Yossif Ivanov en de Belgische Kamerfilharmonie

Belgische Kamerfilharmonie, aula Pieter De Somer, 50 jaar USO

Dit seizoen bestaat het Universitair Symfonisch Orkest van de KU Leuven vijftig jaar. En wat is er  meer geschikt dan een spetterend galaconcert om deze blijde gebeurtenis luister bij te zetten. Daarvoor nodigde het studentenorkest de professionals van de Belgische Kamerfilharmonie uit onder leiding van chef-dirigent Ben Haemhouts. 

Dit seizoen bestaat het Universitair Symfonisch Orkest van de KU Leuven vijftig jaar. En wat is er  meer geschikt dan een spetterend galaconcert om deze blijde gebeurtenis luister bij te zetten. Daarvoor nodigde het studentenorkest de professionals van de Belgische Kamerfilharmonie uit onder leiding van chef-dirigent Ben Haemhouts. Het orkest van eigen bodem, actief sinds 2008, schotelde zijn publiek in de Pieter De Somer aula twee monumentale werken van Ludwig van Beethoven (1770-1827) voor: het vroegromantische vioolconcerto en de baanbrekende Sinfonia Eroica, die een belangrijke bijdrage leverde aan de emancipatie van de instrumentale muziek. Beide stukken worden gerekend tot de heroïsche middenperiode van de Duitse componist, maar het vioolconcerto in D toont op wondermooie wijze aan dat zo'n dwingende epitheta in het geval van veelzijdige kunstenaars niet meer dan een halve waarheid vertellen.      

Lyriek en ritmiek: Beethovens vioolconcerto (1806)

De solist die deze avond in de voetsporen van de vioolvirtuoos Franz Clement (1780-1842) zou treden, de 26-jarige concertmeester en muziekdirecteur van het Theater an der Wien in wiens opdracht Beethoven het concerto in amper één maand tijd componeerde, was niemand minder dan Yossif Ivanov (°1986). Het grote publiek kent hem als de jonge snaak die in 2005 met zijn tweede plaats het beste Belgische resultaat ooit behaalde op de Koningin Elisabethwedstrijd voor viool. Hij verdiende dat jaar ook de publieksprijs en was sindsdien zowel succesvol op het podium als met zijn cd-opnames. Maar het vioolconcerto opus 61 van Beethoven wordt zelden gespeeld op muziekconcoursen. Omwille van de combinatie van technische eenzijdigheid en weerbarstigheid, ontsproten uit het non-violistieke brein van de maestro, is het werk immers een flink stuk moeilijker dan het klinkt.

Het vioolconcerto, hoewel lyrisch van aard, wordt door de vijf zachte paukenslagen waarmee het stuk opent, geïnjecteerd met een dwingende ritmiek. Net zoals het beruchte klopmotief in het openingsdeel van de vijfde symfonie is deze figuur doorheen het hele allegro ma non troppo prominent in de verschillende orkestpartijen aanwezig. Het vormt de muzikale hartslag van het werk, waarmee die ene grote vloeiende stroom aan muzikale ideeën op obsessieve wijze wordt aangedreven. De Belgische Kamerfilharmonie overtuigde in deze uitputtende eerste beweging met een volgehouden homogene, ronde klank. De karakteristieke houtblazers, die het genoegen hebben om als eerste de beide hoofdthema's te presenteren, overhandigden op gepast gracieuze wijze de sierlijke melodieën aan de zangerige strijkers. De tutti-passages klonken tegelijk slank en toch robuust. Het bevreemdende larghetto, dat het midden houdt tussen een romance en een uitgebreide variatievorm, werd door de intieme invulling van zowel het orkest als de solist een moment van verstilling en introspectie. De samenzang tussen viool en respectievelijk fagot, hoorns en klarinet was even delicaat als trefzeker. En ook in het vrolijk dansende, afsluitende rondo (allegro), met zijn aangrijpende aanhef in de doorwerking, bleef de Kamerfilharmonie zowel haar intonatie als frasering kundig verzorgen. Het vioolspel van Yossif Ivanov, die zowel in het openings- als in het slotdeel koos voor de populaire cadenzen van Fritz Kreisler (1875-1962), was ragfijn, genereus en technisch nagenoeg perfect (een kleine uitschuiver aan het prille begin van het rondo daargelaten). De talrijke ornamenten in Beethovens schriftuur zijn bij Ivanov geen banale versiersels, maar doorleefde improvisaties waarmee de rijke klankkleur van de viool kan worden geïllustreerd. Als toemaatje werd nog een capriccio (nummer 14 – moderato – uit de serie van 24) van Nicolò Paganini (1782-1840) ten gehore gebracht die de solist toeliet om, veel meer nog dan in het concerto, zijn grote virtuositeit te etaleren. Enkele leden van het orkest keken met stijgende verbazing en ingehouden adem toe.

Innerlijke strijd: de Sinfonia Eroica (1803)

De derde symfonie in Es van Beethoven dateert dus uit dezelfde periode als het vioolconcerto – ze werden ook beide door het Weense Bureau des Arts et d'Industrie uitgegeven – en ook in de geschiedenis van dit grensverleggende werk speelt Franz Clement een opgemerkte hoofdrol. Bij een eerste, semiprivate uitvoering van de symfonie op 20 januari 1805 leidde concertmeester Clement het orkest, terwijl de eerste publieke uitvoering op 7 april 1805 in het Theater an der Wien plaatsvond tijdens een benefietconcert voor haar muziekdirecteur. Het werd helaas geen onverdeeld succes, en dat is een eufemisme: de meerderheid van de toehoorders begreep er geen snars van, vond het zogenaamde 'meesterstuk' te gecompliceerd, te zwaar en te lang. Daarom gaf Beethoven ook de raad mee om de Eroica, gezien haar uitzonderlijke lengte van meer dan vijftig minuten, bij het begin van een concert te spelen, en niet laat op de avond na een ouverture of een concerto. Bij een reeds vermoeid publiek zou de symfonie namelijk veel moeilijker ingang vinden.

De Kamerfilharmonie en haar dirigent Ben Haemhouts sloegen deze raad evenwel in de wind en pakten na de pauze nog eens fors uit met een goede, maar geen onvergetelijke uitvoering van dit ontzaglijke drama zonder woorden. Het begin was nochtans veelbelovend: in de dynamiek van de eerste beweging (allegro con brio) gaven opnieuw de compacte klank van het orkest, de souplesse in de strijkers en het raffinement van de blazers – onder meer in de vertolking van het siciliano-ritme als één van die merkwaardige pastorale topoi – prominent de toon aan. Een ander hoogtepunt was het scherzo, dat met een spitse levendigheid werd vertolkt die zelfs de diepst gevallen held zou doen verrijzen. Helaas was dat ook nodig. In de  'Marcia funebre' (adagio assai) – getiteld 'op de dood van een held', die meteen symbool mag staan voor elke lijdende mens die erin slaagt weder op te staan – werd het tempo immers zodanig teruggeschroefd dat er van een mars geen spoor meer te bekennen viel. Andere dirigenten slagen er wel in om met hun orkest een mijns inziens passender evenwicht te vinden tussen enerzijds doorvoelde traagheid, maar anderzijds ook een ritmiek die minstens neigt naar de heroïek waarvan deze compositorische heldendaad getuigenis wil afleggen. Een gemiste kans. Gelukkig was er naast het scherzo ook nog een meeslepende finale die wel eens te meer bekoorde. Crisis en catharsis werden er met veel inleving tegen elkaar afgezet, zodat deze gala-avond toch met de spankracht kon worden besloten waarvan de hele Sinfonia Eroica doordrongen is. Alleen spijtig dat tegen die tijd de protagonist van het werk de innerlijke strijd reeds eervol had verloren.

Tags

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: