Cherry Town is een bewerking (in een vertaling door de Britse operaregisseur David Pountney) van wat Sjostakovitsj zelf een operette noemde, onder de titel Moskva, Tsjerjomoesjki ('Moskou, Vogelkers'), een nieuwbouwwijk in Moskou. De componist publiceerde het werk in 1959, tijdens het bewind van Chroesjtjov, toen na het terreurbewind een zekere politieke 'dooi' inzette en satire op de politiek mogelijk bleek.
Uit brieven van de componist leek het alsof hij het werk zelf zo snel mogelijk wilde vergeten, al werkte hij drie jaar later mee aan een filmversie, waarvoor hij zelfs aanvullende stukken muziek schreef. Nee, dit werk heeft niet de portee van de meest poignante werken van de componist, maar het is beslist goed verteerbaar, zeker in de flamboyante enscenering die de Nationale Opera en Ballet in Amsterdam ons voorschotelde.
1959. Na alle economische echecs van de Stalinjaren, gaat het tijdens Chroesjtjovs politieke ‘dooi’ wat beter met de welvaart in de Sovjet-Unie. De staat poogt voortvarend om voor genoeg passende volkshuisvesting te zorgen. Dat zien we aan het begin van de voorstelling. Tijdens het instrumentale voorspel zien we een flatgebouw afgebroken worden en even later zien we een gloednieuw gebouw in jaren-'50-stijl; nieuw, fris, met dien verstande dat dit soort flatgebouwen overal werd neergezet, niet alleen in de Sovjet-Unie en de communistische wereld, maar ook in het Westen; ook jaren vijftig- en zestigwijken in het Westen staan er vol mee. Ik moet meteen ook denken aan het decor van de opvoering van Boris Godunov, vorig jaar juni, in de regie van Kirill Serebrennikov, die ons liet zien hoe die woonblokken er tegenwoordig bijstaan; in zijn enscenering speelden Dmitry Markovs onthutsende foto's van het huidige dagelijkse leven in Rusland een centrale rol. Beelden, schrijnende impressies van armoede, drankmisbruik en depressie. Maar goed, de eind jaren-vijftig, begin jaren-zestig waren ook in de Sovjet-Unie tijden van vooruitgang. Mensen kregen eindelijk een eigen woning, en er zitten veel vrolijke gelukkig mensen in de operette. Maar bureaucratie en corruptie lagen op de loer en dat leidt tot onwelkome verwikkelingen; gelukkig is het eind goed, bijna alles en iedereen goed.

Er is een jong paar dat op het punt staat eindelijk eens een eigen woning te krijgen, waar ze überhaupt voor het eerst met elkaar samen kunnen zijn, zoals we te horen krijgen – lees de suggestie van ook seks kunnen hebben. Er is een vader (Babble, acteur Leòn Ali Çifteci, die ook een lied te zingen krijgt) wiens vorige woning uitgerekend vanwege een stadsvernieuwingsproject is afgebroken en die eindelijk weer fatsoenlijk voor zijn kind (Ella Taylor) wil kunnen zorgen. Maar er is ook een projectontwikkelaar, Noos (een fysiek onherkenbare, innemende Thomas Oliemans), met zijn een maîtresse, Vava (een geweldige zangeres van de Nationale Opera Studio, Madison Horman), die voornamelijk bij hem blijft vanwege de mogelijkheid via hem een woning te betrekken, maar intussen ook probeert aan te pappen met Noos’ privé-chauffeur Boris (een zang- en acteertechnisch fenomenale Michael Wilmering). En er is de beheerder van het flatgebouw, Blatherbox, die door Noos is omgekocht (Martin Mkhize, het zoveelste talent uit Zuid-Afrika, die in Nederland aankwam als lid van de studio van de Nationale Opera).
Zo zien we hoe vader en kind een flat met een bepaald huisnummer toegewezen krijgen, waarop Noos het nummer op de voordeur laat weghalen en veranderen in 50. Omdat er nu geen flatnummer 48 meer bestaat, staan vader en kind weer op straat en denkt Noos Vava de flat te laten betrekken. Maar na een groot aantal verwikkelingen, waarbij ook het jonge paar weer op straat lijkt te komen te staan, komt boontje om zijn loontje en is het Noos die uiteindelijk op straat komt te staan.
De belangrijkste plotwending is weggelegd voor chauffeur Boris, die uiteindelijk de kant kiest van de vader en diens kind en dus tegen zijn werkgever. Eigenbelang is ook in dit geval niet ver weg. Bij Sjostakovitsj heeft Boris een oogje op de dochter, die Lidia heet. In deze voorstelling is dat Lidion, een hen/hun persoon, de aanstekelijke Ella Taylor in een Hosenrolle.
Het decor blijkt tientallen geheime deuren en poorten te bevatten die via allerlei sluip-door-kruip-door-gangen met elkaar in verbinding staan. Jakop Ahlbom is al jaren een sterregisseur van een theatervorm die zich ophoudt tussen mime (theater waarin lichaamsexpressie een hoofdrol speelt, bij hem gecombineerd met acrobatiek) en objecttheater (waarin bewegende objecten een rol spelen). In Cherry Town vervangt hij de gesproken dialogen van de operette door stil spel en daar voegt hij een reeks verbluffende stunt- en dansscènes aan toe, ontwikkeld samen met choreograaf Marco Gerris, artistiek leider van ISH Dance Collective, bestaande uit virtuele urban dancers in breakdance en straatacrobatiek.
Onderdeel van Ahlboms eigen signatuur in zijn regie van acteurs en in dit geval zangers zijn stoïcijns Buster Keaton en Charlie Chaplineske-fysieke expressie en vaak bijna halsbrekende ook weer Buster Keatoneske stunts met decor-onderdelen.
Mime is vaak woordloos en dat kan in combinatie met opera goed uit komen, als alles wordt gezongen. Moskva, Tsjerjomoesjki bevat oorspronkelijk ook gesproken dialogen, en blijkbaar nogal wat, want de oorspronkelijke versie duurt naar verluidt drie uur. Dat zou me erg veel lijken. In elk geval heeft het regieteam alle gesproken dialogen weggelaten. In plaats daarvan wordt het verhaal naast de briljante zangerscast ook uitgebeeld door een uitgebreid gezelschap van mimers en dansers, die het verhaal voorts verluchten met wervelende bewegingsscènes en halsbrekende toeren. De zangers sluiten qua inzet van fysieke capriolen virtuoos aan bij de mimers en dansers. Sommigen steken opzettelijk slungelig af, zoals het jonge paar. Maar Michael Wilmering lijkt een tweede stiel te hebben aangemeten, qua wat hij allemaal fysiek uitspookt, inclusief koprollen en luchtsprongen doet hij nauwelijks onder voor de mimers en dansers.
Hoogtepunt is een miraculeus vormgegeven pandemonium, zo rond driekwart van de voorstelling, als een deel van de dansers en mimers hetzelfde knalgele piccolopak aantrekt en er wel tien of meer Borissen over het toneel buitelen: keukenkastje in, liftschacht uit, afzuigkap in, wasmachine uit, deur in, deur uit, en soms drie, vier, vijf tegelijk, van links naar rechts, van rechts naar links. Maar op momenten dat hij zich 'verstopt' onder een lampenkap, zien wij hem wel, maar zien de andere personages hem niet. En als Noos Boris in lampenkap-vermomming doorheeft, hakt hij op hem in, maar deze Boris blijkt dan een pop te zijn, die in stukjes uiteenvalt. En dit alles gaat in een razend tempo, waardoor je de techniek van trucs eigenlijk nooit in de gaten hebt en nooit ziet aankomen. De voorstelling zit vol met dit soort gags. Overal gebeurt iets. Bij sommige mimescenes zijn elektronische of elektronisch vervormde stukjes muziek bij-gecomponeerd door geluidsontwerper Jurgen van Harskamp, deels op basis van Sjostakovitsj-citaten.
De muziek kun je vergelijken met de bekende 'lichtere' instrumentale werken van Sjostakovitsj; minder plat dan Sjostakovitsj' platste muziek, maar op een paar geniale harmonische wendingen na (waarvan er meer in hadden mogen zitten) niet allemaal even interessant. Maar het geheel wordt desalniettemin betekenisvoller door het libretto, waarvan in deze voorstelling het maximale is gehaald door de koppeling aan de razendsnelle enscenering. De satire in Cherry Town is natuurlijk niet zo schrijnend als die in Lady Macbeth van Mtsensk (1934), maar veelbetekenende knipogen worden er wel gegeven, en de voorstelling weet ze mooi te accentueren. (En de componist was ten tijde van deze operette ook al 25 jaar ouder en waarschijnlijk wat milder, ook door de politieke omstandigheden die daar aanleiding toe gaven; overigens had Sjostakovitsj tegen 1959 de jaren van zijn belangrijkste muzikale meesterwerken al wel deels achter de rug.)
Er waren tijdens de voorstelling tussen de scenes en arias door al ettelijke open doekjes, voor de zangers en voor de fysieke capriolen. Hoewel ik in de rij voor mij één persoon – met peenrood gekleurd haar – 'boe' hoorde roepen – misschien iemand die beter dacht te weten hoe dit opgevoerd zou moeten worden –, reageerde de rest van het publiek laaiend enthousiast.
De opera is hoogstwaarschijnlijk ook aantrekkelijk voor jongeren. De Nationale Opera houdt de toegangsprijzen laag en ruimt een speciale avond in voor publiek uitsluitend tussen 16 en 30 jaar. Het gebeurt niet zelden dat operavoorstellingen voor jongeren nauwelijks aansluiten bij wat er anders in de opera te zien is, maar dat is bij Cherry Town niet het geval.
Ik denk dat deze productie bovendien aantrekkelijk is voor internationale herhaling, maar dan moet je deze cast denk ik wel meenemen; dat zou geweldig zijn.
Eind vorig jaar trof ik na een peperdure en niet geslaagde voorstelling over daklozen in het Muziekgebouw aan 't IJ buiten onder de spoorbrug tientallen daklozen aan, aan wie het budget beter zou zijn besteed. Na Cherry Town, gelukkig een veel betere, wél goede productie, zag ik twee daklozen op straat slapen tegenover de ingang van het Muziektheater. Het zette de voorstelling in nog weer een ander perspectief.
Cherry Town, muzikale komedie in drie bedrijven
Gezongen in het Engels
Muziek: Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Libretto: Vladimir Mass en Michail Tsjervinski, in een vertaling van Sir David Pountney
Muzikale leiding: Bassem Akiki
Regie: Jakop Ahlbom
Choreografie: Marco Gerris, in samenwerking met de performers van ISH
Decor: Thomas Rupert
Dramaturgie: Wout van Tongeren