Dries Tack en de klarinet (her)uitgevonden

Klarinettist Dries Tack speelt in verscheidene hedendaagse muziekensembles: Odysseia Ensemble, Nadar Ensemble, Curious Chamber Players en STYX. Afgelopen maand bracht hij zijn eerste soloalbum uit. Adjacent Spaces verkent de nieuwe klankmogelijkheden van de klarinet aan de hand van zes componisten. Elk met een unieke stijl en een unieke klank brengen ze een ander klankaspect naar de voorgrond.

Doorheen de jaren heen bouw je als muzikant een oeuvre uit. Waren er bepaalde werken waarvan je ze echt een plaatsje op de cd wou geven?

Het is inderdaad doorheen de jaren heen gegroeid. In ensemble verband kwam ik ook solostukken tegen en bij sommige stukken heb je gewoon een klik. Langzaam begon het idee van een cd te groeien en dankzij de pandemie — waardoor we niet meer konden samenspelen — is een soloalbum naar de voorgrond gekomen.

Eerst had ik het idee van alles zelf te doen: zelf opnemen, zelf editen, zelf spelen. Maar na opnamelessen en een paar pogingen bleek dat toch niet zo makkelijk. Je hebt er toch meer materiaal en ervaring voor nodig dan eerst gedacht. Dus heb ik daarvoor hulp ingeroepen.

De stukken zelf, vele kende ik al. Maar daarnaast heb ik ook componisten gecontacteerd om voor dit project een compositie te schrijven. Dat zijn de werken van Stefan Prins (°1979) en Michael Maierhof (°1956). In de vroege lente van 2020 had ik Michael gecontacteerd of hij iets wou schrijven en hij mailde me meteen terug: “het is al af”. Hij vond het zo’n geweldig idee dat hij meteen begon te componeren. De compositie van Stefan heeft wat langer op zich laten wachten aangezien hij op dat moment nog aan een commissie aan het werken was.

Is er een rode draad doorheen het programma?

De cd opent met een werk van Salvatore Sciarrino (°1947). Dat is een klassieker in het hedendaags klarinetrepertoire. Het is ook een van mijn favoriete werken. Vaak speel ik het als opwarming voor ik andere dingen instudeer. Het is een van de eerste klarinetwerken waarin geen enkele normale noot gebruikt wordt. Het gaat volledig weg van de normale manier van spelen. En dat werd dan ook het uitgangspunt van dit album.

Let me die before I wake (1982) is gebaseerd op het gelijknamige boek van Derek Humphry. Het is een boek over euthanasie en fysiek afzien. Sciarrino verklankt dit door klanken met weerstand te creëren. Esthetisch is dit zeer prachtig.

In het programmaboekje staat dat je voor de opname van dit werk opzoek ging naar een specifieke klarinet.

Het werk is oorspronkelijk geschreven voor de Voll-Böhm klarinet — een instrument dat een halve toon lager kan spelen dan de gewone Besklarinet. In de jaren 1870 hebben ze geprobeerd om deze klarinet de nieuwe standaard te maken maar na ongeveer 100 jaar raakte ze uit circulatie. Nu worden deze niet meer standaard gemaakt en zijn ze nog maar bij een aantal kleine ateliers te verkrijgen.

Zelf heb ik een heel goede Voll-Böhm klarinet liggen maar voor dit stuk vond ik die te goed. Hij speelde te makkelijk. Het idee van Let me die before I wake is om weerstand te creëren. Dus dat sloot niet aan bij het concept. Ik heb toevallig een leerling gehad die met zo’n instrument naar de les kwam. Dan heb ik gevraagd of ik zijn instrument mocht gebruiken en op dat instrument heb ik uiteindelijk de opname gemaakt. Om op die manier de grens op te zoeken van het fysieke.

Bij het stuk vermeldt de componist een gedicht waarin staat dat de nacht het meest vruchtbaar is voor gedachten. Dus hebben we dit werk ’s nachts opgenomen. Ook met het idee dat er geen lawaai zou zijn. Maar dat draaide anders uit. We hebben de opname gemaakt in de kapel in Asse en die ligt langs de baan naar het industriepark in Mollem. ’s Nachts was de bevoorrading van de industrie en waren er de hele tijd vrachtwagens die voorbij reden. De hele grond daverde. En dan klonk het: “Dat was een goede take maar er was een vrachtwagen. Doe nog maar eens opnieuw.”

We zijn om 23 uur begonnen met opnemen en gestopt om 4 uur. Want ik was op en dat hoor je ook doorheen het stuk. Er kruipt een vermoeidheid in. Achteraf gezien ben ik daar blij mee want dat past volledig bij de boodschap van de compositie. Het is een echte lijdensweg geworden.

Net zoals ziekte gepaard gaat met lijden, was deze opname ook afzien.

Ja, en ook de traditionele klarinetklank sterft in dit werk. Tegelijkertijd wordt ze opnieuw geboren op een andere manier. Met nieuwe speeltechnieken en nieuwe timbres om te verkennen. Dat werd dan de rode draad doorheen het album.

Het volgende werk biedt een groot contrast. Sciarrino balanceert op de rand van het hoorbare. Het is zeer stil. Op de cd wordt de dynamiek natuurlijk gelijk getrokken. Maar het volgende stuk refLEction refRAction difFRAction (2016/2019) van Hunjoo Jung (°1982) is normaal zeer luid en in-your-face.

Met Hunjoo heb ik al regelmatig samengewerkt. We zijn ook goed bevriend met elkaar. Hunjoo heeft tijdens zijn legerplicht in Zuid-Korea heel wat meegemaakt en dat verwerkt hij ook in zijn muziek. Hij heeft een heel aparte een typerende muzikale taal gecreëerd.

Terwijl ik basklarinet speel, wordt mijn klank opgenomen en gaat die rechtstreeks naar zijn computer. In real time codeert Hunjoo de software om mijn klank te veranderen. Bij een live uitvoering zie je hem stevig wegtypen op zijn computer.

Jung was dus bij de opname aanwezig?

Ja, hij speelt eigenlijk mee. Het is kamermuziek. Als ik een klank speel die hij interessant vindt, pakt hij die op en speelt hij die later in het stuk. En op mijn beurt ga ik dan soms zijn klank imiteren. Je weet niet meer welke klanken van mij komen en welke van hem.

Elke uitvoering is dus uniek want alles gebeurt in het moment zelf.

Hij heeft wel een basis gemaakt. Het is geen vrije improvisatie. Er is een partituur met een afgebakende structuur aan de hand van modules die ik kan combineren. Binnen de modules is er veel vrijheid maar parameters als dynamiek of bepaalde klanken zijn vastgelegd. Het is bijna co-componeren. Het is een volledige andere manier van samenwerken.

Na het werk van Jung volgt een interessante spiegeling die het midden van de cd inneemt. In de compositie Splitting 47 (2020) van Michael Maierhof speel je enkel met het mondstuk. Terwijl in het werk dat volgt, een herwerkte versie van SplitRudder (2016/2019) van Malin Bång (°1974) waarbij exact het omgekeerde gebeurt en je enkel het lichaam gebruikt. Heel interessant om deze twee composities back to back als midden van de cd in te delen.

Het derde werk is een van de composities die speciaal voor dit project geschreven werd. Michael zijn stuk maakt enkel gebruik van het mondstuk en de hals. Vaak maakt Michael zijn eigen preparaties en ook hier heeft hij dat gedaan. Hij werkt met plastieken bekertjes waarop nagels zijn gelijmd. Daarnaast gaf hij mij een glazen bol op een stok (zoals een toverstaf) en ik gebruik ook een stemvork. Via het mondstuk blaas ik in de bekertjes waardoor die beginnen mee te resoneren. Dus naast de basisklank van de klarinet is er ook nog een tweede klankbron.

Michael heeft lang geëxperimenteerd met de klanken die hij wou creëren. Hij heeft verschillende soorten bekertjes uitgetest op hun resonerende kwaliteiten. Ook stuurde hij er verschillende op om te zien hoe anders ze reageerden op mijn manier van spelen.

De manier waarop Michael componeert, is volledig het tegenovergestelde van Hunjoo. Michael stuurde me geen partituur maar een wave-grafiek met de geluidsgolven. Die was samengesteld uit zijn eigen opgenomen improvisaties die hij dan aan elkaar geknipt en geplakt had. De opname die hij stuurt moet je dan zo goed mogelijk proberen na doen. Je neemt dan jezelf op en vergelijkt met de opname die hij doorstuurde.

Het is bijna conceptueel. Identiek kan natuurlijk nooit want je zit in een andere ruimte, gebruikt een andere micro, ect. Eerst probeerde ik zo dicht mogelijk te evenaren maar daar zijn we dan toch vanaf gestapt. Uiteindelijk werd de partituur een videoscore met een soort van karaokelijn. Dynamiek, timing en technieken zijn daarbij gedefineerd.

Malin is in haar componeren dan opnieuw volledig anders. Ze heeft een natuurlijke en vloeiende flow. In Split Rudder (2016/2019) neemt ze eigenlijk de identiteit van het instrument — namelijk het mondstuk — weg. Veel aandacht gaat uit naar de lucht. Je hoort een mens spelen. Op dat vlak wat gelijkaardig aan Sciarrino.

Oorspronkelijk werd het stuk geschreven voor Paetzold, een contrabas blokfluit, en is het gebaseerd op de Zweedse ballade Det var Blue Bird av Hull van Evert Taube. Malin verklankt het lied niet letterlijk maar geeft de sfeer weer van het verhaal, dat gaat over een storm op de. In deze opname hebben we de naast de energie van de luchtstroom vooral gefocust op de details in de klank, zoals de gradaties van ruis, toonhoogtes en articulaties.

Er zit eigenlijk een micro in het onderste deel van het instrument. Als je op een blaasinstrument speelt zonder de kleppen te sluiten, is de lucht bovenaan weg en bereikt die de micro niet. Als je in de laagte speelt, creëer je een klankbom.

Ook komt er een klein beetje electronica aan te pas. Dat werkt met een live looper, waarbij je fragmenten opneemt en dan later opnieuw kan afspelen. Die had ze er oorspronkelijk in geïntegreerd zodat je makkelijk blaadjes kan draaien. Dat was het basisidee, maar dat nadien is het uitgegroeid tot een volwaardig muzikaal element.

En hoe verliep de interactie met de componiste om de versie voor basklarinet te creëren?

Ik ken Malin zeer goed. Zij heeft een groep in Zweden, de Curious Chamber Players, waarbij ik ook speel. Tijdens een portrait concert van haar werd Split Rudder gespeeld op Paetzold. Ik vond dat stuk zo geweldig dat ik haar vroeg of ze een versie voor basklarinet wou maken. En dan hebben we samen geëxperimenteerd om de technieken van de Paetzold blokfluit te vertalen naar klarinet. Het is een stuk dat ik ondertussen al vaker gespeeld heb.

World Première of Stefan Prins' piece for bass clarinet solo, Inhibition Space #2 -Gaida Festival Vilnius

Na Split Ruddervolgt opnieuw een volledig andere klankwereld met Inhibition Space #2 (2021) van Stefan Prins.

Stefan had al een stuk Inhibition Space #1 (2020) voor een trio van basklarinet, basfluit en bashobo. Daarbij heeft iedere muzikant een microfoon in het instrument en een luidspreker naast zich. Daardoor creëer je feedback die (gelukkig) eerst door een computer gaat zodat het onder controle blijft. Ik vond dat een heel leuk stuk en had Stefan erover aangesproken. Hij zei dat hij er een serie van wou maken, waaronder ook een versie voor basklarinet solo. Aangezien ik met het idee van de cd zat, heb ik hem gevraagd of hij die versie eerst wou schrijven.

Op dat moment was Stefan nog druk bezig met zijn concerto voor elektrische gitaar maar ik kon niet wachten en begon al te experimenteren met het concept.

Het oorspronkelijke idee was één micro en één speaker maar dat vond ik wat weinig. Dus het werden twee micro’s en twee speakers. Zo kon er een micro hoog en een laag in het instrument, met steeds de speakers op dezelfde hoogte en naar elkaar gericht. Zo beinvloedt de ene feedbackgroep de andere. Het creëert een soort van ecosysteem waarbij de minste beweging een reactie uitlokt. Het is een butterfly-effect. Zelfs een drukverandering van mijn vingers op de kleppen brengt een verandering van klank teweeg. Je kan bijna niet bewegen zonder een klank te genereren.

Nadat ik het instrument had gebouwd, experimenteerde ik met bewegingen en handelingen. Stefan zei dan wat hij interessant vond en pushte me in andere richtingen. Op basis daarvan kwam de partituur tot stand. Net voor de creatie maakte Stefan in backstage  een eerste partituur. Die bestond uit tekeningen met de handelingen die we hadden afgesproken.

Het laatste werk is opnieuw van een Zuid-Koreaanse componist. Je eindigt de cd met AS LONG AS you LOVE ME (2014/2015) van Ui-Kyung Lee (°1984).

Het is geheel toevallig dat er twee Koreaanse componisten op deze cd aan bod komen. Ik wou dit werk absoluut op de cd omdat daarmee de cirkel eigenlijk rond is. Het instrument wordt hier volledig uit elkaar gehaald. Het werk bestaat uit zes delen waarbij ieder deel op een ander stuk van de klarinet wordt gespeeld. Het begint op het tonnetje en eindigt in het laatste deel zelfs zonder instrument. Het deel op het tonnetje doet wat denken aan Helmut Lachenmann.

Het klinkt inderdaad als de speelse en humoristische stijl die Lachenmann zo typeert. Maar als je dan de tekst in het programmaboekje leest, schuilt er eigenlijk wel een serieuze en politieke betekenis achter.

Dat is wat moeilijk te zeggen aangezien de taalbarrière bij deze samenwerking meespeelde. Ik spreek geen Koreaans een Ui-Kyung spreekt weinig Engels. Aan de hand van zijn uitleg leek het daarover te gaan maar ik ben zelf ook niet volledig zeker.

Het werk werd oorspronkelijk geschreven voor klarinet en keyboard. Op het album is het een versie voor klarinet en tape waarbij geluiden en samples in stereo vanaf een computer worden afgespeeld. Zo klinken in het laatste deel zonder instrument geluiden van kusjes en visgeluiden — dezelfde geluiden die ik op dat moment ook maak. Het is een dialoog tussen mens en machine.

Dit werk is eigenlijk een gebalde versie van het wegdrijven van de traditionele klarinetklanken.

Inderdaad. Het begint zoals gezegd op het tonnetje. Ook het tweede deel bevat nog klarinetklanken vanwege het mondstuk. Vanaf het derde deel is de traditionele klank volledig weg. In dit deel is het middendeel van het instrument vastgemaakt tussen twee bankschroeven en bespeel je de kleppen als een typist. In ieder deel ga je eigenlijk steeds een stapje verder weg. Het eindigt in het humoristische laatste deel waarbij ik volledig zonder instrument speel maar in plaats daarvan maak ik speelse en kinderlijke geluiden met mijn mond. En juist deze reductie tot een schijnbaar banaal, maar idiosyncratisch materiaal met een positieve connotatie kan de ruimte scheppen voor het ontstaan van nieuwe ideeën.

Elk werk op deze cd is getypeerd door een volledig andere klankwereld en volledig ander compositieproces.

Dat is het interessante aan het hedendaagse compositieproces. Iedere componist heeft zijn of haar eigen methode wat leidt tot een uniek klankresultaat dat net hun zo typeert. Michael Maierhof die alles opneemt of Hunjoo Jung die live codeert: twee extremen met alles daartussen. Dat was ook de opzet van de cd. Het zijn allemaal aparte ruimtes. Het zijn allemaal Adjacent Spaces.

WIE: Dries Tack [klarinet, basklarinet]

WAT: Adjacent Spaces

UITGAVEN: Orlando Records OR0046

BESTELLEN: JPC

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in:

Laatste berichten