We hebben er niet meer dan een vaag beeld van: de kwaliteit van de zangers ten tijde van Bach. Wel kennen we de door de Thomascantor gehanteerde onderverdeling op grond van wat zij presteerden. Dat die prestaties in de hoogste categorie niet mis moeten zijn geweest blijkt alleen al uit de door Bach gecomponeerde motetten BWV 225-230. Wat we ook weten is dat de koorleden die daarvoor in aanmerking kwamen ook een solistische rol dienden te vervullen. De overgeleverde koorpartijen tonen dat onomstotelijk aan.
In Bach’s Roots horen we dat terug: van het twaalf stemmen tellende koor Voces Suaves is er een aantal tevens in een solistische rol te horen, wat mij dan tevens tot de voornaamste kritiek op deze uitgave brengt. Want wat vooral opvalt is het contrast tussen het bijzonder fraai klinkende vocale collectief en het minder pregnante en soms ook minder precieze solistische aandeel daarin (zoals in Georg Christoph Strattners Die Welt, das ungestüme Meer). Maar ook alsof er meer in de noten dan in de interpretatie daarvan lijkt te zijn geïnvesteerd, hetgeen dan enigszins afbreuk doet aan het spontane karakter van deze vertolkingen. De Akademie für Alte Musik Berlin (‘Akamus’) is zoals eigenlijk altijd een betrouwbare partner, al vroeg ik mij menigmaal af of het niet beter was geweest om dit project niet te laten leiden door de concertmeester, maar door aparte dirigent met meer grip op deze zeker niet eenvoudige materie.