Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Een Requiem tussen massa en mens

W
· 6 min lezen
Deel dit artikel
Een Requiem tussen massa en mens
© Maryan Sayd

Weinig werken uit het klassieke repertoire maken de confrontatie met de dood zo tastbaar als de Messa da Requiem van Giuseppe Verdi (1813-1901). Verdi maakt van de katholieke dodenmis geen verstilde liturgische bezinning, maar een groots muzikaal drama waarin angst, vertwijfeling, hoop en smeekbede voortdurend met elkaar botsen. Het werk kan overweldigend klinken in zijn massale koor- en orkestpassages, maar kent tegelijk momenten van grote intimiteit. Juist in die spanning tussen de massa en het individu ligt een belangrijk deel van zijn kracht.

Die spanning stond ook centraal in de uitvoering van Brussels Philharmonic, het Vlaams Radiokoor en het Octopus Symfonisch Koor in Flagey, onder leiding van Kazushi Ono. Samen stonden ongeveer honderd zangers op het podium, voorbereid door Bart Van Reyn. Met zoveel stemmen krijgt Verdi's muziek een fysieke kracht die je letterlijk in de zaal voelt. Maar even belangrijk waren de momenten waarop de massale klank terugweek en plaats maakte voor een individuele stem of een kleine vocale dialoog.

Daar kwam nog een opmerkelijke omstandigheid bij. Twee solisten moesten op het laatste moment worden vervangen. Aphrodite Patoulidou nam de sopraanpartij over van Louise Foor, terwijl Dohoon Lee de baspartij van Alexandre Duhamel voor zijn rekening nam. Dat beide invallers zich zo kort voor de uitvoering in deze veeleisende productie moesten inwerken, maakt hun optreden des te opmerkelijker.

Als woorden de muziek donkerder maken

Het was bovendien de eerste keer dat ik een volledige uitvoering van Verdi's Requiem meemaakte met de integrale tekst in boventiteling. Wat op het eerste gezicht slechts een praktische toevoeging lijkt, bleek mijn luisterervaring behoorlijk te veranderen.

Wie de Latijnse tekst tijdens de uitvoering meeleest, wordt voortdurend geconfronteerd met oordeel, vuur, angst, schuld, dood en de smeekbede om verlossing. De woorden geven een concrete lading aan wat in de muziek soms nog abstract kan blijven. Het Dies irae krijgt daardoor iets nog dreigender, terwijl het Libera me zich sterker als een persoonlijke smeekbede aandient.

Verdi's religieuze beelden mogen vandaag anders worden ervaren dan in de tijd waarin deze teksten ontstonden, maar de menselijke emoties die erin besloten liggen, hebben weinig van hun kracht verloren. Juist doordat de woorden zo expliciet aanwezig waren, werd de onderliggende dreiging van de muziek deze avond nog voelbaarder.

Een koor dat de zaal vult

Het indrukwekkendste element van deze uitvoering was de enorme présence van de beide koren. Met ongeveer honderd zangers konden zij de grote uitbarstingen van Verdi met overtuiging dragen, terwijl ook de meer teruggenomen passages voldoende ruimte kregen. Dat bleek het sterkst in het Dies irae. De muziek heeft hier alles in zich om tot puur spektakel uit te groeien, maar juist het contrast met de meer ingehouden momenten gaf de uitbarstingen hun volle gewicht. De honderd stemmen vormden geen permanente geluidsmassa; daardoor konden de fortissimi werkelijk binnenkomen.

Het Tuba mirum kreeg bovendien een opvallende ruimtelijke werking. De trompetten stonden achter het koor, waardoor hun klank van achter de zangers vandaan leek te komen. Het effect was overweldigend. Tegelijk werd de balans hier voor mij soms wat zwaar: het koper kwam zo nadrukkelijk naar voren dat het op die momenten eerder als een fysieke uitbarsting dan als een muzikale aanvulling klonk. De ruimtelijke opstelling versterkte het effect, maar ging daardoor soms ten koste van de verfijning.

Ono ademt mee

Kazushi Ono was opnieuw een genot om aan het werk te zien. Hij dirigeerde niet vanop afstand, maar leek midden in de muziek te staan. Je zag hoe hij met de solisten meeademde, op hun fraseringen reageerde en het koor ruimte gaf wanneer het orkest sterk naar voren kwam. De partituur kent momenten van enorme orkestrale kracht, maar achter die grootse gebaren blijft voortdurend de kwetsbare menselijke stem aanwezig. Ono hield beide kanten mooi in evenwicht. Het orkest mocht voluit klinken waar dat nodig was, zonder de stemmen te overschaduwen.

Ook de instrumentale bijdragen kregen daardoor de nodige ruimte. Vooral de strijkers en het hout konden in de rustigere passages een heel andere klankwereld oproepen. In het Agnus Dei vormden sopraan en mezzosopraan samen het vocale middelpunt, terwijl het koor, zittend op de achtergrond, bijna als een stille commentator aanwezig bleef. De warme strijkersklank en de kleuren van het hout droegen bij aan de verstilde sfeer na de dreiging van het Dies irae.

De menselijke stem krijgt een gezicht

Het emotionele zwaartepunt lag voor mij uiteindelijk bij het Libera me. Aphrodite Patoulidou bracht de sopraanpartij op een beklijvende manier. Ze zong de woorden niet alleen, ze leek ook de emotionele lading ervan volledig te doorvoelen. Daardoor kreeg haar vertolking iets persoonlijks: haar partij werd geen demonstratie van vocale virtuositeit, maar een oprechte smeekbede. Na de massale klank van koor en orkest staat hier opnieuw één menselijke stem centraal, alleen tegenover de dood. Het steeds terugkerende Libera me klinkt daardoor tegelijk wanhopig en hoopvol. Patoulidou wist die spanning overtuigend vast te houden – knap, aangezien ze de partij pas op het laatste moment had overgenomen.

Ook mezzosopraan Estelle Defalque kwam sterk uit de verf. In het Liber scriptus overtuigde ze met een expressieve stemkleur, maar vooral in Recordare kwam haar vermogen tot samenspel mooi naar voren. Haar stem mengde zich daar op natuurlijke wijze met die van Patoulidou, zonder haar eigen kleur te verliezen.

Tenor Denzil Delaere kon mij daarentegen minder overtuigen. Op sommige momenten leek hij moeite te hebben om de vocale lijn volledig stemvast te houden, terwijl ook zijn timbre mij minder aansprak.

Dohoon Lee voegde zich overtuigend in het geheel. In Mors stupebit en vooral in Confutatis maledictis kon hij de krachtige kant van zijn stem laten horen. In Salva me kreeg zijn klank een andere functie: ze vormde een stevige basis voor de andere stemmen, die daardoor ruimte kregen voor een meer intieme en hoopvolle klank. Dat Lee deze veeleisende baspartij op het laatste moment overnam, maakt zijn overtuigende bijdrage des te opmerkelijker.

Na het indringende slot verlang je naar een moment van rust en reflectie. Des te jammer was het dat een deel van het publiek vrijwel onmiddellijk na de laatste noot begon te applaudisseren. Verdi laat het Libera me niet eindigen in een triomfantelijke overwinning. De muziek trekt zich juist terug in een stilte die bijna tastbaar wordt. Na zo'n uitvoering zijn enkele seconden stilte eigenlijk niet te veel gevraagd. Niet omdat applaus ongepast zou zijn, maar omdat de laatste noot niet als een einde aanvoelt. 

Tussen angst en stilte

De kracht van deze uitvoering lag in de manier waarop de massale klank en de menselijke stem voortdurend naast elkaar konden bestaan. De honderd koorstemmen, de vier solisten, het orkest en de grote dramatische uitbarstingen konden indrukwekkend en soms overdonderend zijn, maar Ono verloor de menselijke schaal nergens uit het oog. Tussen de massa bleef steeds de individuele stem hoorbaar: iemand die vreest, smeekt en verlangt naar verlossing.

Verdi geeft daarop geen eenvoudig antwoord. Misschien hoeft dat ook niet. De religieuze beelden van zijn Requiem mogen door de tijd heen anders zijn gaan spreken; de menselijke vragen die eronder liggen, zijn gebleven.

Details

Wie
Brussels Philharmonic, het Vlaams Radiokoor en het Octopus Symfonisch Koor o.l.v. Kazushi Ono met Aphrodite Patoulidou, sopraan, Estelle Defalque, mezzosopraan, Denzil Delaere, tenor, en Dohoon Lee, bas
Waar
Flagey, Elsene
Wanneer gezien
26 september 2026
Brussels Philharmonic
Website
Foto credentials
Maryan Sayd
Deel dit artikel
NL