Sommige live-opnamen doen je vooral beseffen dat je bij het concert aanwezig had willen zijn. Deze opname van de Zesde Symfonie van Gustav Mahler (1860-1911) is er zo een. Het Orchestre Philharmonique de Liège is hier niet altijd technisch onberispelijk, maar wat het onder de gedreven leiding van Carlos Païta neerzet, is buitengewoon. Het orkest botst af en toe tegen zijn grenzen aan, maar de intensiteit van de uitvoering en de concentratie waarmee Païta de symfonie opbouwt, maken van deze live-opname een ervaring die je moeilijk naast je neerlegt.
Ook de opnamekwaliteit mag daarbij worden genoemd. Voor een live-registratie uit 1997 klinkt het geluid verrassend helder. De orkestgroepen blijven goed van elkaar te onderscheiden en ook de fijnere details blijven hoorbaar, terwijl de directe spanning van het concert behouden blijft.
Vanaf de eerste maten kiest Païta voor een uitgesproken aanpak. Hij zoekt niet naar een gladgestreken Mahler, maar naar contrasten die de muziek voortdurend onder spanning houden: energiek tegenover beschouwend, vinnig tegenover verstild, idyllisch tegenover dreigend. Daardoor blijft de aandacht gedurende de hele symfonie intact.
Onder hoogspanning
De eerste beweging begint met een stuwkracht die je maar zelden hoort. ‘Energico’ staat er niet voor niets, maar Païta maakt van die aanduiding meteen een fysieke ervaring. Het tempo is stevig en wordt consequent aangehouden. De muziek klinkt heftig en markant, zonder dat de details onder die energie verdwijnen. Wanneer de meer lyrische passages zich aandienen, neemt Païta wel degelijk tijd om de muziek te laten reflecteren. Maar de dreiging blijft aanwezig en wordt soms al door de pauken aangekondigd. Dat maakt de terugkeer naar de energieke hoofdgedachte des te krachtiger.
Opvallend is ook zijn behandeling van hout en koper. Die worden niet voortdurend als middelen voor orkestrale bombast ingezet. Zelfs in de monumentale passages blijft er aandacht voor de afzonderlijke kleuren. Ook de koeienbellen krijgen hun plaats binnen het muzikale geheel. In de passage met de koeienbellen kiest Païta bovendien voor een opvallend ruim tempo, maar juist daardoor ontstaat een sterk contrast met de onstuimigheid van het overige materiaal. De grote opbouw naar het hoofdthema werkt bijzonder overtuigend. Het koper heeft het daarbij niet altijd gemakkelijk, maar de dramatische lijn wordt er niet door gebroken.
Alsof er toch nog hoop is
Het Scherzo begint snel, scherp geaccentueerd en vinnig. Onder die beweeglijkheid zit een venijnige ondertoon. Wanneer Païta vervolgens gas terugneemt, krijgen houtblazers en strijkers ruimte voor een speels moment van verstilling. Het contrast is groot, soms zelfs extreem. Juist daardoor wordt de tragiek van de symfonie voelbaar: de momenten van rust bieden geen echte uitweg, maar vormen slechts tijdelijke onderbrekingen van de onderliggende dreiging. De muziek lijkt vervolgens bijna idyllisch te kunnen eindigen, maar die indruk blijkt bedrieglijk. Wat overblijft, is eerder een gevoel van ontgoocheling dan van bevrijding.
Betrekkelijk vlot begint het Andante vlot in de strijkers, maar wordt geleidelijk beschouwender zonder dat het tempo echt stilvalt. In de ijlere strijkerspassages is de klank soms wat scherp, maar wanneer houtblazers en later de hoorns meer ruimte krijgen, verandert de sfeer. Païta vertraagt hier en laat de strijkers een bredere onderlaag ontwikkelen. Het levert een moment van grote verstilling op. Het hout klinkt vervolgens bijna hemels idyllisch, alsof er in deze donkere symfonie toch nog een vorm van hoop mogelijk is.
Maar ook hier blijft Païta de dramaturgische lijn bewaken. De rust krijgt geen definitief karakter. Langzaam bouwt hij opnieuw spanning op, onder meer richting de koeienbellen. Daardoor wordt het Andante geen losstaand lyrisch intermezzo, maar een wezenlijk onderdeel van de tragische ontwikkeling. De volgorde van Scherzo en Andante werkt in deze uitvoering trouwens uitstekend. Na de extreme nervositeit van het Scherzo ontstaat ruimte voor verstilling, en juist daardoor krijgt de tragiek nog meer reliëf.
Geen ontsnapping mogelijk
De finale begint opmerkelijk gematigd. Païta bouwt de spanning gestaag op en forceert het drama niet vanaf de eerste maat. Geleidelijk wordt de beweging sneller en neemt ook het contrast toe. Hier werkt hij nadrukkelijk met uitersten, van ppp tot fff. Er zijn momenten waarop de muziek heel even ruimte lijkt te bieden om adem te halen, maar Païta geeft de luisteraar daar nauwelijks tijd voor. De spanning wordt telkens opnieuw opgevoerd. Je wordt als het ware de finale ingetrokken.
Dat maakt ook de drie hamerslagen zo effectief. Païta kiest hier, net als onder anderen Leonard Bernstein, voor de versie waarin de later geschrapte derde slag opnieuw klinkt. Mahler had die derde slag na de eerste uitvoeringen uit de partituur verwijderd. Over zijn precieze motieven daarvoor bestaat discussie; de vaak vertelde verklaring dat bijgeloof over het noodlot daarbij een rol speelde, gaat terug op latere herinneringen van Alma Mahler. In deze uitvoering werkt het drietal in elk geval als een krachtig dramatisch element. Païta heeft de spanning zo ver opgedreven dat de slagen als fysieke breuken in de muzikale ontwikkeling binnenkomen.
Wanneer de finale uiteindelijk achter de rug is, blijf je even platgeslagen in je stoel zitten.
Wat was dit voor een eenmalig concert?
Een uitgesproken eigen karakter
Païta behandelt Mahler radicaal anders dan Haitink, Bertini en Boulez – voor mij drie heel verschillende referentiepunten in deze symfonie. Waar hun uitvoeringen elk op hun eigen manier naar evenwicht zoeken, kiest Païta resoluut voor contrast, vaart en dramatische spanning. Dat levert geen technisch volmaakte uitvoering op. Toch zou het te gemakkelijk zijn om deze opname vanuit die beperkingen te beoordelen. Wat hier telt, is de intensiteit waarmee Païta de muziek van begin tot einde onder spanning houdt.
Na drie luisterbeurten blijven nieuwe details en ideeën opduiken: de extreme contrasten, de onverwacht ruime tempi in bepaalde passages en de manier waarop lyrische momenten telkens opnieuw door dreiging worden ingehaald. Païta laat de symfonie geen moment vrijblijvend klinken en maakt dat je haar opnieuw wilt horen. Juist daarin schuilt de overtuigingskracht van deze interpretatie.
De historische context geeft de opname bovendien een bijzondere lading. Het concert in Luik vond plaats in 1997 en bleek het allerlaatste concert van Carlos Païta te zijn. Kort voor het optreden had hij tegenover zijn zoon Alexandre uitgesproken dat hij hoopte dat het niet zijn laatste zou worden. Op het laatste moment maakte Païta bovendien bezwaar tegen de radio-uitzending en opname van het concert en dreigde hij het optreden zelfs af te gelasten. Pas na tussenkomst van zijn zoon stemde hij ermee in het concert toch te laten doorgaan en vast te leggen.
Achteraf krijgt die wetenschap bijna iets onheilspellends. De Zesde van Mahler, met haar onontkoombare tragiek en de drie verpletterende hamerslagen in deze uitvoering, kreeg zo ongewild het karakter van Païta’s muzikale testament. Die wetenschap maakt de directe, soms rauwe intensiteit van deze live-registratie nog indringender. Maar ze is niet nodig om de opname haar kracht te laten behouden: ook los van die historische context blijft dit een uitvoering die zich met grote overtuigingskracht aan je opdringt.
Deze opname is daarmee meer dan een historisch document. Païta maakt van Mahlers Zesde een uitgesproken, compromisloze ervaring die nergens probeert de tragiek van de muziek te verzachten. Soms is zijn lezing rauw en technisch niet volmaakt, maar nergens wordt de muziek vrijblijvend. Juist die combinatie van risico, intensiteit en dramatische spanning maakt deze opname tot een van de interessantste interpretaties van Mahlers ‘Tragische’ die ik ken.