Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Beethoven en Brahms op het scherpst van de snede

W
· 9 min lezen
Deel dit artikel
Beethoven en Brahms op het scherpst van de snede

Sommige dirigenten zoeken in Beethoven en Brahms naar evenwicht, verfijning en een zorgvuldig opgebouwde architectuur. Carlos Païta (1932-2015) kiest een andere weg. Bij de Argentijnse dirigent moet muziek vooral leven en bewegen, met grote gebaren en uitgesproken contrasten. Toch is zijn aanpak minder eenzijdig dan zijn reputatie soms doet vermoeden. Op deze dubbel-cd met de Eerste symfonie en het Vioolconcerto van Johannes Brahms (1833-1897), naast de Vijfde en Zevende symfonie van Ludwig van Beethoven (1770-1827), horen we zowel uitgesproken dramatiek als verfijnd en zangerig musiceren. De resultaten lopen echter sterk uiteen: waar Païta in Brahms' Eerste een meeslepende spanningsboog opbouwt, halen zijn ingrepen elders de samenhang juist onderuit.

Dramatiek met gevoel voor evenwicht

Brahms’ Eerste symfonie begint bijzonder plechtig en breed. De aanhoudende paukenklop legt meteen een donkere ondertoon in de muziek. Je verwacht dat de storm na deze uitvoerige inleiding losbarst, maar Païta kiest niet voor een plotselinge uitbarsting. Zodra de muziek op gang komt, houdt hij het tempo beslist en doelgericht. Die combinatie van een brede aanpak en voortstuwing werkt verrassend goed: de muziek behoudt haar dramatische kracht zonder haar richting te verliezen.

De pauken geven het muzikale verloop extra gewicht, terwijl het koper en de houtblazers helder uit de orkestklank naar voren komen. De dynamische accenten houden de muziek voortdurend onder druk. Ook de lange aangehouden slotnoot van het eerste deel past in die aanpak: Païta laat de spanning niet zomaar verdwijnen.

Na dit dramatische openingsdeel brengt het tweede deel een welkome verandering van sfeer. De muziek krijgt een lyrische, bijna idyllische uitstraling. De warme strijkersklank en het fraaie spel van de houtblazers komen hier bijzonder goed tot hun recht. Païta laat de melodische lijnen rustig ademen, zonder dat de beweging stilvalt. Zo ontstaat een natuurlijke rust die het contrast met het eerste deel versterkt.

Het derde deel is lichtvoetiger. De muziek blijft beweeglijk en speels, met aandacht voor de kleine motieven en hun onderlinge samenhang. Het ritardando aan het einde is bijzonder geslaagd: de beweging komt geleidelijk tot rust, zonder dat Païta het effect forceert.

In de finale keert de dramatiek terug. De inleiding is uitzonderlijk breed uitgesponnen. Zelfs bij Celibidache, die passages als deze vaak bijzonder veel ruimte gaf, herinner ik me zelden zo'n ruime aanpak. Toch werkt de vertraging niet verlammend. De hoornsolo zet de toon, waarna de houtblazers de muziek verder op gang helpen. Païta laat het vuur geleidelijk oplaaien en bouwt naar een indrukwekkende climax, waarin de pauken opnieuw een belangrijke rol spelen. Na de ruim bemeten opbouw raast de muziek in de slotpassage plotseling in een veel vuriger tempo naar het einde.

Deze interpretatie toont Païta van zijn beste kant. Zijn brede tempi geven de grote muzikale lijnen alle ruimte, terwijl de orkestrale details helder blijven en de dramatische opbouw nergens haar richting verliest. Het resultaat is een meeslepende lezing die minder onstuimig klinkt dan je van deze dirigent misschien zou verwachten, maar daardoor niet minder intens is.

Niet uit de verf

Na de geslaagde Eerste symfonie valt het Vioolconcerto des te meer tegen. De orkestrale inleiding klinkt veelbelovend, maar zodra de soloviool inzet, zakt de uitvoering in elkaar. De klank van Ayla Erduran is scherp en haar intonatie laat geregeld te wensen over. Ook het orkest speelt niet altijd zuiver. De cadens, die ruimte zou moeten bieden voor persoonlijke expressie, wordt eerder een bron van onzekerheid dan een hoogtepunt. Bovendien zijn bepaalde accenten in de opname moeilijk te onderscheiden en komen de soloviool en de houtblazers niet altijd helder naar voren. De gedrevenheid die Païta in de Eerste symfonie tot een kracht maakt, kan hier de tekortkomingen niet compenseren. Ook de balans tussen soliste en orkest draagt niet bij aan een samenhangend geheel.

Het langzame deel vormt een gedeeltelijke uitzondering. De orkestrale inleiding is mooi verzorgd en brengt na het onrustige eerste deel een welkome verademing. Erduran kiest voor een bijzonder traag tempo, waarin de melodie zich slechts langzaam ontvouwt. Païta ondersteunt haar zorgvuldig en geeft de muziek alle tijd. Die ongewone benadering heeft iets intrigerends, al blijven de intonatieproblemen hoorbaar.

In de finale werkt de aanpak opnieuw tegen de muziek. De accenten zijn te zwaar aangezet, terwijl het deel juist behoefte heeft aan vaart, lichtheid en speelsheid. Zowel de soliste als het orkest vertonen onzuiverheden en aarzelingen, waardoor de samenhang geregeld verloren gaat. De uitvoering mist daardoor de bezieling die Brahms' concerto nodig heeft.

Dat deze opname uit 1985 volgens het label voor het eerst op cd verschijnt, maakt haar vanuit discografisch oogpunt interessant. Muzikaal voegt ze voor mij echter weinig toe. Ondanks enkele fraaie momenten in het orkestspel en de eigenzinnige benadering van het langzame deel wegen de tekortkomingen veel zwaarder door. Ik zou deze uitvoering dan ook niet aanraden.

Zonder dramatische noodzaak

In Beethovens Vijfde symfonie werkt Païta's aanpak veel minder goed. Hij zet het beroemde openingsmotief zwaar aan en houdt de noten lang vast, om vervolgens het daaropvolgende materiaal in hoog tempo af te werken. Wanneer het noodlotsmotief terugkeert, vertraagt hij opnieuw. Die abrupte tempowisselingen vestigen de aandacht op afzonderlijke momenten, maar smeden ze niet tot een samenhangende dramatische lijn. De interpretatie klinkt daardoor nogal ouderwets: de contrasten zijn sterk aangezet, maar missen de innerlijke noodzaak die ze overtuigingskracht zou moeten geven.

Ook de tweede beweging wordt breed opgevat. Naar het midden toe wordt de muziek vloeiender, waarbij vooral het koper en de houtblazers zich van hun mooiste kant laten horen. Païta heeft oog voor details in de orkestratie, maar de lange aangehouden noten werken vaak averechts: ze halen de vaart uit de muziek in plaats van de expressie te versterken. De nadrukkelijke inzetten van de strijkers en de overdreven vertragingen dragen bij aan het statische effect. Het fraaie orkestspel kan niet verhullen dat de beweging weinig innerlijke dynamiek ontwikkelt.

In het derde deel keert hetzelfde probleem terug. De strijkers zetten hun motieven scherp aan, waarna Païta het tempo opvoert om het vervolgens weer terug te nemen. Hij lijkt de luisteraar voortdurend op afzonderlijke details te willen wijzen, maar verliest daarbij de grote lijn uit het oog. Het koper en de houtblazers klinken opnieuw fraai, al kunnen ze niet verhinderen dat de beweging haar vaart kwijtraakt.

De overgang naar de finale begint in een verstilde sfeer, maar groeit niet uit tot de dreiging die deze passage zo bijzonder maakt. Ook in het slotdeel blijft de dramatische ontlading uit. Het orkest speelt verzorgd en Païta's wisselende tempi verraden een uitgesproken visie, maar noch het gevoel van naderend onheil, noch de uiteindelijke triomf krijgt voldoende gestalte. De vertragingen en zware accenten maken de uitvoering eerder vermoeiend dan meeslepend. Zo blijft deze symfonie steken in een opeenvolging van sterk aangezette effecten, zonder dat die uitgroeien tot een overtuigend dramatisch geheel.

Meer vaart dan nodig?

In Beethovens Zevende symfonie horen we een heel andere Païta. Het eerste deel begint verfijnd, met een ontspannen ritmische beweging en fraai spel van de houtblazers in de inleiding. De muziek klinkt zangerig en evenwichtig; de dirigent lijkt hier geen behoefte te hebben zich nadrukkelijk van andere interpretaties te onderscheiden. Na een klein rustmoment, dat de muziek even laat ademhalen voordat het feest losbarst, zet hij de beweging met overtuiging voort. Alleen de hoorns laten hier en daar een steekje vallen.

Ook het Allegretto is bijzonder geslaagd. Païta vindt een mooie balans tussen ritmische beweeglijkheid en expressieve intensiteit. De accenten zijn goed gedoseerd en de muziek blijft voortdurend in beweging, zonder te slepen of te jagen. De interpretatie is ingetogener dan je in deze beweging vaak hoort, maar juist daardoor krijgen de melodische lijnen alle ruimte. In het middendeel wordt het tempo plotseling opgedreven, terwijl de uitvoering zacht en verfijnd blijft, op weg naar een climax die nergens overdreven wordt aangezet. De houtblazers hadden daarbij iets nadrukkelijker naar voren mogen komen, al is niet uit te sluiten dat de opname hier een rol speelt.

Het derde deel is vinnig en ritmisch scherp, met veel aandacht voor de details. De verschillende stemmen blijven goed van elkaar te onderscheiden en verdrinken nergens in een massieve orkestklank. In het rustiger middendeel neemt Païta het tempo terug, waardoor een aangenaam contrast ontstaat met de uitbundige scherzodelen.

In de finale voert Païta het tempo flink op. Dat blijft aanvankelijk goed werken: de orkeststemmen klinken helder en de uitvoering behoudt haar precisie. Toch gaat het voor mij net iets te snel. De ritmische nadruk gaat overheersen en de muzikale lijn moet gedeeltelijk wijken voor de vaart. Bovendien duikt hier opnieuw een van Païta's minder geslaagde gewoonten op: het lang aanhouden van afzonderlijke noten, zoals ook in de Vijfde symfonie. Waar die ingreep in Brahms' Eerste soms bijdraagt aan de spanningsopbouw, haalt ze hier juist de vaart uit de finale. Zo besluit een overwegend geslaagde interpretatie met een deel dat mij minder bevalt.

Temperament is niet alles

Deze dubbel-cd toont zowel de aantrekkingskracht als de beperkingen van Carlos Païta's eigenzinnige aanpak. In Brahms' Eerste symfonie weet hij brede tempi en dramatiek te verenigen in een meeslepende spanningsboog. Ook Beethovens Zevende overtuigt grotendeels, dankzij het zangerige musiceren en de ritmische beheersing, al gaat Païta in de finale net iets te ver. In de Vijfde symfonie leiden zijn nadrukkelijke ingrepen daarentegen tot een opeenvolging van effecten zonder overtuigende dramatische lijn, terwijl het Vioolconcerto vooral door technische tekortkomingen teleurstelt.

De uitgave zal vooral Païta's trouwe bewonderaars aanspreken, die ook minder overtuigende bladzijden uit zijn discografie willen leren kennen. Uiteindelijk wegen de sterke momenten in Brahms' Eerste en Beethovens Zevende niet op tegen de tekortkomingen van de Vijfde symfonie en het Vioolconcerto. Païta's temperament is onmiskenbaar, maar vuur en eigenzinnigheid volstaan niet om elke interpretatie tot een overtuigend geheel te maken.

Besproken cd

Brahms Beethoven Carlos Païta

Carlos Païta, direction / Soliste Ayla, violon / National Philharmonic Orchestra of London / Philharmonic Symphony Orchestra / London Philharmonic Orchestra

Label
Le Palais des Dégustateurs · PDD040
Verschijningsdatum
21 februari 2025
Volledige fiche →
Deel dit artikel
NL