Wagners Parsifal in Vlaamse Opera

Zoran Todorovitch, Susan Maclean en Georg Zeppenfeld: vertolkingen van uiteenlopend allooi.

Nu intendant Aviel Cahn dit jaar de Paastraditie om in de Vlaamse Opera Parsifal te programmeren nieuw leven inblaast, is de belangstelling van het publiek zeer groot. In de opvoeringsvisie die de Vlaamse Opera belijdt, is het logisch dat we een allesbehalve conventionele voorstelling van deze ultieme Wagner-opera kunnen verwachten. Met spanning keken we uit naar de regie van Tatjana Gürbaça.

Nu intendant Aviel Cahn dit jaar de Paastraditie om in de Vlaamse Opera Parsifal te programmeren nieuw leven inblaast, is de belangstelling van het publiek zeer groot, zelfs niet alleen van de “Wagnerianen”. In de opvoeringsvisie die de Vlaamse Opera belijdt, is het logisch dat we een allesbehalve conventionele voorstelling van deze ultieme Wagner-opera kunnen verwachten. Met spanning keken we dan ook uit naar de regie van Tatjana Gürbaça van wie we ondertussen al enkele meer (Mazeppa) en minder geslaagde (De Tovenares) opvoeringen in haar Tsjaikovski-cyclus in de Vlaamse Opera beleefd hebben.

 

Het decor is uiterst sober en bestaat voor de drie bedrijven uit een leeg scènekader waarvan de achterwand eruitziet als doek. Dat decor wordt subtiel belicht in (meer dan vijftig) tinten gaande van gebroken wit over grijs en zacht tot fel oranje. Op de achterwand sijpelen straaltjes bloed vanuit een onzichtbare hoogte naar beneden. Misschien de enige verwijzing in de regie naar het bloed dat opgevangen is in de graal, maar hier een overwegend profane betekenis krijgt. Naargelang het moment in de opera (de wonde van Amfortas, de zelfmoordpoging van Kundry) lopen die straaltjes bloed dikker of zijn het grote vlekken. Eigenlijk een decor dat kans biedt een onaards en symbolisch verhaal te vertellen over een gekwetste maatschappij en geloof in zelfontplooiing, opoffering en verlossing. Het wordt gedesacraliseerd door de andere rekwisieten van de enscenering, die zoniet overbodig vooral dwaas zijn: ordinaire aftandse keukenstoelen, huishoudteiltjes en babypoppen. Pover om deze geladen opera op te bouwen. Gürbaça geeft haar regie een paar geslaagde eigen accenten mee, maar laat ons vooral met veel vragen achter.

 

Tijdens de ouverture loopt er volk over de scène waaruit zich een koppel afzondert dat seks heeft met elkaar (Amfortas en Kundry). Als een vooruitblik lijkt Gürbaça duidelijk te maken dat het de liefde is die redding kan brengen. Het doopritueel voert Parsifal in het derde bedrijf dan ook niet uit in deze versie.

 

De “sekte” van de Graalridders komt helemaal niet over als wezens die in een aparte hogere wereld leven. Ze verschijnen hier als dandy-achtige sportieve kerels, die onverschillig over de scène dwarrelen, onbekommerd over het feit dat hun wereld in verval geraakt omdat Amfortas er niet toe in staat is het graalritueel te volbrengen. Hun ritueel bestaat in het wassen en kleden een aantal jonge kinderen in het wit. Symbool van het zoeken naar de “reine dwaas”? Of wil Gürbaça verwijzen naar het risico dat pedofilie op de loer ligt als mannen zich in een gemeenschap zonder vrouwen opsluiten? Het slachtoffer van de onstuimig aankomende Parsifal is dan ook geen zwaan, maar een kind, en op die manier heeft hij onwetend de heilige wet van het pacifistische Graalgebied gebroken. Een wel zeer eigenzinnige interpretatie van de regisseuse, lijkt me. Gurnemanz is trouwens in deze regie absoluut ongeloofwaardig getypeerd als (jonge) gehandicapte die aan een rolstoel gekluisterd is. Wagner suggereert nochtans bij mijn weten nergens dat ook Gurnemanz ziek of geschonden is. Dat Amfortas – ook gekleed in katoenen hemd (bebloed) en broek alsof hij in de jungle leeft, op een gegeven moment zijn broek uittrekt en even in boxer-short rondloopt en dan zijn broek weer aantrekt, is op zijn minst belachelijk. Op het einde van het bedrijf krijgen we het resultaat te zien van de copulatie in de prelude: een hoogzwangere Kundry mag door de (ascetische?) ridders betast worden. Een soort “erotisch” graalritueel – als dat geen contradictio in terminis is?

 

Verrassend maar geslaagd is wel de scène van het tweede bedrijf. Gürbaça bevolkt de bloementuin van Klingsor met een aantal oude vrouwen: hoewel grijs en verlept zijn ze nog opgetut en in vintage-fantasiejurken gekleed, zittend op de banale stoelen. In de wereld van Klingsor is de tijd ook voorbijgegaan. Zoals blauwbaard bewaart Klingsor blijkbaar zijn afgedankte vrouwen in zijn tuin – ogenschijnlijk levend. Sommige zijn er nog toe in staat baby’s (poppen) te wiegen of zelfs aan de borst te leggen. Het levert een surrealistisch tafereel op. De jonge bloemenmeisjes verleiden Klingsor met zijn eigen “speer”(!). De speer is altijd zo’n heikel object in Parsifal en dat is hier niet anders: een stompe ijzeren stang, die Parsifal makkelijk meeneemt. Als hij Kundry afwijst, snijdt ze zich de polsen over. Maar de zelfmoordpoging moet in het derde bedrijf herhaald worden: dan pas vindt ze de ultieme slaap waarnaar ze verlangt.

 

Dat derde bedrijf is een doorslag van het eerste, maar brutaler. Van het “dienen” van Kundry is niet veel te merken en haar tweede zelfmoordpoging is pure interpretatie van Gürbaça die niet strookt met haar personage.

 

Waarom de graalridders de teruggekeerde Parsifal brutaal ontvangen en als een te kruisigen Christus beledigen en mishandelen is een raadsel. Hij wordt in een soort kruisvaarderskostuum gehesen, als de nieuwe Titurel om eindelijk de rol van “Gralshüter” op te nemen.

 

Aan het einde van de opera gekomen, moet ik spijtig genoeg vaststellen dat ik vaak met verwondering gekeken heb, maar nooit geraakt ben geweest. De groei van de “reine Tor” naar iemand die via zijn ontmoeting met Gurnemanz en Kundry een bewustzijn krijgt en “durch Mitleid” iets van zichzelf en zijn taak tegenover de wereld rond hem begrijpt, vind ik hier niet terug.

 

Dirigent Eliahu Inbal speelde met gedreven tempo en scherpe dynamiek. Hij heeft het beste uit het orkest gehaald. Vooral de blazers hebben schitterend werk gedaan (hoorns, hobo). Maar als ik geen rillingen krijg bij de “Zum Raum wird hier die Zeit”-passage, dan ontbreekt een dimensie in het orkest. Vooral het koor (én kinderkoor!) was schitterend, dat is het enige dat me in de voorstelling echt heeft aangegrepen.

 

Zoran Todorovitch heeft me niet overtuigd in deze Wagnerpartij. Net als vaak in zijn vertrouwde Italiaanse repertoire heeft hij de neiging te forceren en lelijk-metalig te klinken. Bovendien voelde hij zich als acteur niet op zijn gemak in de productie en hetzelfde geldt voor Werner van Mechelen die vocaal een knappe prestatie neerzette. Susan Maclean zong de hier uitvergrote en verwrongen rol van Kundry overtuigend. Met Georg Zeppenfeld miste ik een warme, wijze en vaderlijk-mooie stem als Gurnemanz. Een misbezetting wat mij betreft. Voor Klingsor was Robert Bork daarentegen wel een geslaagde invulling.

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: