Verdi – cyclus in Wenen

Dertien keer stond een opera van Verdi op de affiche van de Weense Staatsopera in februari met een nieuwe productie van Il trovatore en hernemingen van Nabucco en Otello. Il trovatore veroverde Wenen reeds in 1854, slechts een jaar na de creatie van de opera in het Teatro Apollo in Rome en werd voor het eerst in de Staatsoper opgevoerd in 1937. De laatste productie kwam er in 1993.

Voor deze nieuwe realisatie van Il trovarore de opera waarvan men zegt dat er de vier beste zangers van de wereld voor nodig zijn had Wenen een heel mooi ensemble samengebracht met als vedette Anna Netrebko, de Russische sopraan die in Oostenrijk bijzonder geliefd is sinds haar debuut bij de Salzburger Festspiele in 2002 en in de Weense Staatsopera in 2003. Met haar stem heeft haar repertoire mee geëvolueerd en het was voor de allereerste keer dat ze zich in Wenen als Leonora voorstelde, een rol die ze wel reeds in Salzburg had vertolkt. Ze heeft zonder moeite het publiek veroverd met haar opmerkelijke vertolking en voorbeeldige inleving in de rol waardoor ze een menselijke en ontroerende figuur presenteerde en betoverde met haar ruime, krachtige en homogene stem met fluwelen timbre  en ondersteund door een voortreffelijke  techniek. Haar vertolking van D’amor sull’ali rosee was eenvoudigweg subliem.  Roberto Alagna was een strijdvaardig, jeugdige Manrico met, zoals gewoonlijk, een uitstekende tekstprojectie, teder en ontroerend in Riposa o madre , een mooi gefraseerde vertolking van Ah! Si, ben mio maar enigszins worstelend met Di quella pira. Graaf Luna, zijn broeder en rivaal had de autoriteit van Ludovic Tézier met zijn bronzen, homogene, kernachtige en expressieve stem en zijn heerlijk legato. Niet verwonderlijk dat het Weense publiek hem een ovatie gaf. De Azucena van Lucia D’Intino had een goede présence en een zekere adel gediend oor een homogene stem en een intense interpretatie. Jongmin Park gaf Ferrando zijn sonore bas. De kleinere partijen werden goed verdedigd,  de koren zongen krachtig en Marco Armiliato gaf de opvoering een mooi romantisch elan en lette op een juist evenwicht tussen toneel en orkest, daarin prima gevolgd door het orkest. Blijft de enscenering van Daniele Abbado (zoon van..) die een eerder tamme en onbenullige omlijsting aan het drama gegeven heeft waarvan hij de handeling naar het Spanje van Franco heeft  verplaatst (kostuums Carla Teti). In een eenheidsdecor (Graziano Gregori) dat een soort ruime, lege opslagplaats evoceert  en waarin, volgens het verloop van de handeling onder meer stoelen, tafels, tapijten of gewonden gebracht worden, volgden de tonele zich op zonder grote betekenis of atmosfeer, tussendoor begeleid door de voorbereiding van een Maria-processie in verschillende stadia. Niet erg opwindend, eerder hinderlijk en zelfs meer dan eens absurd en vervelend. (12 februari)

De productie van Nabucco stamde uit 2001 in een enscenering van Günter Krämer met decors van Manfred Voss en Petra Buchholz en kostuums van Falk Bauer. Het is een treurig voorbeeld van het Duitse “regietheater” waarin het “concept” van de regisseur belangrijker is dan het libretto en zelfs de partituur. De ouverture diende om een toneel met spelende en ruzie makende kinderen te tonen die zich bewogen rond een klein theatertje dat gedurende de opvoering op het voortoneel bleef staan voor het plots in vlammen opging. Betekenis? Voor het overige was er amper decor maar een grote projectie van Hebreeuwse teksten die zich langzamerhand oplosten, een glazen kast met een kroon, een zwaard en een scepter, die als troon diende en een min of meer hedendaagse costumering. Voor “Va pensiero” liggen de koorleden op de grond maar verheffen zich een voor een  om een gave vertolking af te leveren, door het publiek bejubeld. Het orkest van de Staatsoper doet zijn faam minder eer aan onder leiding van de Spaanse dirigent Guillermo Garcia Calvo die decibels en woeste kracht verkiest samen met soms erg grillige tempi. Geen problemen voor Anna Smirnova die een robuuste Abigaille neerzet et de veeleisende partituur te lijf gaat met een ruime, krachtige stem en stevige topnoten. Geen problemen ook voor Leo Nucci, weldra 75, die de partij van Nabucco  die hij zo dikwijls vertolkt heeft, (onlangs nog in de Opéra Royal de Wallonie) door en door kent en weet hoe hij zijn huidige vocale middelen moet inzetten. Zijn Nabucco is eerst een hoogmoedige veroveraar  en dan een verwarde man die medelijden oproept. Indien het heroïsche karakter hem vandaag vocaal minder goed afgaat, dan blijft hij groot en ontroerend in zijn nood die hij uitzingt met een nog altijd warme en sonore stem, een mooi legato en goede articulatie. En het publiek beloont hem dankbaar en enthousiast. Veel succes ook voor de Zaccaria van Roberto Tagliavini met zijn nobele basstem en expressieve zang. Bror Magnus Todenes gaf jeugd en een heldere tenor aan Ismaele en Ilseyar Khayrullova was een fijne Fenena. De Hogepriester van Baal van Soran Coliban was vrij zwak maar Caroline Wenborne liet in de korte tussenkomsten van Anna een mooie stem horen. (11 februari)

Voor Otello waren oorspronkelijk de Duitse tenor Peter Seiffert en de Franse sopraan Véronique Gens als Otello en Desdemona aangekondigd. Maar Gens verdween van de affiche zonder verklaring en Seiffert blijkbaar wegens ziekte. Dus was het de Litouwse tenor Kristian Benedikt die in de Staatsoper debuteerde in de productie  uit 2006, geregisseerd door Christine Mielitz en de Oekraïense sopraan Olga Bezsmertna die de rol van Desdemona zong. De wereld van Mielitz en haar scenograaf  Christian Floeren is zwart. Er zijn enkele rode tinten (vermaak, vuur, drama, bloed), een enorme gouden handschoen voor de zegevierende Otello en een verlichte vierkante ruimte omringd door witte sluiers (eiland van geluk en onschuld) die verscheurd worden wanneer het drama zijn hoogtepunt bereikt. Geen historische of folkloristische kostuums maar een vrij tijdloze kledij in zwart en wit. Geen meubelen behalve twee moderne fauteuils die op het voortoneel staan en soms hinderlijk zijn en noodgedwongen verschoven moeten worden. Maar het geheel werkt nog en ook dank zij  dirigent Marco Armiliato behoudt de opera van Verdi al zijn dramatische kracht , zelfs al zou je soms wat meer nuances en subtiliteit wensen. Kristian Benedikt zet een menselijke Otello neer maar heeft weinig karakter. Zijn stem is helder en wordt goed geleid maar ontbreekt soms de nodige kracht en dramatische intensiteit die de rol verlangt. Omga Bezsmertna is een liefhebbende en onschuldige Desdemona, zingt met stijl, laat ook veel vibrato horen maar kan ontroeren. De meest overtuigend vertolking kwam van Carlos Alvarez als Jago, charmant en verraderlijk, met een mooie tekstprojectie en een warme, sonore, expressieve  bariton die het personage veel reliëf gaf. Carlos Osuna (Cassio), Monika Bohinec (Emilia), Alexandru Moisiuc (Lodovico) vulden de bezetting op degelijke manier aan en de koren en het kinderkoor van de Weense Staatsopera presteerden prima. (10 februari)


  • WAT: Verdi – Il trovatore,  Nabucco,  Otello
  • WIE: Anna Netrebko,  Roberto Alagna, Ludovic Tézier,  Leo Nucci,  Carlos Alvarez,  Marco Armiliato
  • WAAR : Weense Staatsoper
  • WANNEER : 5 tot 18 februari 2017
  • foto’s: © Wiener Staatsoper, Seiffert, Michael Pöhn

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: