Zum Inhalt springen
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Automatisch übersetzt · Original
Rezensionen

Against the War: von Krieg zur Hoffnung auf Frieden

Festival 20.21 und Gent Festival van Vlaanderen punkten mit dieser klaren Anklage, die von I SOLISTI und CHORWERK RUHR präsentiert wird

D
· 8 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Against the War: von Krieg zur Hoffnung auf Frieden
© Björn Comhaire

Een concert over oorlog, dood en vernieling klinkt op papier niet meteen als een lichte avond. Toch was Against the War, het concert dat I SOLISTI en CHORWERK RUHR dinsdagavond brachten in het Wintercircus in Gent, verrassend toegankelijk. Het programma was mooi opgebouwd rond vrede en oorlog en bracht muziek van onder meer Hessenberg, Stravinsky, Kurt Weill, Hanns Eisler, Rudolf Mauersberger en Arnold Schönberg samen. Onder leiding van Yuval Weinberg werd het een afwisselende avond waarin muziek, tekst en beweging mooi in elkaar grepen.

De samenwerking tussen beide ensembles is daarbij niet toevallig. I SOLISTI is een Belgisch ensemble dat oorspronkelijk vanuit een blaasoctet is gegroeid en vandaag een vaste kern van een twintigtal musici heeft. Het ensemble heeft een uitgesproken focus op blaasinstrumenten, maar profileert zich tegelijk als een muziekproductiehuis dat graag de grenzen tussen concert, muziektheater en andere kunstvormen opzoekt. Dat verklaart ook meteen waarom de instrumentale passages in dit programma zo'n belangrijke en kleurrijke rol kregen.

CHORWERK RUHR bestaat dan weer sinds 1999 en behoort tot de belangrijke Duitse kamerkoren. Het ensemble bouwde een reputatie op met repertoire van de oude muziek tot de hedendaagse muziek en heeft zich de voorbije jaren sterk toegelegd op nieuwe muziek. Het koor staat er bovendien om bekend zowel solistische bezettingen als een volledig versmolten koorklank aan te kunnen. Dat laatste was deze avond regelmatig te horen.

Het concert begon met O Herr, mache mich zum Werkzeug deines Friedens van Kurt Hessenberg naar Franciscus van Assisi. De eerste klanken van het koor waren meteen raak. De sopranen en alten klonken teder en vol, met daaronder een gedragen bas en tenor. Het geheel had iets opvallend zonnigs. In het Wintercircus had het koor zich wat verder opgesteld en in de donkere ruimte waren vooral de kleine lichtjes van de partituren zichtbaar. Dat leverde een bijzonder mooi beeld op.

818062498_18627982021006895_7904830484178290950_nVanuit die vredige opening ging het programma naar L'Histoire du soldat van Igor Stravinsky. Dat was voor mij een van de verrassingen van de avond. Ik ken Stravinsky vanuit de koorwereld maar ben heel wat minder op de hoogte van zijn instrumentale muziek: deze uitvoering smaakte duidelijk naar meer. Het werk zat vol kleur, was speels en verbeeldend en werd bijzonder interactief gebracht. De drie solisten zochten duidelijk contact met elkaar én met het publiek. Ondanks het onderwerp zat er zelfs af en toe wat humor in.

Het derde deel van de avond bracht ons bij Hanns Eisler en Kurt Weill. Hier werd de tekst steeds belangrijker. Lore Binon bracht de vocale partij in de Römische Kantate van Eisler bijzonder overtuigend. Ze zong gedragen en soms bijna reciterend, waardoor de tekst heel nadrukkelijk naar voren kwam.

De Römische Kantate, opus 60, is trouwens een interessant werk om binnen dit programma te plaatsen. Eisler schreef het in ballingschap en baseerde de tekst op werk van de Italiaanse schrijver Ignazio Silone. De kantate bestaat uit vier korte delen, met titels als Das große Rom, Der Gestank, Woher kommt er? en Die Angst. De bezetting is opvallend klein: één zangstem met twee klarinetten, altviool en cello. Het is dus geen groot koorwerk, maar eerder een scherp en geconcentreerd muzikaal verhaal. Het beeld van Rome en vooral van de stank die niemand precies lijkt te kunnen verklaren, krijgt bij Eisler een duidelijke politieke lading.

En daar zit voor mij meteen een klein aandachtspunt. Ik miste een vertaling. Mijn Duits is voldoende om een deel van de tekst te begrijpen, maar bij deze muziek gaat het om veel tekst en vaak ook om complexe inhoud. Een deel is mij dan ook ontgaan en daarmee waarschijnlijk ook een deel van de betekenis die Eisler aan zijn werk meegaf. Hetzelfde probleem deed zich later voor bij het Berliner Requiem van Weill. Een Nederlandse vertaling in het programma of op een scherm zou hier echt een meerwaarde zijn geweest.

Los daarvan was de uitvoering van Eisler bijzonder overtuigend. De overgang naar de muziek van Weill verliep bovendien heel natuurlijk. Zu Potsdam unter den Eichen bleef bij mij hangen. Ook omdat het lied meermaals werd gebracht, telkens met een ander karakter. De eerste keer vlot en overtuigend door de dames op de tribune hoog boven ons, daarna door de mannenstemmen op een bijzonder kleurrijke manier en de derde keer was ronduit indrukwekkend. De mannen kwamen in een soort processie van achteraan naar voren terwijl ze zongen. Die eenvoudige beweging gaf het stuk meteen een extra betekenis. De combinatie met de blazers werkte bijzonder goed en toen ook de banjo en de pauken erbij kwamen, ontstond een moment dat bij mij echt voor kippenvel zorgde.

818062594_18627982081006895_2778770394526891167_nDaarna volgde Das Berliner Requiem van Kurt Weill, op teksten van Bertolt Brecht. Het is geen requiem in de klassieke, liturgische betekenis, maar een werk waarin Weill en Brecht op hun typische manier omgaan met oorlog, dood en maatschappij.

Auch hier ist der Hintergrund interessant. Weill schrieb das Werk im November und Dezember 1928, kurz nach dem enormen Erfolg der Dreigroschenoper. Es wurde ursprünglich für Tenor, Bariton, Männerchor und Blasorchester geschrieben und wurde am 22. Mai 1929 bei Radio Frankfurt uraufgeführt. Es war also buchstäblich ein Werk für die modernen Massenmedien jener Zeit. Die Gedichte von Brecht handeln außerdem von vergessenen Toten: Kriegsopfern, aber auch Opfern von Gewalt, die namenlos geblieben sind. Dadurch wird der Titel Requiem sofort deutlicher: Es geht nicht um eine liturgische Totenmesse, sondern um eine Art musikalisches Denkmal für Menschen, die sonst leicht vergessen werden.

Die Männerstimmen setzten mit dem Grosser Dankchoral sofort kraftvoll ein. Zusammen mit den Bläsern entstand ein eindrucksvoller Klang, der an manchen Stellen sogar zu Recht gewalttätig klang. Genau das brauchte die Musik. Auch die Interpretation war besonders überzeugend. Wenn es um Dunkelheit oder Kälte ging, spürte man das nicht nur im Text, sondern auch im Klang.

Die Ballade vom ertrunkenen Mädchen mit Gitarrenbegleitung brachte danach einen ganz anderen Charakter. Kleiner, intimer und beinahe zerbrechlich. Auch die Solisten in den folgenden Teilen waren fantastisch. Bei Weill dreht sich erneut vieles um den Text und das Erzählen einer Geschichte. Der Tenor und der Bariton taten dies mit großem Gespür für die Interpretation. Manchmal wurde fast gesprochen statt gesungen.

Bemerkenswert ist übrigens, dass das Berliner Requiem nach der Uraufführung kein einfaches Leben hatte. Das Werk wurde mehrmals überarbeitet, und es existieren mehrere Fassungen. Die ursprüngliche Partitur ist sogar nicht vollständig erhalten geblieben. Das macht das Werk heute noch interessanter, erklärt aber auch, warum Aufführungen nicht immer exakt dieselbe Form haben.

818261073_18627982195006895_4389097549002254712_nNach Weill folgte Wie liegt die Stadt so wüst von Rudolf Mauersberger, basierend auf den Klageliedern des Jeremia. Mauersberger schrieb das Werk 1945, nach der Zerstörung Dresdens. Die Musik ist von Trauer und Verlassenheit durchdrungen. Besonders das wiederholte Warum hat mich stark berührt.

Diese Motette war für mich eine echte Entdeckung. Der Männerchor sang sie wunderschön, ohne jemals in übertriebenes Pathos zu verfallen. Es ist ein Werk, von dem man nach dem Konzert denkt: Das möchte ich noch einmal hören.

Und dann kam Arnold Schönberg mit Friede auf Erden. Frieden auf Erden. Zusammen mit den Damen. Nach allem, was vorausging, hätte es eigentlich kein besseres Ende geben können.

Schönberg zu singen ist allerdings keine einfache Aufgabe. Man sieht die Sänger kaum schwitzen, aber man spürt den Aufwand und das Engagement. Genau deshalb muss man diese Art von Musik live erleben. Auf einer CD hört man den Klang, aber im Saal sieht man auch, was es die Sänger kostet, diesen Klang zu erzeugen.

Der Chor sang besonders dynamisch, von beinahe flüsterleise bis zu einem gewaltigen Klang. Und schließlich kommt der Gedanke des Friedens auf Erden. Nach Krieg, Gewalt, Tod und Zerstörung endet das Programm also erneut dort, wo es begonnen hat: beim Frieden.

Yuval Weinberg hielt das alles fest zusammen. Man spürt, dass er diese Musik kennt und lebt. Wo nötig dirigiert er mit großen Armbewegungen, kann aber zugleich äußerst konzentriert und intensiv arbeiten. Auch die Art, wie er den Applaus zwischen den einzelnen Teilen hinauszuzögern versuchte, passte zum Aufbau des Abends.

Der minutenlange Applaus machte unterdessen deutlich, dass das Publikum den Abend außerordentlich genossen hatte.

Krieg und Gewalt bilden den roten Faden, doch am Ende bleibt vor allem jener andere Gedanke hängen: der Frieden.

Für mich haben das Festival 20.21 und das Gent Festival van Vlaanderen mit Against the War jedenfalls ein Programm geboten, das noch eine Weile nachklingen wird. Diese Produktion ist noch zu hören in de Singel am 24. Februar '27 und danach in Bochum, Berlin und Dessau. Folgen Sie dafür unbedingt dem Festival 20.21 über Facebook oder die Website.

Details

Wer
I Solisit, Chorwerk Ruhr, Yuval Weinberg
Wo
Wintercircus, Gent
Gesehen am
22 september 2026
Bildnachweis
Björn Comhaire
Diesen Artikel teilen
DE