Rossini Opera Festival

Il viaggio a Reims, Pesaro, Rossini Opera Festival 2015

Het Rossini-festival in Pesaro, de geboortestad van de componist, draagt zijn 36ste editie op aan de grote Italiaanse regisseur Luca Ronconi die onlangs overleed. Van Ronconi’s producties in Pesaro onthouden we vooral zijn enscenering van Il viaggio a Reims.

Dit herontdekte meesterwerk dat, na reconstructie, voor het eerst werd opgevoerd op 18 augustus 1984 onder de muzikale leiding van Claudio Abbado, zonder twijfel de grootste Rossini-dirigent van dat ogenblik. Sinds 2001 staat Il viaggio an Reims jaarlijks op het programma van het festival in de eenvoudige maar adequate enscenering van Emilio Sagi en geeft de jonge zangers die deelnamen aan de Accademia Rossiniana de kans om zich aan het publiek voor te stellen. Meer dan een vinden we later terug in de opvoeringen van het festival zoals de tenor Maxim Mironov, de bariton Davide Luciano, de sopraan Olga Peretyatko of de mezzo-sopraan Viktoria Yarovaya,  dit jaar te beluisteren in La gazzetta, L’inganno felice, een bel canto-concert en de Messa di Gloria van Rossini. Bij de deelnemers van deze editie onthouden we vooral de namen van Cecilia Molinari (Marchesa Melibea), Ruth Iniesta (Madame Cortese), Sundet Baigozhin (Lord Sidney) en Pablo Ruiz (Don Profondo).

Aangezien ook de financiële middelen van het festival van Pesaro verminderd zijn, was er dit jaar slechts één nieuwe productie naast twee hernemingen. Het melodramma La gazza ladra keerde terug in de versie die Damiano Michieletto realiseerde in 2007. Hij veranderde er niet veel aan en vertelt het verhaal als de fantastische droom van een jong meisje dat zich in de handeling integreert als de stelende ekster. Sandhya Nagaraja levert een virtuoze en acrobatische prestatie in een enigszins gestileerde omgeving (evoluties van het koor) met hedendaagse kostuums (Carla Teti) en een decor dat voornamelijk bestaat uit grote buizen die op verschillende manier opgesteld worden (Paolo Fantin). Waarom iedereen in het tweede bedrijf de hele tijd in het water moet  ploeteren, blijft een mysterie. De personenregie is meestal overtuigend maar de typering van figuranten die de orde moeten handhaven met zwarte mantels, helmen en kalachnikovs is erg déjà vu.

Donato Renzetti leidde het uitstekend orkest van het Teatro Communale di Bologna met lichte maar vaste hand in een boeiende muzikale uitvoering met het nodige dramatische elan, niet altijd gemakkelijk in de akoestiek van de ruime Adriatic Arena. De bezetting werd gedomineerd door de Fernando Villabella van Alex Esposito met expressieve sonore stem in een eerlijke en ontroerende vertolking. Met haar jeugdige figuur en soepele sopraan zette Nino Machaidze een geloofwaardige Ninetta neer. Het ontbrak Marko Mimica enigszins aan allure en vocale kracht om de booswicht Gottardo het nodige reliëf te geven. Giannetto vond een adequate vertolker in René Barbera met zon in de stem en Lena Belkina zette een sympathieke Pippo neer. Mooie prestaties werden ook geleverd door Teresa Iervolino en Simone Alberghini als Lucia e Fabrizio Vingradito. Uit de homogene overige bezetting is de Antonio van Alessandro Luciano te vermelden. De koren van het Teatro Communale di Bologna deden gewillig wat de regie van hen verwachtte en zongen kranig.

Indien de productie van La gazza ladra uit 2007 kwam, dan dateerde die van L’inganno felice van 1994. Maar de enscenering van Graham Vick in de decors en kostuums van Richard Hudson en met de belichting van Matthew Richardson vertoonde geen enkele rimpel. Wel integendeel. Wat een geluk om een charmante en eerlijke productie te zien die het libretto en de muziek respecteert en daarbij levendig en boeiend theater brengt. Deze ‘farsa’ in één bedrijf vroeg niets meer en het publiek zag met genoegen hoe de mooie Isabella, geholpen door de sympathieke en vaderlijke Tarabotto, erin slaagde samenzweerders te ontmaskeren en haar geliefde echtgenoot terug te vinden. De personages zijn goed getekend, de actie is levendig en spontaan en het decor eenvoudig maar erg suggestief en sfeervol. Carlo Lepore is een levensechte Tarabotto, gemoedelijk en  realistisch en geeft hem zijn warme, krachtige stem en zijn genuanceerde vertolking .De Isabella van Mariangela Sicilia heeft hart en karakter en een heldere, soepele en expressieve sopraanstem. Davide Luciano maakt een mooie compositie van Batone, de ongewilde booswicht, en zingt met een rijke, homogene bariton. Vassilis Kavayas heeft moeite met zijn entree-aria en is een wat aarzelende Bertrando maar laat toch een aangename tenorstem horen. De enigszins ondergeschikte rol van Ormondo wordt prima vertolkt door Giulio Mastrototaro. In de orkestbak speelt het  Orchestra Sinfonica G. Rossini met elan en lichtheid onder de aandachtige leiding van Denis Vlasenko.

De enige nieuwe productie van dit festival was voorbehouden aan La Gazzetta, een ‘dramma per musica in due atti’ van 1816. In première gegaan in hetzelfde jaar als Il barbiere di Siviglia haalt deze opera comica beslist niet hetzelfde niveau. Om te beginnen is het libretto van Giuseppe Palomba vrij zwak en gecompliceerd en bovendien heeft Rossini  meer dan eens fragment aan enkele van zijn vorige opera’s ontleend. De ouverture van La Gazzetta daarentegen zal later, onveranderd, die van La cenerentola worden. Een onlangs teruggevonden kwintet uit het eerste bedrijf (waarvan men de tekst had maar niet de muziek) werd opnieuw ingelast. Zo de compositie daardoor vervolledigd werd, dan blijft het toch eerder een patch work-partituur en de enscenering van Marco Carniti  kon, mij tenminste, niet van de kwaliteiten van het werk overtuigen. Humor is vrij persoonlijk en de productie in de minieme decors van Manuela Gasperoni en de extravagante kostuums van Maria Filippi heeft mij echt niet kunnen boeien of zelfs de intrige  enigszins duidelijker maken. Jammer want de bezetting deed erg zijn best en verenigde enkele opmerkelijke vertolkers. Daar was in de eerste plaats Nicola Alaimo in de rol van Don Pomponio Storione, indrukwekkend als verschijning en zanger, die vlot in het Napolitaanse dialect zingt en het plateau domineert. Hasmik Torosyan was zijn dochter Lisetta, aangenaam om te bekijken en een virtuoze zangeres met een soms wat scherpe stem. Maxim Mironov gaf Alberto jeune premier-allures en zong met soepele, edelmetalen tenor. Vito Priante was een verleidelijke en sonore Filippo. Raffaella Lupinacci’s Doralice kwam niet echt uit de verf maar Josè Maria Lo Monaco was een elegante Madama la Rosa met  fluwelen stem. De overige zangers leverden goede prestaties evenals het koor van het Teatro Communale di Bologna. Enrique Mazzola leidde het orkest van Bologna met zwier en temperament.

Voor de Messa di Gloria uit 1820, de cantate Il pianto d’Armonia sulla morte d’Orfeo uit 1808 en de lyrische scène Lla morte di Didone uit 1810 leidde Donato Renzetti het koor van het Teatro Communale di Bologna en de Filarmonica Gioachino Rossini in degelijke uitvoeringen, opgeluisterd door de participatie van de zangers Jessica Pratt, Viktoria Yarovaya, Juan Diego Florez, Dempsey Rivera en Mirco Palazzi. In de Messa di Gloria waren het vooral Viktoria Yarovaya met weelderige mezzo-sopraan en tenor Juan Diego Florez, virtuoos zoals altijd, die zich deden opmerken. Ondanks haar mooie en goed beheerste stem kon Jessica Pratt niet echt overtuigen in La morte di Didone waarvan de tekst  grotendeels onverstaanbaar bleef. Juan Diego Florez daarentegen imponeerde als Armonia door zijn tekstprojectie, zijn expressieve voordracht en zijn rijke stemmiddelen.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in:

Laatste berichten