Vrij en toch integer

Kristian BEZUIDENHOUT: "Rubato is tegenwoordig een vies woord. Toch gebruik ik bij Mozart regelmatig rubato, omdat het een van de meest natuurlijke tendensen is bij het uitdrukken van emoties in taal.

Zijn hart ligt naar eigen zeggen bij de pianoforte, zeker als het om Mozart gaat. “Want voor zijn muziek is de moderne vleugel toch een soort monster, dat alles verslindt wat nu juist zo subtiel en delicaat is aan Mozart.” En dus zweerde pianist Kristian Bezuidenhout ook in het Hasseltse cultuurcentrum bij een periode-instrument voor een hommage aan zijn geliefde componist.

Zijn hart ligt naar eigen zeggen bij de pianoforte, zeker als het om Mozart gaat. “Want voor zijn muziek is de moderne vleugel toch een soort monster, dat alles verslindt wat nu juist zo subtiel en delicaat is aan Mozart.” En dus zweerde pianist Kristian Bezuidenhout ook in het Hasseltse cultuurcentrum bij een periode-instrument voor een hommage aan zijn geliefde componist.

 

Kristian Bezuidenhout is een man met een duidelijke, ietwat eigengereide visie. Naast zijn expliciete voorkeur wat instrumentarium betreft, houdt de gewezen laureaat en winnaar van de publieksprijs op het internationale Musica Antiqua pianoforteconcours in Brugge (2001) er ook uitgesproken ideeën op na over hoe Mozart uitgevoerd moet worden. Wie daarvan een staaltje wil horen, kan zich op zijn integrale van diens muziek voor piano solo storten. Begin dit jaar verscheen bij Harmonia Mundi het vierde deel, en de reeks werd tot hiertoe reeds met verschillende Europese prijzen bedacht. Voor een live vertolking van Mozarts pianowerken door deze dertiger met de looks van een ideale schoonzoon moest men het voorbije weekend in het cultuurcentrum van Hasselt zijn.

 

Kwestie van smaak

 

In het boek Over Mozart gesproken spreekt Bezuidenhout vrijuit over zijn aanpak van Wolfgangs piano-oeuvre (p. 31): “Ik hou ervan om Mozart met pedaal te spelen, al kunnen puristen dat vast niet zo waarderen. Voor mij is het gewoon een kwestie van smaak. Ik ben nu eenmaal dol op die zingende pianoklank, ook bij de fortepiano. Rubato is tegenwoordig een vies woord geworden, omdat het geassocieerd wordt met romantische excessen in de muziek van Liszt, Mahler en Wagner. Toch gebruik ik bij Mozart regelmatig rubato, omdat het een van de meest natuurlijke tendensen is bij het uitdrukken van emoties in taal. Als er in hetzelfde stuk twee verschillende dingen gebeuren, moet je die allebei hun eigen karakter meegegeven. En dat doe je door bijvoorbeeld iets te vertragen voor een tedere passage en weer ietsje te versnellen voor een onstuimige passage.”

 

Op het eind van zijn beschouwingen gekomen, typeert Bezuidenhout zeer treffend zijn eigen benaderingswijze (p. 32): “Om de schoonheid van Mozarts muziek echt te kunnen doorgronden, moet je vrij en onbevangen zijn.” En het is precies de vrijheid die de Zuid-Afrikaanse muzikant zich in Mozart toe-eigent, die maar weinig toehoorders onberoerd laat. Sommige zullen zijn aanpak over the top vinden. Ben je op zoek naar partituurgetrouwe referenties, dan zal het gemaniëreerde spel van Bezuidenhout zelfs enkel ergernis opwekken. Voor hen was er nog altijd Parijs-Roubaix op televisie. Wie zich daarentegen graag laat meeslepen door de retorische kracht van de pianoforte en zijn nieuwsgierigheid wil prikkelen, kreeg daartoe in Limburg een uitgelezen kans. Ik reken mezelf tot de tweede categorie, en stelde met stijgende verbazing vast dat Bezuidenhout ondanks de flukse tempi, een bijwijlen stevige articulatie en een ongedwongen frasering toch een uiterst integere Mozart uit zijn klavier wist te toveren.

 

Aandacht vasthouden

 

Bezuidenhout speelde op een Rosenberger uit de collectie van Edwin Beunk (ca. 1800), en bracht zowel stukken die hij reeds had opgenomen (K332 in F, K457 in c en de variatiereeks K354 in Es “Je suis Lindor”) als werken die nog in de pijplijn zitten (K282 in Es en de Prelude (Fantasie) & Fuga in C, K 383a). Van bij de openingsmaten van de sonate in Es werd de hoger uiteengezette visie op rubato hoorbaar gemaakt. Het adagio klonk zo niet alleen ingetogen en diepzinnig, maar bij gelegenheid ook opgewekt, ja zelfs ietwat frivool. In de daaropvolgende twee delen wisselde Bezuidenhout helder sprankelende en ronde, warme klanken op geanimeerde wijze met elkaar af. De korte, doch energieke finale (allegro) was ruim voldoende om aan zijn instrument een boeiende reeks dynamische nuances te ontlokken. En hoewel hij er achteraf zelf niet heel erg tevreden mee leek, was ook de uitvoering van de Prelude & Fuga een toonbeeld van hoe je als pianist op een smaakvolle manier de noten kan kleuren. Daarbij bleef het evenwicht tussen linker- en rechterhand te allen tijde goed bewaard, met een transparante, levendige fuga als overtuigend resultaat.

 

Door de talrijke versieringen en krachtige accenten houdt Bezuidenhout de aandacht van zijn publiek doorlopend vast. Zo ook in Mozarts veelzijdige variatiereeks op “Je suis Lindor” – een vrolijke romance gecomponeerd door Antoine-Laurent Baudron (1742-1834) voor de komische opera De Barbier van Sevilla – en de twaalfde sonate (K332), waarin het discours van de Zuid-Afrikaan uitzonderlijk goed tot uiting kwam. In de snelle, wervelende hoekdelen toonde hij zich geen tafelspringer, maar dat was ook niet nodig om pakkende lyriek en stormachtige expressie subtiel met elkaar te combineren. Het adagio riep weliswaar wat tegenstrijdige gevoelens op. Maar zelfs al begaf een extreem vrijmoedige Bezuidenhout zich op metrisch glad ijs – naar mijn smaak op de grens van wat deze hemelse beweging qua timing en temposchommelingen kan verdragen – toch raakte hij de muzikale draad nooit kwijt. De uitwerking was buitengewoon fragiel. En achteraf wou je toch vooral nog eens horen wat deze originele pianist te vertellen had.

 

Met de laatste sonate van deze namiddag (K457) zette Bezuidenhout nogmaals zijn vele troeven in de verf. Zijn Mozart is doorvoeld, vindingrijk, declamerend én zangerig. De schwung die hij aan het molto allegro gaf, werd afgewisseld met de meest delicate pianissimo’s. Eenzelfde geestdrift hoor-den we doorklinken in het sluitstuk (allegro assai), waardoor een beklijvend contrast ontstond met de vele momenten van verstilling. Het trage middendeel ten slotte was andermaal ongeremd en zeer gevoelvol gefraseerd. Een fortepiano mag dan al kleiner zijn dan de doorsnee Steinway, het klavier valt daarom zeker niet makkelijker te bemeesteren. Bezuidenhout bezit evenwel de gave om alle compositorische bouwstenen haast moeiteloos in balans te houden en zich tegelijk een grote mate van vrijheid te permitteren. En dat is alleen de groten gegeven.

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: