Zu langer Erinnerung

Tabea Zimmermann: een bijwijlen ‘vingerbrekende’ snelheid stond een precieze en uiterst heldere articulatie allerminst in de weg.

Piano, klarinet en altviool: het is een zeldzame combinatie, maar dat maakt haar ook zo bijzonder. Net als dit concert in de Handelsbeurs dus. Dénes Várjon, Jörg Widmann en Tabea Zimmermann trakteerden het publiek op een meeslepende muzikale reis doorheen twee eeuwen muziek.

Piano, klarinet en altviool: het is een zeldzame combinatie, maar dat maakt haar ook zo bijzonder. Net als dit concert in de Handelsbeurs dus. Dénes Várjon, Jörg Widmann en Tabea Zimmermann trakteerden het publiek op een meeslepende muzikale reis doorheen twee eeuwen muziek.

Elk seizoen opnieuw blijft het de melomaan positief verbazen: al die prachtige muzikanten die ons landje aandoen, terwijl ze de volgende dag in een of andere wereldmetropool op het podium staan. En of we ons in de handen mogen wrijven. Neem nu het triumviraat met Jörg Widmann, Tabea Zimmermann en Dénes Várjon. Na hun passage in de Handelsbeurs – waarover zo meteen meer – was dit fijne gezelschap de avond nadien in Parijs aan de slag, in het auditorium van het Louvre nota bene. Alle drie deze musici zijn dan ook toppers op hun instrument. Introductie behoeven ze nauwelijks. Várjon is widely considered as one of the greatest chamber musicians, Zimmermann is misschien wel de bekendste altiste ter wereld en klarinettist, componist én dirigent Widmann is zonder overdrijven one of the most versatile and intriguing artists of his generation. Het was niet de eerste keer dat het drietal samen op de bühne stond. Twee jaar geleden deden ze tijdens een mini-tournee Duitsland, Italië en Hongarije aan. Deze keer was ook Gent bij de gelukkigen.

Accentrijk, vol karakter en spannend

Het repertoire voor de ongewone combinatie van piano, klarinet en altviool is eerder beperkt – of wat dacht u. Toch heeft elke generatie componisten zich erdoor laten inspireren: als dwergen op de schouders van die ene reus, Mozart, die zich als eerste aan het experiment waagde. Het zogeheten Kegelstatt-trio, waarmee deze avond zou worden bekroond, zette Robert Schumann aan het schrijven van de Märchenerzahlungen (1853), één van zijn laatste werken. Aan diens uitgever omschreef hij deze vertelsels als “meistens fröhliche, mit guter Lust geschriebene Stücke.” En die uitwerking had deze in viervoud verpakte, woordeloze poëzie ook op de toehoorders. Van de prachtige versmelting van timbres (Lebhaft, nicht zu schnell), over de felle dynamische contrasten (Lebhaft un sehr markirt) tot de schitterende articulatie in elk van de instrumenten (Ruhiges Tempo, mit zartem Ausdruck): een mens zou voor minder opnieuw in sprookjes gaan geloven. In de capricieuze finale (Lebhaft, sehr markirt) vertaalde de tempoaanduiding zich in accentrijk en zeer doorleefd (samen)spel, met een middendeel waarin klarinet en altviool een ronduit heerlijke dialoog voerden. Dat beide het hele werk uit het hoofd speelden, mag dan al geen verbazing meer wekken, het kan toch niet onvermeld blijven. 

Ook tijdens het tweede werk op het programma – de drie Fantasiestücke voor klarinet en piano – bleef het publiek met plezier in de magische wereld van Schumann vertoeven. Deze miniaturen dateren uit diens naar eigen zeggen meest vruchtbare jaar uit zijn compositorische carrière: 1849. Het zijn bijzonder lyrische stukken met een weliswaar uiteenlopend karakter. De aanvang (Zart und mit Ausdruck) is er een boordevol Empfindlichkeit. Terwijl Widmann de voor hem karakteristieke diepgang in zijn spel legde, werd hij subtiel ondersteund door een zeer attente Várjon. Die trad in het daaropvolgende intermezzo (Lebhaft, leicht) ook zelf meer op het voorplan, al was het toch vooral Widmann die met een fijn gedifferentieerde dynamiek de aandacht trok. Met haast perfect getimede crescendo’s vatte het duo het laatste stuk aan (Rash, mit Feuer). Het werd een gepast orgelpunt, vol karakter en beweeglijkheid.          

Een ander werk dat op avonden als deze wel eens vaker wordt uitgevoerd, is de Hommage à Robert Schumann (1975-1990) van György Kurtág, een van de vroegere docenten van Várjon aan de Franz Liszt Muziekacademie. Deze even bevreemdende als vluchtige ‘amuse-oreilles’ vertonen immers een nauwe verwantschap met Schumanns Märchenerzahlungen. Uit de ondertitels van de zes karakterstukken blijkt dat Kurtág zich door heel verschillende muzikale en literaire tendensen liet inspireren, gaande van de door Schumann zelf gecreëerde literaire pseudoniemen als Eusebius, Florestan en Meester Raro tot citaten van Franz Kafka en de middeleeuwse componist Guillaume de Machaut. Widmann, Zimmermann en Várjon wisten de spanning in het slotdeel (Adagio poco andante) zeer goed op te bouwen én tot het einde vast te houden.

Veeleisende, rapsodische trip

Met de Fantasie voor klarinet solo (1993) presenteerde Widmann meteen na de pauze één van zijn eigen composities: “een soundscape waarin de hele geschiedenis van de klarinetmuziek glinstert en danst”, zo schrijft Yanick Maes in het programmaboekje. En inderdaad, dit is een uitzonderlijk kleurrijk en ritmisch gediversifieerd werk dat op een ietwat ironiserende wijze uit een breed scala aan muzikale tradities put. Dat Widmann het zichzelf en zijn collega-klarinettisten daarbij allesbehalve makkelijk maakt, is een heus understatement. Staccato’s, glissandi, accelerando’s en ritardando’s: veeleisender dan dit wordt het niet.  Maar, zeg nu zelf, wie is er in dit geval beter geplaatst dan de maestro himself om deze Fantasie in al zijn finesses te verklanken. “Wichtig wäre, dass der Titel ganz wörtlich genommen werden soll – deshalb selbstverständlich der Spieler das Stück mit Fantasie spielen sollte”, zo geeft Widmann zelf als goede raad mee. Het resultaat is een rapsodische trip die eens gracieus, dan weer dansant of verschrikt, maar altijd verrassend bijdehand is. 

Alvorens met Mozart te besluiten, passeerde Schumann nog een laatste keer de revue, dit keer met een werk voor altviool en piano. Net als de Märchenerzahlungen eerder op deze avond zijn de Märchenbilder (1851) een opeenvolging van vier korte stukken. “Kinderspäße! Es ist nicht viel damit”, luidde het oordeel van de componist zelf. I beg to differ. Het smachtende en mijmerende karakter van de beide hoekdelen is allesbehalve onbeduidend, maar veeleer meditatief en aangrijpend. En de middendelen zijn bepaald geen kinderspel, maar stellen hoge eisen op het vlak van ritmiek en chromatiek. Kortom, dit is muziek die u vast en zeker eens gehoord moet hebben. Tijdens het openingsdeel (Nicht schnell) maakte Zimmermann er als het ware een masterclass vibrato van. Ze paste de techniek spaarzaam, maar telkens zeer gericht toe, en dat leverde uiterst smaakvolle fraseringen op. In de daaropvolgende twee stukken (Lebhaft en Rash) stond een bijwijlen ‘vingerbrekende’ snelheid een precieze en uiterst heldere articulatie allerminst in de weg. Na al die bravoure maakte de delicaat uitgebalanceerde verstilling in het slottafereel (Langsam, mit melancholischen Ausdruck) eens zoveel indruk.   

Speels lichtvoetig

Met Mozart werd de stamvader van het genre tot het einde opgespaard. Het Kegelstatt-trio (1786) bekleedt een speciale plaats in diens oeuvre. Want naast de unieke instrumentatie is het ook het enige trio dat niet met een snelle beweging opent. Wolfgang zou het werk “untern Kegelscheiben” hebben geschreven. Maar  die bewering vinden we enkel op de autograaf van een andere compositie terug, en is dus niet meer dan een verzinsel van opeenvolgende uitgevers. Dankzij onder meer het klarinetconcerto en -kwintet weten we hoe magnifiek Mozart voor dit instrument kon componeren. En dus werd dit grensverleggende werk met recht en rede als een zogeheten seizoensselectie van de Handelsbeurs aangekondigd. Het ongewone tempo van de eerste beweging (Andante) vormt daarbij een bijzondere uitdaging. Veel ensembles gaan te traag van start en slagen er nadien niet meer in om enige schwung in hun uitvoering te krijgen. Zo niet het trio Zimmermann, Várjon en Widmann. De manier waarop die laatste twee het tweede thema aanpakten, was een verademing: huppelend aan de toetsen en zwierig aan de kleppen. Zó hoort het. Het Menuetto was dan weer een en al gratie en souplesse, terwijl het publiek in het finale rondo (Allegretto) op speels lichtvoetige wijze, wars van elke overbodige opsmuk of overdreven pathos, van het ene gemoed in het andere werd gekatapulteerd.

Nadat de laatste noot was weggestorven, bleef enkel het besef dat dit concert nog lang een heel mooie herinnering zal blijven. Hulde gaat uit naar deze drie integere muzikanten, die zich als respectvolle dienaren van de muziek aandienden, zodoende elke componist alle eer aandeden, en het publiek een wonderschone avond bezorgden.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in:

Laatste berichten