Symbolistische schilderkunst van Jean Delville

Bladmuziek Prometheus van Skrjabin

Jean Delville (1877-1953) was een Belgisch schilder, dichter, essayist en vader van zes kinderen. Dat laatste is op zich al heel bijzonder maar het feit dat Delville een uitgesproken symbolistische kunstenaar was, met alle morbide, erotische en neurotisch-dieptepsychologische inhoud, maakt dat gegeven nog meer bijzonder. Het belang van deze tentoonstelling kan niet genoeg vermeld worden. Symbolistische kunst is aan een tweede revival toe. De eerste was bijna veertig jaar geleden. Ik was erbij, ik kan getuigen.

In 1975 werd nl. een grote tentoonstelling georganiseerd over “Het symbolisme in Europa”. Dat was toen nieuw. Niemand sprak tot dan toe nog over symbolisme. De indrukwekkende tentoonstelling in het museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam stond onder leiding van hoofdconservator Renilde Hammacher-van den Brande (°1913), de echtgenote van Bram  Hammacher. Hij was op zijn beurt, tussen 1947 en 1963, directeur van het Kröller-Müller Museum. Samen met de directeur van Boijmans Van Beuningen, de legendarische J.C. Ebbinge Wubben, die tussen 1950 en 1978 in het museum om en bij de  340 tentoonstellingen organiseerde!, redigeerde en coördineerde Renilde van den Brande  de hoogst interessante tentoonstellingscatalogus. De vernieuwende tentoonstelling was daarna te zien in Rotterdam, Brussel, Baden-Baden en Parijs. De tentoonstelling en de catalogus  gaven voor de eerste keer een overzicht van Europese symbolistische kunstenaars. De meeste van die kunstenaars waren op dat ogenblik nog volledig onbekend…Een schilderij van Gustav Klimt kon u toen nog goedkoop aankopen! De catalogus, mijn allereerste kunstboek, bevatte info over de schilderijen, de kunstenaars, een lijst van exposities vanaf 1891 en een uitgebreide bibliografie. Het was één van de meest invloedrijke en vernieuwende “catalogi” in de geschiedenis van de kunstkritiek. Op de tentoonstelling werd o.a. werk tentoongesteld van Belgische symbolisten als William Degouve de Nuncques, Gustave Van de Woestyne, James Ensor, Fernand Khnopff, Xavier Mellery, George Minne, Felicien Rops, Leon Spilliaert en… Jean Delville.

Jean Libert werd in 1867 geboren in Leuven maar nam de naam aan van zijn adoptievader. Hij volgde acht jaar lang les aan de Academie in Brussel en exposeerde voor de eerste keer op het Salon, georganiseerd door “l’Essor” in 1887. “L’Essor”, die ontstaan was uit de “Cercle des Elèves et Anciens Elèves des Académies des Beaux-Arts de Bruxelles” en die later opging in  “Pour l’Art”, was één van die vele progressieve kunstverenigingen naast  “La Chrysalide”, “L’Union des Arts” en “Les XX” die zich afzette tegen de conservatieve “Cercle Artistique et Littéraire de Bruxelles”. Delville was oorspronkelijk de schilder van l’art social réaliste, die zich het lot van de “exclus de la société” aantrok, maar die ook “paysages de bonne facture” schilderde. In de late jaren ’80 kwam Delville in contact met de symbolistische beweging en frekwenteerde hij  esoterische kringen. Spiritualiteit en esoterisme gingen zijn kunst bepalen. Tussen 1888 en 1895 publiceerde hij zijn eerste sonnetten, schilderde hij zijn eerste monumentale werk (de emotionele cyclus geïnspireerd door Dante’s “Goddelijke Komedie”), nam hij  deel aan diverse “salons” (1892 : eerste Salon de la Rose – Croix georganiseerd door “Sar” Josephin Péladan) en publiceerde hij zijn eerste gedichtenbundel, “Les Horizons hantés”. In 1895  kreeg hij zijn eerste officiële erkenning. Hij won de Prix de Rome met zijn werk “Christus verheerlijkt door de kinderen (“Le Christ glorifié par les enfants”). In diezelfde tijd schilderde hij weliswaar ook het indrukwekkend “Les Trésors de Sathan”… Vanaf 1896 organiseerde Delville gedurende drie opeenvolgende jaren, de tentoonstellingen van de  “Salons d’Art Idéaliste”. Hij gaf het gelijknamig tijdschrift uit en publiceerde zijn  essaybundel “Le Frisson du Sphinx”. In 1893 huwde hij met Marie Lesseine. Tussen 1894 en 1911, het jaar waarin hij het conservatorium van Brussel decoreerde, zouden  ze zeven kinderen krijgen, Raphaël, Elie, Elsa (werd maar één jaar oud), Eva, Myrrha, Olivier en Annie. Harde werker als hij was, deed hij na zijn huwelijk in een paar jaar tijd de kunstwereld versteld staan met monumentale werken als “De School van Plato” (“L’École de Platon”, 1898). Hij gaf  het tijdschrift “La Lumière” uit  (1899-1900), gaf  les  aan de Glasgow School of Art (1900-1906) en vervolgens aan de Academie voor Schone Kunsten in Brussel (1907-1938). Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog emigreerde Delville net als zo veel Belgische kunstenaars, naar Londen, waar hij bleef tot 1918.

Wagneriaans

Delville was een bijzonder, muzikaal en poëtisch schilder. Hij schilderde nl. “les passions humaines”. Met potlood  of houtskool (fusain) plaatste hij de kracht van het mannelijk lichaam in een diffuus licht tegenover  “la douceur des courbes féminines”. Heel Wagneriaans, geheel in de geest van Wagners meesterlijk-erotische Handlung “Tristan und Isolde”. In een brief aan Max Eggermont schreef Delville overigens « J’essaie d’être novateur selon mon idéal et non selon une tendance particulière et de mode. Quand je dessine ou peins, ce qui me préoccupe le plus, c’est la mesure dans laquelle je peux exprimer un sentiment, une pensée, dans une forme plastique et une couleur expressive. Je conçois mon œuvre comme un poème. Je ne sépare pas la peinture de la poésie.”

Hij was dan ook diep geraakt door menselijk geweld, wat hem beïnvloedde bij het  schilderen. In 1924 werd hij benoemd tot  academicus en het volgende jaar schilderde hij “Les Forces”, een meesterwerk dat tentoongesteld werd op het Salon in Parijs en in de “Salle des Pas-perdus” (centrale inkomhal) van  het monumentaal Justitiepaleis in Brussel.  Delville liet zich inspireren door het crescendo en het “accord synthétique” of “accord mystique” uit “Promethée, Le poeme du feu” (Prometheus) op. 60 uit 1910 van Alexander Skrjabin (“Pour grand orchestre et piano avec orgue, choeurs (zingt enkel vocalisen!) et clavier a lumieres”), en ontwierp in 1911 de kaft van een uitgave ervan door de Edition Russe de Musique. Daarnaast waren zijn belangrijkste inspiratiebronnen Orpheus, Parsifal en Tristan en Isolde. Zijn leven lang zette Jean Delville zijn energie heel muzikaal om in wat hij ​​”nuttige ” kunst noemde, begrijpelijk voor het publiek en voor het onderwijs, aan de hand van monumentale kunst. Hij was daarom ook actief op het gebied van schrijven en literaire journalistiek. Jean stierf in 1953 op de leeftijd van 85, op de dag van zijn verjaardag. Heel symbolisch, op de dag van de ouroboros van leven en dood, de eeuwige zelfverslinder van lust en verzadiging. Ideaal! Echt iets voor de “Maître de l’idéal”.

De schitterende tentoonstelling toont schilderijen, tekeningen, brieven, gedichten, geschriften en archiefdocumenten met betrekking tot het leven en werk van Jean Delville. In het kader van nieuw gedaan onderzoek, geeft de tentoonstelling een beeld van het breed scala van zijn werk met het oog op meer en beter  begrip van een van de meest creatieve kunstenaars van de fin-de-siècle periode. Een rijk geïllustreerde catalogus verschenen bij Somogy Editions (Parijs), onder de wetenschappelijke leiding van Denis Laoureux, legt dit in teksten van  Emily Berger, Sebastien Clerbois, Damien Delille, Miriam Delville, Flaurette Gautier, Denis Laoureux en Hubert Roland, vast voor de komende generaties. Niet, niet te missen! 

Tags

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: