Johannes zonder Vrees

Wie het onbegrensde muzikale labyrint van Brahms betreedt, moet op z’n tellen passen. En zoiets geldt in meervoud voor musici die met hem aan het kwartetten gaan. Dankzij het recentste album van het Dudok Quartet is er van verdwalen gelukkig geen sprake. Heel en al onverschrokken wordt een spoor getrokken dat uitblinkt door een tomeloze energie en onmiskenbare spankracht. 

Het Amsterdamse vierspan is met deze dubbele worp aan een tweede adoratio toe. Eerst waren er drie in het oor springende themaplaten, met telkens een zowel bonte als boeiende mengelmoes van stijlperiodes (Bach, Mozart, Mendelssohn, Ligeti, …) en eigen arrangementen (Brahms, Josquin des Prez, Carlo Gesualdo). Dan kwam de focus op één enkele componist te liggen en verscheen, nog steeds bij Resonus Classics, de begeesterde hommage aan het ‘wohltemperierte Streichquartett’: de zes stuks uit Haydns grensverleggende Opus 20. En in oktober 2021 deed Dudok er het volledige strijkkwartetoeuvre van Brahms bij, aangevuld met het tweede strijkkwintet. Daarvoor kreeg het ensemble versterking van Lilli Maijala, de bevlogen Finse altvioliste die ooit, in een niet eens zó ver verleden, en samen met haar landgenoot Pekka Kuusisto, de Three Madrigals van Martinů ten beste gaf (H 313). In Leuven was dat, op de campus Gasthuisberg, tijdens het toenmalige Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant. Maar deze bijzondere herinnering uit 2014 even terzijde. 

No guts, no glory

Ziedaar, de toepasselijke tagline voor deze nieuwe dubbel-cd. Want het Dudok Quartet Amsterdam maakte zijn/haar opname doelbewust met passende, vroeg-romantische bogen én onomwonden darmsnaren, het type bespanning dat in Brahms zijn tijd gebruikelijk was. “Gut strings challenge us to search for different ways to express the music”, zo getuigt tweede viool Marleen Wester. Een ietwat riskante bezigheid blijkt uit hiernavolgende trailer, waarna er ook dieper op deze uitdagingen wordt ingegaan. Maar er is meer nodig dan specifiek instrumentarium om de historisch geïnformeerde toer op te gaan. In het cd-boekje voegen primaria Judith van Driel en cellist David Faber er het volgende, persoonlijke commentaar aan toe: “Ook verdiepten we ons in de uitvoeringpraktijk uit de 19e eeuw. We gunden onszelf de vrijheden van flexibele tempi en het gebruik van portamenti. Hoe meer we ons onderdompelden in de muziek van Brahms, hoe meer dimensies we erin ontdekten. […] We nodigen de luisteraars uit om, net als wij, steeds opnieuw terug te keren naar deze kamermuziek, om samen met ons nieuwe wegen te vinden in zijn onbegrensde muzikale labyrint.” Een verzoek waar met veel genoegen gehoor aan werd gegeven.

Zijn de snaren onomwonden, dan windt het Dudok Quartet er met het koppel strijkkwartetten uit het Opus 51 ook weinig doekjes om. Zo steekt de onverbiddelijke urgentie waarmee in de hoekdelen van het eerst-gepubliceerde exemplaar wordt gestreken, streng af tegen de olifantendracht die aan het ontstaan van dit tweeluik in mineur voorafging (1873). De snijdende openingsmaten (“Allegro”) bieden terstond een proeve van portamento: een techniek die in de tweede helft van de 19e eeuw op de viool school maakte. Door van de ene naar de andere noot te glijden – het onderscheid met een glissando is niet altijd even eenduidig – wordt er op een klagende of meer smachtende toon gesproken. Dit ‘portamento alla glissandese’ past de laatromantische ziel en dus ook Brahms’ composities als gegoten, en wordt in het spel van de Dudoks doelbewust ingezet. Het creëert een passend affect, nog sprekender eigenlijk in het nostalgische “Allegro non troppo” waarmee het tweede kwartet begint. Maar de lijn tussen een oprechte, romantische retoriek en effectbejag is soms dun. In sommige oren zal het geklaag eerder als gezaag doorklinken, misschien wel – godbetert – in het harmonisch prachtige “Poco adagio” van het eerste kwartet. Het siert dit onbevreesde Nederlandse ensemble dat het bereid is om zo’n risico’s te nemen. En het pakt ook positief uit, zelfs al bieden de reprises mogelijkheden om het portamento met nog meer variatie te cultiveren. De overheersende indruk is er sowieso één van tomeloze energie en onmiskenbare spankracht.

Nicht leichten Gehaltes

Oftewel geen lichte, laat staan makkelijke kost, zoals de gerenommeerde chirurg Theodor Billroth (1829-1894) over de nieuwe en aan hem opgedragen strijkkwartetten van Brahms opmerkte. Toch bevatten beide klassiek opgebouwde, vierdelige werken uiteraard een trage(re) beweging die voor enige gemoedsrust kan zorgen. De mistroostige “Romanze”, met die opvallend mysterieuze, hortende tussenspelen, is al een geslaagd voorbeeld van het uitgebalanceerde overleg tussen de uitvoerders. Nóg subtieler is de ‘orenschijnlijk’ spaarzame manier waarop het ingenieuze “Andante moderato” door het Dudok Quartet wordt opgetuigd: een polyfone afwisseling van zowel sober en ingetogen, als hoogdravend samenspel. De strijkers doen het allemaal met een (h)eerlijk naturel, al verdient ook de opnameleiding van Jared Sacks een speciale pluim. Dat de stichter van het intussen meer dan dertig jaar oude en gelauwerde Channel Classics Records een gedroomd klankbord is, staat natuurlijk buiten kijf. Maar de uitgave zelf, die komt de facto niet uit Nederland, maar wel op naam van een Brits label: de allereerste samenwerking tussen Dudok en Rubicon Classics.

Van het stel scherzo’s dat hierop volgt, is vooral het “Allegretto molto moderato e comodo” uit het eerste kwartet vintage Brahms. Een progressief of niet, de uitgekiende manier waarop de componist zijn muziek doet bewegen – in medias res – levert een potentieel verbluffend sensueel resultaat op. Die sensualiteit kan nog worden versterkt door de dialoogjes tussen de stemmen extra in de verf te zetten, ook in het innemende trio (“Un poco più animato”). Maar ditmaal blijft het Dudok Quartet opmerkelijk onverstoorbaar binnen de notenbalken kleuren. Dan is de articulatie van het viertal in het spookachtige en springerige “Quasi Minuetto”, én de contrasten met de zeer precies getimede, geagiteerde interludia (“Allegretto vivace”), veel meer uitgesproken. De daaropvolgende frenetieke finale, tevens de apotheose van het eerste schijfje (“Allegro non assai”), is exemplarisch voor de buitengewone ritmische flexibiliteit en dynamische panache waarmee de musici Brahms te lijf gaan. Helemaal opgenaaid, zoals ook in het genadeloze sluitstuk van het kwartet in c (“Allegro”), treedt elke partij hier daadwerkelijk vol voor het voetlicht. Een weergaloos pleidooi, te vuur en te strijkstok, voor de kracht van kamermuziek.

Vrij maar vrolijk

Zo tergend moeizaam de tweeling van het Opus 51 het levenslicht zag, zo vlot kreeg Brahms in 1875 zijn derde strijkkwartet op papier. Dat werk “schoot als een paddenstoel uit de grond in de schaduw van de reusachtige eik die zijn Eerste Symfonie zou worden.” Met dat mooie beeld begint Brahms III, een essay (NL/EN) waarin Jan Brokken op vraag van het Dudok Quartet de mens en componist tot leven wekt. Terloops doet de Nederlandse schrijver ook de aanleiding voor Brahms zijn imposante baard uit de doeken. Maar hij voert de lezer vooral naar het Badische Ziegelhausen, toen nog een dorp, omgeven door bossen, heuvels en boomgaarden, vandaag een buitenwijk van Heidelberg. Daar ontstond, in enkele zomerse weken tijd, en onder een “frei aber froh” gesternte, een licht, vitaal en onbekommerd kwartet, waarin de geest van Haydn en Mozart nooit ver weg is. Toch ademt deze muziek niet alleen landelijke vrolijkheid uit. De markante middendelen bieden ook fijnbesnaarde lyriek en meer koortsachtige ritmes. Het was naar eigen zeggen allemaal slechts een “nutteloze kleinigheid”. Brahmsiaanse onzin natuurlijk. Het tegendeel schijnt waar. Volgens Joseph Joachim (1831-1907) groeide dit Opus 67 uit tot zijn eigen favoriet.

Johannes Brahms ca.1875, getrokken door Fritz Luckhardt

Aldus weerklinkt met de aanhef van de tweede cd een heel ander soort jachtigheid, speels in plaats van dreigend. Het Dudok Quartet geeft in dit ongekunstelde openingsdeel (“Vivace”) doortastende en prima geïntoneerde antwoorden op iedere maat die Brahms hen zo ruiterlijk aanreikt. Tussendoor brengt het gezelschap ook enkele plechtige, homofone passages te berde. Wendbaarheid is het codewoord om zowel eensgezind als slagkrachtig uit de hoek te komen. De langzame beweging, een teder “Andante”, getuigt zowaar van nog meer ontwapenende openhartigheid. U hoort er verderop vast meer over… De eerste viool krijgt alle gelegenheid om te schitteren. Van Driel grijpt die kans met beide handen en stijlrijke fraseringen. En daar duiken, weliswaar spaarzaam, de portamenti weer op. Maar zoals de Engelsen over dit deel en het aansluitende “Agitato” zouden opmerken: “there is more to it than meets the ear.” Gratie is louter een deel van het muzikale betoog. Er duiken in het “Andante” ook even kloeke als onvermoede uitroeptekens op. En in het ambigue scherzo (“Allegro non troppo”) voert altvioliste Marie-Louise de Jong de wispelturige boventoon, maar maken de eens subtiele, dan weer gevatte replieken van haar medespelers het rusteloze klankbeeld pas echt compleet. Met een bijwijlen vertederende opeenvolging van variaties – pizzicati hebben wel vaker dat effect – komt dit laatste strijkkwartet glansrijk aan zijn eind (“Poco Allegretto”). Een tintelende ode aan de creativiteit van zijn auteur.

Menselijk geluk

Nog voor Brahms zijn drie strijkkwartetten voltooide, had de man ook al een duo strijksextetten gecomponeerd. Wat restte, was dus de gulden middenweg van het kwintet. Na een eerste vrucht in 1882, het Opus 88, volgde acht jaar later zijn Opus 111. Net als het derde kwartet zijn dit producten uit de natuur. Beide kwamen tot stand in het kuuroord Bad Ischl. Maar hoe mondain het daar langs de Traun, een zijrivier van de Donau, ook mocht wezen, toch verkondigen beide strijkkwintetten een vermeldenswaardig volks idioom. Daarvoor doet Brahms een beroep op een tweede altviool, en het Dudok Quartet dus op Lilli Maijala. Hoewel de ervaren meester best hoog opliep met wat zijn eerste kwintet zou zijn, heeft dit stuk altijd wat in de schaduw gestaan van zijn jongere broertje. En ook op deze opname wint het tweede exemplaar alweer het pleit. Waarom eigenlijk? Luister even naar het thema van het “Allegro non troppo, ma con brio”, en u zal het snel begrijpen: dit zelfverzekerde, quasi-orkestrale openingsstatement behoort tot de meest triomfantelijke kamermuziek ooit geschreven! Een triomf bovendien die dankzij deze vijf muzikanten gensters slaat. Er is niet alleen de hartstocht waarmee Faber zijn partij neerzet – what a feeling – maar evenzeer een grandioze verwevenheid van stemmen eens dit eerste vuurwerk wordt uitgedoofd. Het collectief schittert ook in de overige drie delen, van de gepassioneerde uithalen in een verder sereen en melancholiek “Adagio”, over de sierlijke nuances in het dansante scherzo tot en met de goedgeluimde knaldrang in de afsluitende coda (“Vivace ma non troppo presto”).

Ich habe oft darüber gegrübelt, was menschliches Glück sei…”, schreef Billroth na de eerste repetitie van het strijkkwintet aan zijn goede vriend, alvorens tot een bekentenis over te gaan: “– …nun, heute war ich im Anhören Deiner Musik glücklich.” Eenzelfde gelukzalig gevoel brengt ook deze dubbel-cd teweeg. Het Dudok Quartet Amsterdam raakt aan de kern van Brahms door een avontuurlijke visie op zijn muziek uit te dragen. Compromisloos steekt het kwartet op die manier zijn nek uit, maar dan wel zonder zichzelf te verloochenen. Net als tijdens de afgelopen Olympische Winterspelen geldt: over deze ‘Johannes zonder Vrees’ schrijven, is zilver. Luisteren doe je naar goud.

WAT: Johannes Brahms (1833-1897) – Strijkkwartet in c, Opus 51 nr. 1 | Strijkkwartet in a, Opus 51 nr. 2 | Strijkkwartet nr. 3 in Bes, Opus 67 | Strijkkwintet nr. 2 in G, Opus 111

WIE: Dudok Quartet Amsterdam [Judith van Driel (viool), Marleen Wester (viool), Marie-Louise de Jong (altviool) en David Faber (cello)] – Lilli Maijala (altviool)

UITGAVERubicon Classics – RCD 1077 (2 cd’s)

FOTO’S: © Merlijn Doomernik

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in:

[bsa_pro_ad_space id=3]

Meer lezen ?

Sterrenparade

Voor wat staan de sterren die toegekend worden? Het is belangrijk om daarin openheid te brengen, dit m.a.w. op de (ver)nieuw(d)e website te expliciteren. KC is voorstander van een positieve benadering, genre de restaurantrubriek in dSMagazine: uitstekend– goed – redelijk – nipt.

5 ⭐️ = uitstekend

4 ⭐️ = zeer goed

3 ⭐️ = goed

2 ⭐️ = redelijk

1 ⭐️ = nipt

Introductiegidsen

Steun Klassiek Centraal via JPC