Notre site a été renouvelé, publie toi-même tes événements tu as repéré une erreur. Écris-nous!

Classique Central

Stilte als verzet – en als vorm: “NoonSong” in Berlijn

Een volle kerk voor een half uur aandachtige verstilling: het blijft een beeld dat schuurt met de tijdsgeest. En toch gebeurde het, op zaterdag 11 april, in de Kirche am Hohenzollernplatz in Berlijn. Geen evenement met uiterlijk vertoon, maar een “NoonSong” – een liturgisch geconcipieerde muzikale ruimte waarin luisteren nog een daad is. Dat de kerk tot de laatste plaats gevuld was, voelde minder als toeval dan als symptoom van een stille honger: naar concentratie, naar betekenis, naar het even opschorten van de buitenwereld.

De dramaturgie van deze “NoonSong” was exemplarisch in haar eenvoud en precisie. Ze begon met majestueus orgelspel: Choral-Improvisation über “Nun danket alle Gott” van Sigfrid Karg-Elert (1877-1933). Geen vrijblijvende inleiding, maar een klankmatige opening van de ruimte zelf – feestelijk, ja, maar vooral architecturaal gedacht, ideaal voor dit intrigerende kerkgebouw, dat niet voor niets “Kraftwerk Gottes” wordt genoemd. Karg-Elerts koraalfantasie ontvouwde zich als een kleurrijk glasraam in beweging, spelend met het wonderbaarlijke licht in de ruimte, waarbij het paasmotief zich noot na noot organisch verder ontwikkelde.

Daarna volgde de liturgie, die deze keer opvallend sterk leunde op de Engelse traditie. De Preces & Responses van Richard Ayleward (1626-1669) zetten meteen de toon: sober, functioneel, bijna ascetisch. Hier geen romantische expansie, maar een vorm van muzikale nederigheid waarin tekst en klank samenvallen. De acht engelenstemmen van sirventes berlin troffen precies de juiste balans: helder en evenwichtig gedragen.

Dat Engelse spoor werd verder verdiept met twee werken van Charles Villiers Stanford (1852-1924), die uiteindelijk de ruggengraat van het programma vormden. Zijn zetting van Psalm 136, Let us, with a gladsome mind, bracht een eerste verruiming: de intrede van het orgel gaf de klank een fundament zonder de transparantie te verliezen. Stanford toont zich hier een meester van het evenwicht tussen beweging en rust, tussen liturgische functie en muzikale zeggingskracht.

Nog pregnanter was Ye choirs of New Jerusalem, het canticle dat als een paashymne door de ruimte straalde. Hier kwam de volle resonantie van de kerk tot haar recht: de stemmen leken zich los te maken van hun oorsprong en op te gaan in de hoogte van het gebouw. Wat op papier vierstemmigheid is, werd in de praktijk een gelaagde klankruimte waarin elke lijn betekenis droeg.

Tegenover die Engelse helderheid stond de meer introspectieve toon van Heinrich von Herzogenberg (1843-1900), met zijn zetting van Psalm 116 (Das ist mir lieb). Minder prominent in het programma dan misschien aangekondigd, maar des te effectiever als moment van inkeer. Herzogenberg schrijft geen muziek die zich onmiddellijk prijsgeeft; ze vraagt tijd, en precies die tijd kreeg ze hier.

Het gregoriaanse responsorium vormde een scharnierpunt: een herinnering aan de diepste wortels van deze traditie, gezongen zonder historiserende pretentie maar met vanzelfsprekende eenvoud. Het werd een moment waarop de tijd even leek stil te vallen – niet als effect, maar als consequentie.

De lezing uit het evangelie van Johannes (20,19–29) – de verschijning van Christus aan de discipelen (en de ongelovige Thomas) – werd kort geduid door dominee Martin Germer en gaf het geheel een inhoudelijke kern: twijfel, herkenning, geloof. Het zijn thema’s die in deze context niet worden uitgelegd, maar gesuggereerd en gedragen door de indringende muziek.

Ook de hymne Mit Freuden zart van Heinrich Reimann (1850-1906) paste naadloos in dat geheel: bescheiden, bijna huiselijk, en juist daardoor ontwapenend. Geen groot gebaar, maar een collectieve ademhaling, wanneer die samen met de gemeente wordt gezongen.

Het slot was opnieuw voor het orgel, en voor Johann Sebastian Bach (1685-1750), via de bewerking van Marcel Dupré (1886-1971) van de Sinfonia uit de cantate Wir danken dir, Gott, wir danken dir (BWV 29). Hier keerde de uitbundigheid terug, maar getemperd door de weg die eraan voorafging. Het was geen triomf zonder meer, maar een bevestiging – een muzikaal amen dat de ervaring afrondde zonder haar af te sluiten.

Wat dit concept “NoonSong” onderscheidt van wat ik elders heb gehoord en beleefd, is niet alleen de kwaliteit van de uitvoering – die buiten kijf staat – door sirventes berlin o.l.v. Stefan Schuck en organist Vladimir Magalashvili  maar de coherentie van het geheel. Alles staat in functie van een vorm die zeldzaam is geworden: religieuze muziek als gedeelde tijd, als ruimte voor aandacht en persoonlijke reflectie.

Het gebouw zelf is daarbij geen neutraal decor, maar een actieve medespeler. De expressionistische architectuur van de kerk – met haar bijna verticale spanning, rauwe materiaalwerking en uitzonderlijke akoestiek – tilt de muziek letterlijk op. Licht en klank versterken elkaar in een zeldzaam evenwicht, waardoor elke stem niet alleen hoorbaar maar ook ruimtelijk ervaarbaar wordt. Het is precies die combinatie van architectuur, akoestiek en liturgische concentratie die van deze “NoonSong” meer maakt dan een concertmoment: een tijdelijke verschuiving van waarneming.

Dat een kerk daarvoor vandaag de dag volloopt, is geen nostalgie. Het is een teken.

 

Détails :

Titre :

  • Stilte als verzet – en als vorm: “NoonSong” in Berlijn

Qui :

  • sirventes berlin o.l.v. Stefan Schuck met Vladimir Magalashvili, organist

Où :

  • Kirche am Hohenzollernplatz, Berlijn

Quand :

  • 11 april 2026

Crédits photos :

  • Silva Hahn, Jorge Pérez de Lara, NoonSong
nlNLdeDEenENfrFR