en vanzelfsprekend bereikt niet elke opname hetzelfde niveau – de Straußiana (cd 17) blijft daarbij de meest opvallende uitzondering. Maar de grote waarde van deze box ligt niet alleen in de afzonderlijke hoogtepunten, maar vooral in het totaalbeeld dat ontstaat. Wie deze opnamen beluistert en de verhalen rond Rodziński even naar de achtergrond laat verdwijnen, ontdekt een dirigent bij wie precisie en expressie hand in hand gaan, analyse de spontaniteit nooit verdringt en een sterke muzikale discipline uiteindelijk altijd in dienst staat van de muziek.

Wat door vijfentwintig cd's heen naar voren komt, is dan ook niet de karikatuur van de onmogelijke tiran, maar de herinnering aan een musicus die orkesten liet klinken voor wie iedere noot ertoe deed.

Besproken cd

Artur Rodzinski - Complete Westminster Recordings

Paul Badura-Skoda, Erica Morini, Yuri Boukoff, Leopold Wlach, Karl Oehlberger, Jörg Demus, Royal Philharmonic Orchestra, Orchester der Wiener Staatsoper, Hermann Scherchen, Artur Rodzinski

Label
Australian Eloquence · 4848489
Volledige fiche →
Deel dit artikel
NL