Notre site a été renouvelé, publie toi-même tes événements tu as repéré une erreur. Écris-nous!

Classique Central

Strauss’ lyriek ontmoet Beethovense natuurpoëzie in de Staatsoper Berlin

Onder de gedreven leiding van Christian Thielemann bracht de Staatskapelle Berlin op maandag 13 april een avond waarin de subtiele vocaliteit van Richard Strauss’ Orchesterlieder en de schilderachtige symfonische wereld van Ludwig van Beethoven elkaar ontmoetten. Het concert, uitgevoerd in de iconische Staatsoper Unter den Linden, toonde hoe vocale finesse en symfonische rijkdom een intens muzikaal dialoog laten ontstaan.

Vocale subtiliteit en emotionele rijkdom

In het eerste deel van het concert ontvouwde zich een zorgvuldig gekozen reeks uit Orchesterlieder van Richard Strauss (1864-1949): Verführung, Nächtlicher Gang, Muttertändelei, Ruhe meine Seele, Pilgers Morgenlied, Morgen, Hymnus en Waldseligkeit. Wat zich hier aftekende was een wereld waarin tekst en klank niet naast elkaar bestaan, maar elkaar voortdurend hertekenen: een repertoire dat wortelt in een laat-romantische gevoelscultuur, maar tegelijk openbreekt naar een modern bewustzijn waarin innerlijkheid niet langer enkel wordt verwoord, maar georkestreerd, verkleurd, uiteengerafeld en opnieuw samengebracht.

Achter deze liederen ligt een duidelijk herkenbare intellectuele horizon, waarin het Bildungsbürgertum niet als etiket verschijnt maar als onderstroom: een wereld van poëzie, natuurervaring en zelfreflectie waarin het lyrische ik voortdurend balanceert tussen gedragenheid en ontbinding. Tegelijk klinkt in de tekstkeuze iets dat verder reikt dan de vertrouwde canon; Strauss beweegt zich trouwens niet uitsluitend binnen de veilige contouren van de klassieke Duitse poëzie, maar opent het lied naar stemmen van zijn eigen tijd, waardoor deze werken eerder een continuüm vormen dan een gesloten traditie.

Opvallend is hoe radicaal Strauss het vocale medium denkt. De ogenschijnlijk opulente orkestratie – vaak vertrekkend vanuit oorspronkelijk pianoliederen – is nooit decoratief maar functioneel transparant gedacht. Zelfs waar het orkest in volle gloed staat, blijft de stem niet alleen hoorbaar maar ook tekstueel leesbaar, alsof de orkestrale densiteit zich telkens opnieuw terugtrekt om de articulatie van het woord vrij te laten. Dat is geen vanzelfsprekendheid, maar een constructie die pas volledig werkt binnen een uitvoeringspraktijk die zowel technisch als retorisch scherp is.

Julia Kleiter bewoog zich daarin met een natuurlijke vanzelfsprekendheid. Haar stem heeft die specifieke combinatie van lichtheid en innerlijke spanning die Strauss’ frasen niet afsluit maar opent. In de verstilde momenten leek de klank zich los te maken van het lichaam zonder haar kern te verliezen; in de meer uitgesproken passages klonk ze nooit geforceerd, maar dacht ze altijd vanuit adem. De tekst bleef daarbij niet begeleidend, maar structurerend aanwezig, alsof elke vocale lijn tegelijk muziek en spreken was.

Daartegenover stond Konstantin Krimmel, wiens bariton een andere tijdsdimensie binnenbracht: minder licht, meer naar binnen gericht, met een frasering die voortdurend leek te vertrekken vanuit het woord zelf. In de meer beschouwende liederen kreeg de stem iets contemplatiefs, niet in de zin van afstand, maar eerder als vertraagde aandacht. Waar Kleiter opende, verdiepte Krimmel; waar zij licht maakte, gaf hij gewicht, zonder ooit de transparantie van het geheel te verstoren.

Binnen dit spanningsveld tekende zich Christian Thielemann af als meer dan begeleider. Zijn lezing leek niet te vertrekken vanuit begeleiding, maar vanuit architectuur: een denken in lagen, in ademzones, in orkestrale fricties die zich telkens opnieuw herschikten rond de stem. Het orkest reageerde niet, maar dacht mee; het anticipeerde eerder dan het volgde. Zo ontstond een vorm van muzikale dramaturgie waarin stem en orkest elkaar niet illustreerden maar voortdurend herdefinieerden.

Als toegift bleef de sfeer nog even hangen in een intiemere verstilling: Krimmel met Ich trage meine Minne, waarbij de bariton zich terugplooide in een bijna archaïsche eenvoud, en Kleiter met Traum durch die Dämmerung, waarin de stem zich oploste in de schemering van het orkest – niet als afsluiting, maar als uitdoving van klank in licht. Een ingetogen afronding van het vocale luik.

Schilderachtige symfoniekunst

Na de vocale intensiteit van Strauss verschoof het perspectief haast onmerkbaar naar een andere vorm van verbeelding: die van Ludwig van Beethoven (1770-1827) in zijn Symfonie nr. 6 “Pastorale”. Wat zich hier ontvouwde, was geen louter schilderachtige evocatie van de natuur, maar een klankwereld waarin ervaring en herinnering in elkaar overvloeien. Vanaf de eerste maten ontstond een gevoel van ruimte dat niet zozeer werd neergezet, maar geleidelijk werd geopend – alsof het orkest niet begon te spelen, maar begon te ademen.

Bij een dergelijke omvangrijke orkestbezetting loert al snel het gevaar van zwaarte en inertie om de hoek, maar onder Christian Thielemann kreeg deze Pastorale een opmerkelijke lichtheid en beweeglijkheid. Wat op papier massief oogt, werd hier transparant gedacht: lijnen bleven leesbaar, motieven circuleerden vrij tussen de instrumentengroepen, en nergens zakte de spanning in. Integendeel, de uitvoering ontwikkelde zich met een vanzelfsprekende vaart die niet werd opgelegd, maar voortkwam uit een diep gedeeld muzikaal instinct tussen dirigent en orkest.

De strijkers en houtblazers verzorgden een klankweefsel waarin de contouren van het landschap zich niet opdrongen, maar zich lieten vermoeden: een beek die niet wordt uitgebeeld, maar gesuggereerd; vogelgeluiden die niet imiteren, maar resoneren binnen het geheel. Geen enkele partij drong zich overigens op, maar droeg bij aan een continu verschuivend evenwicht waarin alles met elkaar verbonden bleef.

In de meer levendige passages kreeg de muziek iets uitgesproken vitaals, bijna dansant, zonder ooit in anekdotiek te vervallen. Thielemann vermeed elke vorm van programmatische nadrukkelijkheid en liet de overgangen zich organisch voltrekken: vreugde vloeide over in verstilling, verstilling kantelde in spanning, en wanneer het onweer zich aandiende, gebeurde dat niet als effect, maar als onvermijdelijke culminatie. De storm zelf werd niet zozeer neergezet als een uitbarsting, maar als een verdichting van energie: koper en strijkers scherp geprofileerd, maar nooit brutaal, houtblazers die door hun kleuring eerder onderhuidse dreiging suggereerden dan expliciete onrust.

Wanneer nadien de rust terugkeerde, was die niet langer dezelfde als aan het begin. Ze droeg sporen van wat eraan voorafging, een vorm van gelouterde sereniteit waarin de thematische lijnen zich als het ware herordenen. Hier toonde zich Beethovens vermogen om niet enkel natuur te schilderen, maar een innerlijke ervaring van tijd en transformatie te componeren – een kwaliteit die in deze uitvoering met grote vanzelfsprekendheid naar voren kwam.

Wat deze lezing kenmerkte, was het tastbare samenspel tussen dirigent en orkest. Er werd niet alleen precies gemusiceerd, maar zichtbaar beleefd: frasen ontstonden uit gedeelde adem, inzetten werden gedragen door wederzijds vertrouwen, en in die collectieve concentratie groeide een spanningsboog die geen moment verslapte. Het resultaat was een uitvoering die niet enkel coherent, maar ook meeslepend was – een doorlopend muzikaal verhaal dat de luisteraar van begin tot einde vasthield.

Het applaus na afloop sprak in dat opzicht voor zich: geen loutere waardering voor technische beheersing, maar een spontane erkenning van een uitvoering die zowel intellectueel als zintuiglijk overtuigde, en waarin orkestrale pracht en interpretatieve helderheid elkaar volledig vonden.

Terwijl het applaus nog nazinderde, gaf Christian Thielemann nauwelijks tijd tot ademruimte en zette hij vrijwel naadloos de Ouverture tot Egmont van Beethoven in. Meteen werd de toon gezet: een geconcentreerde, strak opgebouwde inzet waarin spanning en richting zich onmiddellijk aftekenden. Het orkest klonk hecht en geïnspireerd, met koperblazers die hun lijnen glansrijk lieten oplichten en strijkers die met trefzekere ritmiek een stevige, levende onderbouw creëerden.

Ook in deze lezing kreeg Beethovens heroïek een overtuigende vanzelfsprekendheid. Thielemann hield de spanningsboog strak, maar gaf de muziek tegelijk ruimte om te ademen, waardoor de opbouw naar de finale als organisch en onontkoombaar werd ervaren. De ontlading had daardoor des te meer impact: een kernachtige, meeslepende afsluiting die het publiek zichtbaar en hoorbaar in haar greep hield en de avond met een gevoel van gedragen intensiteit afrondde.

In de nagalm van de avond

Dit concert liet horen hoe overtuigend Strauss’ lyrische subtiliteit en Beethovens schilderachtige symfoniekunst elkaar niet alleen aanvullen, maar verdiepen. Kleiter en Krimmel gaven de vocale lijnen een intensiteit en nuance die bleef nazinderen, terwijl de Staatskapelle Berlin onder Thielemann een orkestrale rijkdom liet horen die tegelijk helder en omhullend klonk.

Wat deze avond tekende, was niet enkel de kwaliteit van de uitvoering, maar het gevoel van gedeeld musiceren dat zich doorheen het hele programma liet ervaren. En ergens, als een onderhuidse echo van het begin van de avond, bleef die ene regel uit Strauss’ lied Morgen hangen: “Und auf uns sinkt des Glückes stummes Schweigen”

Détails :

Titre :

  • Strauss’ lyriek ontmoet Beethovense natuurpoëzie in de Staatsoper Berlin

Qui :

  • Staatskapelle Berlin o.l.v. Christian Thielemann met Julia Kleiter, sopraan, en Konstantin Krimmel bariton

Quand :

  • 13 april 2026

Crédits photos :

  • Andreas Labes, Stephan Rabold, Frank Schemmann, Geoffroy Schied
nlNLdeDEenENfrFR