Zum Inhalt springen
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Nachrichten

Hyunkun Cho en Bachs Zes Suites: "De muziek moet haar grijstinten behouden"

W
· 8 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Hyunkun Cho en Bachs Zes Suites: "De muziek moet haar grijstinten behouden"

Wanneer de Zuid-Koreaanse musicus Hyunkun Cho in het Koreaans Cultureel Centrum in Brussel Bachs zes Suites voor cello solo speelt, brengt hij bijna zeventien jaar Europese ervaring samen met een muzikaal pad dat begon bij het luisteren naar opnames van gambamuziek. Daarom gingen we met hem in gesprek over historische uitvoeringspraktijk, de vijfsnarige cello en waarom deze suites voor hem eigenlijk geen dansmuziek zijn.

Van Korea naar de barokcello

"Ik ben cello beginnen spelen omdat ik van muziek hou; de cello is een van de instrumenten waarmee ik mezelf muzikaal uitdruk," vertelt Cho. Het is een onderscheid dat voor hem essentieel is: hij noemt zichzelf liever musicus dan cellist of historische speler. Hij speelt graag barokmuziek en historische muziek, maar voelt zich ook aangetrokken tot het klassieke repertoire. Die houding tekent zijn hele traject – van Korea, waar geen leraren oude muziek te vinden waren, naar Berlijn, Barcelona en Genève. In Berlijn leerde hij de historische speelwijze kennen aan de hand van achttiende-eeuwse traktaten; in Barcelona – een "smeltkroes" van docenten uit Frankrijk, Argentinië, Italië en Duitsland – vond hij een grotere vrijheid. Daar ontmoette hij ook Pedro Memelsdorf, geen cellist, maar iemand die zijn manier van muziek begrijpen fundamenteel veranderde: "Voordien speelde ik een beetje op instinct, op zoek naar wat goed klonk of goed voelde. Nadien ging ik veel meer letten op wat er werkelijk op de partituur stond: cadensen, tonaliteiten – alles wat de muzikale structuur vormt."

Cho's ontdekking van de oude muziek verliep via de omweg van de cd-collectie van zijn broer, vol opnames van muziek met viola da gamba. Op zijn vijftiende begon hij moderne cello te spelen, met als doel ooit gamba te kunnen spelen. Toen hij uiteindelijk zowel barokcello als gamba uitprobeerde, koos hij voor de cello: "De kracht van oude muziek is dat historische kennis de muziek een andere kleur geeft. Oude muziek kent veel opvattingen, en je moet het grijze respecteren, niet enkel zwart-wit spelen. Er is geen enkele juiste manier om oude muziek te spelen." Op de moderne cello lag de nadruk voor hem vooral op techniek, met maar weinig ruimte om interpretatie en muzikale structuur te leren begrijpen – de barokwereld is voor hem net het tegenovergestelde. Al voordat hij zelf cello speelde, genoot Cho van contrapunt, van fuga's en van het verschil tussen Franse en Italiaanse barokmuziek: "Barokcello spelen gaat niet alleen over het bespelen van het instrument; je moet ook de muziek zelf leren kennen."

Bach en de zes suites

Zijn eerste kennismaking met Bachs Suites was, zoals voor zovelen, de opname van Pau Casals: "Het preludium van de eerste Suite was eenvoudig en mooi, en het gaf me het gevoel dat ik in de hemel was. Die eerste luisterervaring ben ik nooit vergeten." Naarmate zijn kennis van Bachs compositorische structuur groeide, groeide ook zijn besef dat er bij elke uitvoering nog iets te verbeteren valt.

De zes suites vormen voor Cho geen homogeen geheel, maar zes werelden met een eigen tonaliteit en compositietechniek. Het preludium van de eerste Suite bouwt op regelmatige arpeggio's, dat van de tweede is juist volledig onregelmatig – verschillen die vooral in de partituur zelf zichtbaar zijn. Bijzondere aandacht gaat naar de Zesde Suite, die Cho bij voorkeur speelt volgens het manuscript van Anna Magdalena Bach, waarin uitdrukkelijk sprake is van vijf snaren (do, sol, re, la, mi). Regelmatig speelt hij de Suite dan ook op een vijfsnarige cello; soms transponeert hij ze van D naar G groot om ze toch op vier snaren uit te voeren. Over de gangbare praktijk om de Zesde Suite op een moderne viersnarige cello in de oorspronkelijke toonsoort te spelen, heeft hij zijn twijfels: "Dat wordt dan technischer, een beetje zoals Paganini-muziek. Bach gebruikte de vijf snaren functioneel, om verschillende resonanties te bereiken. Met vier snaren is dat niet genoeg – het doodt eigenlijk alle resonantie."

Wat Cho onder de noten zoekt, is ook wat hij als een kenmerk van Bachs componeren ziet: telkens de mogelijkheden van een instrument ten volle onderzoeken. "Ik denk dat deze suites zoveel mogelijkheden hebben geopend om muziek op een functionele manier uit te drukken. Er is niet slechts één manier om ze te spelen." Voor hij speelt, analyseert Cho de composities steeds grondig – al is hij zelden helemaal tevreden met het resultaat: "Maar net dat maakt me enthousiast om te blijven leren en verder te gaan met zijn meesterwerk." Hoewel de suites zijn opgebouwd uit dansvormen – allemande, courante, sarabande, menuet, bourrée, gigue – waarschuwt hij voor een te letterlijke lezing: "Deze suites waren niet bedoeld om op te dansen. Het was een trend van die tijd om de dansstructuur, het ritme en het tempo over te nemen. Maar het is geen dansmuziek, dus tempo en ritme krijgen meer vrijheid."

Eén avond, zes stations

Een volledige uitvoering van alle zes suites – op een barokcello zonder pin en met darmsnaren – vergt fysiek en mentaal het uiterste. Toch beschrijft Cho het proces paradoxaal: "Het plezier blokkeert de pijn; tijdens het spelen van alle zes suites voel ik me nauwelijks moe, net zoals tijdens het oefenen. Pas na het concert, zoals na een repetitie, voel ik alle vermoeidheid die zo'n concert van me vraagt."

De avond associeert hij met Biber, al benadrukt hij dat hij daarvoor geen historische aanwijzingen heeft. Hij denkt bij de Rosenkranzmysterien aan zes stations, elk met een eigen karakter, begin en einde. Het is voor hem als een boek met zes hoofdstukken, waarvan je er vier leest, vervolgens rust en daarna de laatste twee leest.

Het alleen staan op het podium, zonder orkest of andere musicus om op te reageren, ervaart hij als een vorm van meditatie of gebed: "Het leert me niet te geloven in absolute waarheden, in goed of fout. Het is uitdagend, en het is oké om fouten te maken, want tot mijn dood zal ik altijd iets vinden om te verbeteren, en zo'n uitvoering brengt me in een gemoedstoestand waarin ik besef hoe ik mijn volgende uitvoering van de Zes Suites kan verbeteren." Wat rest na de Zesde Suite is voor hem een mengeling van alles tegelijk: "Uitputting, opluchting... en het maakt je levendig. Tegelijk weet je dat je de volgende keer beter zal zijn, omdat je alles meeneemt wat je op deze zesdelige reis hebt meegemaakt en geleerd."

Tussen historie en de luisteraar

Historische informatie is voor Cho geen dogma, maar een gesprek tussen verleden en heden: "Dertig jaar geleden speelden veel uitvoerders van oude muziek heel anders dan nu. Muziek blijft meebewegen met trends – niet enkel met wat we leren over het verleden, maar ook met hoe ons hedendaags muzikaal instinct vorm geeft aan ons begrip van muziek die driehonderd jaar geleden werd gecomponeerd." Darmsnaren, stelt hij, zijn gevoeliger dan stalen snaren en laten een breder kleurenpalet toe; de barokboog is "analoger" – aanvankelijk lastiger, maar uiteindelijk beter geschikt om muzikaal te "spreken." Een mooie klank alleen volstaat niet voor Bach: "We hebben meer filosofie nodig, meer menselijkheid – vele domeinen die uiteindelijk bijdragen aan de klank die we uiteindelijk bereiken."

Die jarenlange omgang met Bach heeft ook zijn kijk op andere muziek veranderd. Hij let niet alleen op de muzikale details, maar vooral op de houding en intentie achter een compositie: "Bach was altijd oprecht in zijn werk, en het is onze verantwoordelijkheid om zijn boodschap te proberen te begrijpen – en die van andere componisten evengoed. Het betekent dat we, wanneer we met partituren bezig zijn, niet enkel bedoeld zijn om alles correct te spelen. We moeten veel meer nadenken en verbeelden om te zien wat er voorbij de geschreven noten ligt."

Het concert vond plaats in het Koreaans Cultureel Centrum in Brussel en bracht verschillende lagen van Cho's muzikale identiteit samen: zijn Koreaanse achtergrond, bijna zeventien jaar leven in Europa en de muziek van Bach. Na al die jaren beseft hij vooral hoe zijn eigen identiteit als fundament dient: "Ik draag tradities van mijn moederland mee, en ik denk dat je die kan opmerken wanneer je met me praat, in mijn gedrag en soms zelfs in mijn muziek. Ze vormen mijn fundament, en dat fundament voegt iets toe aan mijn werk als musicus." Zijn ervaringen in verschillende Europese landen maken daar eveneens deel van uit: "In mijn uitvoeringen kan je horen hoe ik gewerkt heb en wat ik heb ervaren."

Voor het publiek hoopte hij op een reis die niet vrijblijvend was: "Het is een lang repertoire, en het zal ook vermoeiend zijn voor het publiek, niet alleen voor mij. Maar ik geloof dat het ons ook leert hoe we ons leven moeten leiden. Het leven is niet gemakkelijk."

Details

Diesen Artikel teilen
DE