Verhalende kracht uit Noorwegen

Leif Ove Andsnes: telkens deze man aan de toetsen plaatsneemt, is muzikale magie nooit veraf.

Hoe later op het seizoen, hoe schoner het volk: het is een adagium dat ook voor BOZAR opgaat. Eerst met enkele befaamde speelkameraden en nadien solo presenteerde Leif Ove Andsnes zich in Brussel.

Hoe later op het seizoen, hoe schoner het volk: het is een adagium dat ook voor BOZAR opgaat. Eerst met enkele befaamde speelkameraden en nadien solo presenteerde Leif Ove Andsnes zich in Brussel.

Pianist Leif Ove Andsnes is op deze pagina’s al meermaals met de nodige lof overladen. Een Gouden Label hier, een ronduit subliem concert daar, en tussendoor een recital waarvoor woorden tekortschieten: telkens deze man aan de toetsen plaatsneemt, is muzikale magie nooit veraf. En daar wil je als melomaan natuurlijk altijd bijzijn. Als recensent is de opdracht nochtans tricky. Gemakzucht loert immers om de hoek. Want het zal wel weer geweldig zijn, nietwaar? De verwachtingen stonden inderdaad torenhoog gespannen, temeer omdat Andsnes zich voor het eerste van de twee concerten in de Henry Leboeufzaal door wel zeer schoon volk liet omringen. Clemens Hagen, Christian Tetzlaff en Tabea Zimmermann behoren tot de kruim van het chambristengild. Zij behoeven geen introductie meer. Hun ronkende namen zijn, al dan niet rechtstreeks, aan ’s werelds bekendste strijkerscombo’s verbonden: het Hagen, Tetzlaff en Arcanto kwartet. In 2010 speelde het viertal tijdens de Salzburger Festspiele een eerste (en enige) keer samen. Toen weerklonk onder meer Brahms’ eerste pianokwartet. “It was one of the most rewarding chamber music experiences I have ever experienced”, getuigde een enthousiaste Andsnes na afloopand so immediately we started to plot a reunion in order to explore all the quartets together.” De Noor heeft weliswaar enkele jaren geduld moeten oefenen, maar nu was het dan eindelijk zover. Met passages in onder meer Wenen (Konzerthaus), Londen (The Barbican) en Parijs (Théâtre des Champs-Elysées) werd zijn wens ruimschoots verhoord. Dat Brussel zich ook in de handen mocht wrijven, is een pluim op de hoed van de programmatoren.        

Soevereine speeltijd

Op het programma stonden dus alle drie de kwartetten voor piano en strijkers van Johannes Brahms: een meeslepend muzikaal universum (vinding)rijk aan melodieën, ritmische spankracht, harmonische grandeur en de meest uiteenlopende gemoedsgesteldheden. De werken werden in chronologische volgorde op het publiek losgelaten. Het eerste pianokwartet, afgewerkt in 1861, heeft altijd al op veel bijval kunnen rekenen. Daar zat/zit het zinderende Rondo alla Zingarese (Presto), een finale in onversneden csárdásstijl, voor heel veel tussen. Maar ook al denderde en huppelde het refrein heerlijk snedig en energiek voorbij, en klonken de triomfantelijke passages vanavond eens zo hecht, toch wist het melancholische hart van deze beweging – een wondermooie cantilene – helaas niet echt te beroeren. Daarvoor schoot het inlevingsvermogen van het viertal opvallend genoeg tekort en werd er te weinig gas teruggenomen. Het helse tempo maakte het trouwens ook moeilijk om er op het einde nog het voorgeschreven eindspurtje uit te persen. Gevolg? De climax die de coda eigenlijk moest zijn, kwam onvoldoende uit de verf. En daarmee eindigde een uitvoering die in de overige delen nochtans van hoogtepunt naar hoogtepunt was geëvolueerd. Het meest opvallend waren de eendrachtige, quasi-orkestrale samenklanken uit het bevlogen Allegro en het breedvoerige Andante con moto. Op een soevereine manier werden de symfonische aspiraties van de componist aan het licht gebracht. En ook de wijze waarop de trage beweging zachtjes uitdoofde, was buitengewoon. Uit het intermezzo (Allegro ma non troppo) werd vooral de glasheldere articulatie onthouden. Ondanks de bedenkingen bij het sluitstuk was dit toch een zeer sterke start.

Na een kwartiertje weergalmde alweer de bel. In BOZAR betekent net dát het begin van de speeltijd. Het tweede pianokwartet (1861) heeft altijd al in de schaduw van de andere twee gestaan. Het is een werk dat eigenlijk niet zo vaak wordt uitgevoerd. Maar – zo leert het programmaboekje – voor Clara Schumann had het opus 26 wél een streepje voor op zijn tijdgenoot. En ook de musici van vanavond hielden een prachtig pleidooi voor het langste – meer dan vijftig minuten, alstublieft! – van Brahms’ kamermuziekwerken. De ritmische precisie die zowel Andsnes als zijn speelkameraden in het genereuze Allegro non troppo demonstreerden, was niet minder dan exemplarisch. Soepel én compact vloeiden de verschillende thema’s uit de vingers. De doorwerking, met zijn fijnzinnige dialoogjes en milde discussies, was niet minder overtuigend, en kreeg in de coda zijn schitterend beslag. Ook de rest van dit werk was een hoogmis van zelfverzekerde muzikaliteit. Van het o zo broze, maar bij momenten ook hartstochtelijk dreigende Poco adagio, over het opvallend lyrische scherzo (Poco allegro) – met zijn fraai geïntoneerde trio – tot de prettig speelse finale (Allegro). Ook in het laatste pianokwartet (1875) vertoonde het ensemble geen enkel moment van zwakte, wel integendeel. Het engagement waarmee werd gestreken, geplukt en gespeeld bleef zeer groot. Het onstuimige scherzo (Allegro), inclusief talrijke accenten, was één brok energie. Het Andante blonk dan weer uit dankzij de gevoelvolle fraseringen. Maar het was toch vooral de finale (Allegro comodo) die – zoals dat eigenlijk hoort – bleef nazinderen. Een mens vraagt zich af welke muziek er uit de bus zou komen als je deze beweging, met zijn vloeiende pianoloopjes, door Klarafy zou laten vertalen. Dat het iets swingend en modern wordt, zoveel is zeker. Zo klonk het origineel in ieder geval.         

Ruimtelijke gradaties

Het is dit seizoen precies twintig jaar geleden dat Leif Ove Andsnes voor de eerste keer in het Paleis voor Schone Kunsten te gast was. Toen vond zijn recital nog in het conservatorium plaats, maar die tijd is ondertussen allang voorbij. Anno 2016 behoort Andsnes tot de grootste toetsenisten van zijn generatie en doet hij zonder problemen de Henry Leboeufzaal vollopen. De Noor had een bijzonder divers programma samengesteld, bestaande uit enkele weinig gespeelde karakterstukjes van Jean Sibelius, een pianosonate van Beethoven, enkele etudes van Debussy en een flinke scheut Chopin. Wie Sibelius zegt, denkt in de eerste plaats aan groots opgezette orkestwerken. In zijn goeddeels verwaarloosde, ja zelf geminachte pianomuziek koos de Finse componist daarentegen voor korte miniaturen. En daar zitten enkele ontdekkingen tussen, zo bleek uit Andsnes’ selectie. Met veel zin voor nuance onderhield hij zijn publiek. Elke noot werd tot in het kleinste detail uitgewerkt. Je hing als het ware aan zijn vingers. Verhalende kracht was ook het handelsmerk in de drie lyrische stukken die samen Kyllikki (1904) vormen, genoemd naar een karakter uit het nationale epos Kelevala. Straf hoe Andsnes niet alleen dynamische maar ook ruimtelijke gradaties schiep, daarbij geholpen door een extra wijd opengezette vleugel. Zo klonk de muziek eens dichtbij en dan weer verderaf. Wat voor de pauze nog volgde, was Beethovens meest blijmoedige pianosonate: het derde exemplaar uit diens opus 31 (1802). Het zorgeloze tweede thema uit het Allegro schudde Andsnes met veel souplesse uit de vingers. Het trio van het menuet (Moderato e grazioso) werd delicaat gearticuleerd. En het moeilijk te timen scherzo (Allegro vivace) leek wel een simpele oefengalop. Ook in de jachtige finale (Presto con fuoco) hield Andsnes de teugels strak in handen. Voor een humoristische kwinkslag was er in het metronomische spel jammer genoeg geen plaats. Beheersing is vast en zeker een kwaliteit, maar dit neigde bij momenten naar routine.

La musique doit humblement chercher à faire plaisir, l’extrême complication est le contraire de l’art”, zo luidde een citaat van Debussy uit het programmaboekje. Toch zijn het net een hele reeks speltechnische moeilijkheden die aan de basis liggen van diens twaalf Études (1915). Andsnes pikte er drie studies uit – de nummers 5 “pour les octaves”, 7 “pour les degrés chromatiques” en 11 “pour les arpèges composés” – en oversteeg haast moeiteloos de uitdagende schriftuur om tot de kern van de muziek door te dringen. Precisie en transparantie waren de codewoorden. Pianistieke perfectie het resultaat. Verbluffend. Een eens vederlichte en dan weer assertieve lezing van het enigmatische La soirée dans Grenade (uit Estampes, 1903) kreeg het publiek er bovenop. De laatste componist die Andsnes had meegebracht, was Frédéric Chopin. In het Impromptu (opus 29) won snelheid het nog van expressie, maar in de Nocturne (opus 15 nr. 1) haalde fijnzinnige poëzie gelukkig de bovenhand. De daaropvolgende Ballade (opus 52) – zo niet de mooiste dan toch zeker de meest weemoedige van de vier – groeide uit tot een briljante bekroning van deze avond. Een prachtig legato, schoonheid én drama in elke maat en een contrapuntische climax zonder weerga: meer kan een melomaan zich niet wensen. Of het zou een Polonaise (opus 53) als toemaatje moeten zijn natuurlijk.      

Heeft u dit concert gemist? Geen nood, want op maandag 5 september brengt Klara het recital in de ether (20u). Noteer ook alvast 4 februari 2017 in uw agenda, want dan is Andsnes opnieuw in BOZAR te gast en brengt voor de gelegenheid bariton Matthias Goerne mee.

Tags

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: