Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Klassiek Centraal

Hans Werner Henze, honderd jaar later – muziek als morele frictie

Op 1 juli 2026 is het honderd jaar geleden dat Hans Werner Henze werd geboren. Zulke herdenkingen hebben de neiging componisten overzichtelijk te maken, alsof een oeuvre zich netjes laat herschikken rond een geboortedatum. Er verschijnen nieuwe opnamen, er worden concerten geprogrammeerd, en voor even lijkt een leven zich te reduceren tot een reeks werken met een begin en een einde, alsof muziek uiteindelijk toch iets afgeronds zou zijn.

Bij Henze werkt dat mechanisme nauwelijks. Zijn muziek verzet zich niet openlijk tegen overzicht, maar ondermijnt het van binnenuit. Niet omdat ze zich opsplitst in stijlen of periodes, maar omdat ze zich blijft bewegen in een spanning die nooit volledig oplost. Die spanning is niet in de eerste plaats muzikaal, maar moreel. Ze ligt ergens tussen vorm en ervaring, tussen herinnering en actualiteit, tussen wat gezegd kan worden en wat zich alleen nog als ongemak laat horen.

Wie Henze herdenkt, herdenkt daarom geen oeuvre in de gebruikelijke zin, maar een blijvende onrust.

Een jeugd waarin zuiverheid een taal werd

Om te begrijpen waarom die onrust zo diep verankerd blijft in zijn muziek, moet men terugkeren naar de omgeving waarin ze is ontstaan. Hans Werner Henze werd geboren in Gütersloh, op 1 juli 1926, als oudste van zes kinderen, in een gezin waar de vader, aanvankelijk overtuigd pacifist, zich geleidelijk aan het nationaalsocialisme aanpaste. Die verschuiving is meer dan een biografisch detail. Ze betekent dat de jonge Henze van nabij meemaakte hoe begrippen als orde, discipline en zuiverheid zich in een gezinsleven konden nestelen zonder zichzelf ooit als problematisch te ervaren.

Muziek werd voor hem in die context geen esthetische keuze, maar een parallelle mentale ruimte waarin andere vormen van denken en spreken konden blijven bestaan. Hij ontdekte componisten die niet pasten binnen het officiële culturele kader van het Derde Rijk, en juist daardoor een grotere aantrekkingskracht op hem uitoefenden. Debussy, Hindemith, Berg, Stravinsky: namen die een ander soort moderniteit suggereerden, minder dogmatisch, minder gezuiverd, maar juist daardoor complexer.

De oorlog onderbrak die eerste muzikale vorming abrupt. Henze werd als adolescent ingeschakeld in de Reichsarbeitsdienst en later in het leger, en belandde uiteindelijk in Britse krijgsgevangenschap. Die ervaring is in zijn muziek zelden expliciet aanwezig, maar ze werkt als een ondertoon door bijna alles wat hij later schrijft. Niet als herinnering in de autobiografische zin, maar als diep wantrouwen tegenover systemen die zich als noodzakelijk en vanzelfsprekend presenteren. Wie heeft gezien hoe snel een samenleving zich kan onderwerpen aan een ideologie, zal de gedachte dat kunst buiten de geschiedenis staat nooit nog vanzelfsprekend kunnen aanvaarden.

Tussen Darmstadt en Italië

Na de oorlog studeerde Henze compositie bij Wolfgang Fortner en vervolgens bij René Leibowitz, die hem in contact bracht met de twaalftoonstechniek van Schönberg en Webern. Via Leibowitz kwam hij in de kring rond Darmstadt terecht, waar de naoorlogse Europese avant-garde haar meest consequente vorm aannam. Boulez, Stockhausen, Nono en Maderna zochten er naar een nieuwe muzikale taal die zich radicaal wilde losmaken van het verleden.

Henze bewoog zich in die omgeving zonder zich ooit volledig te laten opnemen in de strikte logica ervan. Hij maakte de seriële denkwijze van dichtbij mee, maar bleef tegelijk gevoelig voor wat die benadering buiten beeld liet. Waar veel van zijn tijdgenoten de twaalftoonstechniek zagen als een noodzakelijke zuivering van het muzikale materiaal, ontstond bij hem eerder een blijvende twijfel: niet over de bruikbaarheid van het systeem, maar over de vraag welke muzikale en menselijke realiteit ermee onzichtbaar werd.

Die spanning wordt vaak verkeerd begrepen als een stilistische inconsistentie. In werkelijkheid gaat het om een fundamenteel andere houding tegenover moderniteit. Henze accepteert de modernistische breuk met het verleden, maar weigert te geloven dat die breuk kan uitmonden in een nieuw soort onschuld. Muziek blijft voor hem altijd verbonden met ervaring, met lichaam, met theater, met geschiedenis.

Dat verklaart ook zijn vertrek naar Italië in 1953. Die stap wordt vaak beschreven als een biografische wending, maar ze is minstens evenzeer een esthetische beslissing.

Italië betekende voor Henze geen ontsnapping aan de moderniteit, maar een verschuiving in de manier waarop hij zich tot muzikale traditie verhield. In die mediterrane context bleef de muziekgeschiedenis voelbaar aanwezig zonder dat ze uitsluitend als last of probleem werd ervaren. Lyriek, theater en schoonheid konden er opnieuw bestaan zonder onmiddellijk verdacht te worden van nostalgie. Tegelijk vond hij er ook persoonlijk een leefbaarder omgeving, waarin hij als homoseksuele componist – in een periode waarin dat in grote delen van Europa nog sociaal en juridisch problematisch was – een stabieler bestaan kon opbouwen, eerst op Ischia en later nabij Rome, samen met Fausto Moroni, zijn levenspartner en regelmatige librettist.

Muziek die zich niet tot genre laat reduceren

Vanaf dat moment ontwikkelt zich een oeuvre dat zich moeilijk laat onderbrengen in één enkele categorie. Opera, symfonie, concerto, kamermuziek: telkens weer gebruikt Henze de bestaande vormen, maar zonder ze te laten functioneren als afgesloten werelden.

Zijn operawerk, symfonische stukken en kamermuziek functioneren niet als strikt gescheiden domeinen, maar als onderling verbonden vormen van muzikaal denken. Opera’s krijgen vaak de intensiteit van politieke of morele reflecties, symfonieën gedragen zich als dramatische ontwikkelingen zonder scène, en kamermuziek opent soms een intiem theatrale ruimte. Zo herinterpreteert Boulevard Solitude (1952) de Manon Lescaut-stof in een naoorlogse stedelijke context, terwijl Die Bassariden (1966) een Griekse tragedie herleidt tot een geconcentreerde studie van menselijke conflicten en psychologische spanning. Daarbij worden de grenzen tussen de genres niet opgeheven, maar voortdurend opgerekt.

Dat geldt evenzeer voor zijn engagement. Henze wordt in de jaren zestig en zeventig uitgesprokener politiek, met sympathieën voor linkse bewegingen en expliciete verwijzingen naar hedendaagse conflicten. Maar dat engagement moet niet worden gelezen als externe toevoeging aan zijn muziek. Het is eerder een uitdrukking van dezelfde vraag die zijn hele werk doordringt: hoe kan muziek spreken zonder haar complexiteit te verliezen?

Het werk Das Floß der Medusa (1968) verwijst naar de historische schipbreuk van het Franse fregat Méduse, maar gebruikt dat gegeven niet als illustratie van een gebeurtenis uit het verleden. In plaats daarvan wordt het materiaal ingezet als een gelaagde ruimte waarin verschillende stemmen naast elkaar blijven bestaan zonder zich tot één moreel of narratief standpunt te laten samenvatten. De controverse rond de geplande première in Hamburg, die uitmondde in politieke spanningen en ingrijpen door de politie, wordt vaak als anekdotisch detail aangehaald, maar wijst tegelijk op de moeilijkheid om dergelijke werken nog als “neutraal” cultureel object te beschouwen.

Tristan (1973) – het wantrouwen tegenover continuïteit

In Tristan lijkt Henze zich te bewegen binnen een heel andere traditie. De titel verwijst onvermijdelijk naar Wagner en dus naar de negentiende-eeuwse idee van verlangen als eindeloze beweging. Maar wat bij Wagner nog een metafysische horizon heeft, wordt bij Henze onmiddellijk onderbroken.

Het werk – geschreven voor piano, tape en orkest – laat geen doorlopende ontwikkeling toe. Muzikale ideeën verschijnen, maar worden niet voortgezet in de klassieke zin van het woord. Ze worden onderbroken, verschoven, hernomen in een andere context. De elektronische laag – opgebouwd uit onder meer fragmenten van Brahms en Chopin naast Henzes eigen materiaal – fungeert daarbij niet als modernistisch contrast, maar als een soort geheugen waarin het verleden blijft resoneren zonder zich te stabiliseren.

In de onlangs op cd uitgebrachte interpretatie van Igor Levit wordt die fragiliteit bijzonder hoorbaar. Zijn benadering vermijdt elke poging om de fragmenten tot een overkoepelend gebaar samen te brengen. De piano klinkt niet als solistische stem, maar als een bewustzijn dat voortdurend zijn eigen mogelijkheden aftast. Stiltes krijgen bij hem een gewicht dat verder reikt dan ademruimte; ze functioneren als een onderbreking van elke mogelijke vanzelfsprekendheid.

Waar Wagner het verlangen tot een continuüm uitrekt dat uiteindelijk in de dood zijn voltooiing vindt, weigert Henze precies die logica. Verlangen blijft bestaan, maar het krijgt geen vorm waarin het zich kan oplossen. Het wordt eerder een reeks pogingen die hun eigen mislukking al in zich dragen.

Sinfonia No. 9 (1997) – Seghers en de herinnering zonder verzoening

De Negende symfonie vormt een ander soort culminatiepunt. Hier wordt de relatie tussen muziek en geschiedenis explicieter, zonder dat de muziek zich ooit tot illustratie laat reduceren. Het werk is gebaseerd op Anna Seghers’ roman Das siebte Kreuz, een verhaal over zeven gevangenen die proberen te ontsnappen uit een nazikamp. De roman is geen heldenverhaal, maar een studie in angst, solidariteit en morele ambiguïteit.

Henze neemt deze structuur niet over als narratief schema, maar als moreel kader. De zeven delen van de symfonie – Die Flucht, Bei den Toten, Bericht der Verfolger, Die Platane spricht, Der Sturz, Die Nacht im Dom, Die Rettung – volgen de logica van de roman niet, maar hernemen telkens een andere positie binnen dezelfde ervaring. Niet het verhaal staat centraal, maar de vraag hoe herinnering klinkt wanneer ze niet mag worden afgerond.

De aanwezigheid van Hans-Ulrich Treichels tekst versterkt die spanning. Zij fungeert niet als commentaar, maar als zelfstandige stem binnen een veel groter geheel van getuigenissen. Het koor krijgt daarbij geen eenduidige rol. Het vertegenwoordigt geen gemeenschap, maar een reeks stemmen die voortdurend tussen individualiteit en anonimiteit bewegen.

Ook in muzikaal opzicht confronteert Henze zich hier met een beladen traditie. De Negende symfonie is in de Duitse muziekgeschiedenis nooit een neutrale vorm geweest. Ze draagt de schaduw van Beethoven, Bruckner en Mahler, en dus ook de vraag naar voltooiing en verzoening. Henze neemt die erfenis niet over, maar plaatst ze onder spanning. Waar Beethoven de symfonie laat uitmonden in universele broederschap, en Mahler in een laatste vorm van existentiële uitgestrektheid, weigert Henze elke vorm van afronding.

Het slot, Die Rettung, is daarom geen conclusie. Het is eerder een open blijven van de vraag. De muziek lijkt even te verstillen, maar zonder dat de onderliggende spanning verdwijnt. Wat overblijft is geen verzoening, maar herinnering die weigert haar scherpte te verliezen.

Een oeuvre zonder rustpunt

Wat Tristan en de Negende symfonie met elkaar verbindt, is geen stilistische gelijkenis, maar een gedeelde houding tegenover muzikale betekenis. In beide gevallen wordt muziek een ruimte waarin afronding systematisch wordt uitgesteld. Niet als formele strategie, maar als ethische keuze.

Misschien is dat de kern van Henzes oeuvre: een blijvende weerstand tegen de verleiding van de oplossing. Zijn muziek zoekt niet naar troost, maar naar een vorm van spreken die de complexiteit van ervaring niet vereenvoudigt. Dat maakt haar soms ongemakkelijk, maar precies dat ongemak is niet toevallig: het is waar muziek weigert zich te laten herleiden tot een afgesloten esthetisch object – en waar ze, een eeuw na zijn geboorte, nog altijd om een luisteraar vraagt die bereid is zelf onaf te blijven.

Henze schreef geen muziek die zich laat afsluiten. Hij schreef muziek die blijft resoneren, ook wanneer ze al lang is afgelopen. Hij stierf op 27 oktober 2012 in Dresden, 86 jaar oud, maar wie zijn werk vandaag (her)beluistert, merkt weinig van een afgesloten leven. Eerder het tegendeel: honderd jaar na zijn geboorte blijft precies dat wat hij weigerde af te ronden het meest actueel – juist omdat het zich blijft onttrekken aan elke definitieve lezing.

 

Details:

Titel:

  • Hans Werner Henze, honderd jaar later – muziek als morele frictie

Foto credentials:

  • Hans Werner Henze Stiftung
nlNLdeDEenENfrFR