Sommige uitvoeringen bevestigen de status van een meesterwerk. Andere doen meer: ze laten horen waarom die muziek ooit als een openbaring moet hebben geklonken. De uitvoering van Die Schöpfung van Franz Joseph Haydn (1732-1809) op vrijdag 22 mei in de Koningin Elisabethzaal, binnen de Cofena-reeks in samenwerking met het Antwerp Symphony Orchestra, behoorde zonder twijfel tot die laatste categorie. Wat Václav Luks met het Orchestra of the Age of Enlightenment, het Choir of the Age of Enlightenment en een uitstekend solistenteam realiseerde, was een uitvoering die tegelijk vinnig, doorleefd en oprecht begeesterend klonk – een lezing waarin muzikaal raffinement en pure uitvoeringsvreugde elkaar voortdurend versterkten.
Vanaf de eerste maten van de voorstelling van de chaos werd duidelijk dat Luks niet uit was op monumentale zwaarwichtigheid, maar op beweging, spanning en dramatische scherpte. De duisternis waarmee Haydn zijn scheppingsverhaal opent, kreeg hier iets tastbaars: onrustige harmonieën, abrupte stiltes, lijnen die elkaar zoeken zonder elkaar helemaal te vinden. Het Orchestra of the Age of Enlightenment speelde die opening met een intensiteit die onder de huid kroop. Toen vervolgens het fameuze “Und es ward Licht” losbarstte, ging er hoorbaar een rilling door de zaal. Niet omdat het effect breed werd uitgespeeld, maar net omdat Luks het moment organisch had voorbereid. Het licht brak hier niet spectaculair binnen – het werd onvermijdelijk.
Die gedrevenheid bleef de hele avond voelbaar. Luks dirigeerde met een bijna aanstekelijk enthousiasme: voortdurend alert, energiek stuwend, zichtbaar genietend van Haydns inventiviteit. Hij vuurde orkest, koor en solisten aan tot een uitvoering die geen moment verslapte. Tegelijk verloor hij nooit de controle over de architectuur van het werk. De grote spanningsbogen bleven intact, terwijl details voortdurend oplichtten.
Dat bleek onder meer in de magistrale verklanking van de natuurtaferelen. De opkomst van de zon was een van de absolute hoogtepunten van de avond: vanuit een haast onmerkbare opbouw liet Luks het orkest groeien naar een verblindende orkestrale glans. De daaropvolgende schepping van maan en sterren kreeg dan weer een verstilde elegantie, met fijn getekende houtblazers en een bijna gewichtloze transparantie in de strijkers. Ook de beroemde muzikale evocaties van de dieren werden met hoorbaar plezier gespeeld. Haydns humor en verbeeldingskracht kregen alle ruimte: brullende leeuwen, sierlijke herten, kronkelende wormen – het orkest schilderde ze met een virtuositeit die nooit karikaturaal werd.
De baspartij vond in Krešimir Stražanac een ideale vertolker van Raphael en later Adam. Zijn stem combineerde warmte met autoriteit, maar vooral zijn tekstbehandeling maakte indruk. In de beschrijvende passages gaf hij Haydns beeldende muziek precies de juiste retorische impuls, zonder ooit te overdrijven. Zijn evocatie van de dierenwereld was exemplarisch: levendig, kleurrijk en muzikaal intelligent opgebouwd. Daarnaast vormde hij als Adam een wonderlijk natuurlijk duo met sopraan Robin Johannsen, die op het laatste moment inviel voor Samantha Clarke.
Johannsen bleek een revelatie als Gabriël en Eva. Haar frisse, juveniele timbre gaf beide rollen een ontwapenende lichtheid, terwijl haar frasering steeds elegant en trefzeker bleef. Vooral in de lyrische passages viel op hoe natuurlijk haar stem versmolt met die van Stražanac. Hun samenzang klonk opvallend natuurlijk; Haydns ideaal van harmonische verbondenheid kreeg hier een haast tastbare vorm.
Tenor Nick Pritchard vervolledigde het solistenteam als Uriël met een heldere, soepele en bijzonder muzikale vertolking. Zijn stem combineerde narratieve kracht met warmte en een verrassend dramatisch vermogen: elke recitatieflijn leek zorgvuldig gebeiteld, met fraseringen die het verhaal adem gaven. In de openingspassages, waarin Uriël de schepping aankondigt, bracht hij een sprankelende energie die orkest en koor meesleepte, terwijl hij in de aria’s moeiteloos schakelde tussen lyrische tederheid en jubelende helderheid. Zijn interacties met Robin Johannsen en Krešimir Stražanac resulteerden in subtiele dialogen die de menselijke dimensie van Haydns meesterwerk extra reliëf gaven.
Ook het koor leverde een prestatie van uitzonderlijk niveau. Vanaf de eerste grote koorinterventies trof vooral de verbluffende zuiverheid van intonatie. De verschillende stemmen bleven transparant hoorbaar binnen het geheel, terwijl de dynamische opbouw telkens organisch verliep. Bovendien was de Duitse dictie van zowel koor als solisten zo helder en verzorgd dat de boventitels haast overbodig werden – al bleven ze uiteraard welkom voor wie minder vertrouwd is met de taal.
In de grote lofzangen van het slotdeel groeide het koor uit tot een bijna symfonische kracht: jubelend zonder logheid, krachtig zonder scherpte. Een bijzonder mooi detail was hoe de solisten zich tussen de koorleden opstelden en zich daar steeds meer in het koorweefsel integreerden. Tegen het einde leek het onderscheid tussen individu en collectief haast op te lossen – alsof Haydns idee van een volmaakte schepping zich ook muzikaal voltrok.
Wat deze avond uiteindelijk zo bijzonder maakte, was de vanzelfsprekendheid waarmee alles samenviel. Historische uitvoeringspraktijk werd hier geen esthetisch doel op zich, maar een middel om de partituur haar oorspronkelijke frisheid terug te geven. Luks en zijn musici speelden Die Schöpfung niet als een onaantastbaar monument, maar als levende muziek vol verwondering, humor, drama en menselijkheid.
Het is zelden verstandig om een uitvoering meteen als referentie te bestempelen, maar wie deze Schöpfung hoorde, betrapte zichzelf toch op die gedachte. Meer nog: dit was zo’n avond die toekomstige uitvoeringen van het werk onvermijdelijk mee zal bepalen. Een dreamteam, inderdaad – en een uitvoering die stond als een kathedraal.





