Naast Mozart is Richard Strauss de componist die het meest met de Salzburger Festspiele verbonden is. Zijn muziekdrama Salome stond in 1977 voor het eerst op het programma in een enscenering van Herbert von Karajan en kende in 1992, onder de artistieke directie van Gerard Mortier, een tweede productie in regie van Luc Bondy, die achteraf ook in de Munt te beleven was.

Alleen maar vragen over Castellucci’s enscenering

Nu was de enscenering toevertrouwd aan de Italiaanse kunstenaar Romeo Castellucci die, zoals naar gewoonte, de opera een heel eigen invulling heeft gegeven. Castellucci is eigenlijk geen regisseur en vertelt het verhaal praktisch nooit lineair. Hij presenteert associaties die meestal alleen door hem begrepen worden en waarvoor je zelfs in de (noodzakelijke) programmatoelichting niet altijd de nodige verklaringen kan vinden.

Voor deze productie was Castellucci bovendien blijkbaar gefascineerd door het kader van de Felsenreitschule waar de opera opgevoerd werd en dus spelen de rots met zijn inscripties en de muren met de vele bogen en galerijen een belangrijke rol. Zij staan in contrast met de blinkende gouden toneelvloer, misschien de enige verwijzing naar de luxe van het oosterse kader waarin het verhaal zich afspeelt. Waarom die vloer nog voor de opera begint, moet gereinigd worden en later in fragmenten wordt opengebroken, blijft de vraag evenals waarom nagenoeg alle mannelijke personages, met de onderste helft van hun gezicht rood geverfd, (groen voor Herodias!) lange, zwarte jassen en hoed dragen.

Wat is de betekenis van die twee boksers die gefotografeerd worden en van de vele plastic zakken met lichamen die aangesleept worden, van de enorme zwarte ballon die bij Herodes’ bevel Salome te doden, opgeblazen wordt. Waarom ziet Jochanaan eruit als een wilde, gevederde Indiaan en krijgt hij gezelschap van een levend paard? Waarom is het een afgehakte paardenkop en een onthoofd lichaam waarmee Salome op het einde geconfronteerd wordt?

Zoveel vragen waarvoor ik geen antwoorden vind. Castellucci laat Salome ook niet voor Herodes dansen. Op de opzwepende muziek laat hij Salome onbeweeglijk in een soort embryohouding neerknielen op een voetstuk en bij het einde van de dans door een  grote rots als het ware opgeslorpt (of verbrijzeld?) worden. Moeten we het hele gebeuren als een soort fantastische, erotische droom zien van een jong meisje dat seksualiteit ontdekt? Haar sneeuwwitte jurk heeft een bloedvlek op de verraderlijke plaats!

Te kijken was er genoeg in deze enscenering variërend tussen het afspuiten van Jochanaans zwarte huidverf en het baden van Salome in melk, maar begrijpen of associëren was, tenminste voor mij, een andere zaak.

In de Litauwse sopraan Asmik Grigorian (de voorbije jaren een geregelde gast in Opera Vlaanderen) heeft Salzburg de ideale Salome gevonden “met het lichaam van een zeventienjarige en een Isolde-stem” (zoals Strauss zij titelheldin zou omschreven hebben). Asmik Grigorian, slank en soepel kan zonder moeite in het jonge, nieuwsgierige, onverzettelijke meisje doen geloven. Haar danskwaliteiten moet ze niet bewijzen. Haar stem heeft zilveren, verleidelijke tonen maar kan in de hoogste regionen stralen als metaal en ze heeft genoeg uithoudingsvermogen. Ze was zonder twijfel de ster van de opvoering, maar daarbij moet toch opgemerkt worden dat haar tegenspelers, in deze enscenering, nauwelijks kans krijgen hun figuur profiel te geven.

Gabor Bretz, nog recent in de Munt als Koning Heinrich in “Lohengrin” te horen en binnenkort als Sarastro in “Die Zauberflöte” (in een enscenering van Romeo Castellucci!), was een degelijke Jochanaan en Julien Prégardien een zoetgevooisde Narraboth. Johan Daszak (Herodes) en Anna Maria Chiuri (Herodias) misten enigszins scenisch en vocaal profiel. De kleinere partijen waren degelijk ingevuld en wat je op het toneel miste kreeg je gelukkig uit de orkestbak waar Franz Welser-Möst de Wiener Philharmoniker wist op te zwepen van een langoureuze tot frenetieke dans en over het algemeen de orkestrale rijkdom en finesses van Strauss’ partituur deed glinsteren.

‘Vrij traditionele’ Pique Dame

De Wiener Philharmoniker, dit keer geleid door Mariss Jansons vormden ook de sterkste troef van de opvoeringen van Tsjaikovski’s Pique Dame volgens de dirigent een van de tien beste opera’s uit de muziekgeschiedenis en zeker Tsjaikovski’s allerbeste. Het is een zeer dramatisch werk, aldus Janssons, die meent dat de emotie vooral uit het orkest moet komen. En daarvoor heeft hij ook gezorgd, dit in tegenstelling met de regie van Hans Neuenfels en vooral de decors van Christian Schmidt en de kostuums van Reinhard von der Tannen.

Hans Neuenfels is een van de vertegenwoordigers van het Duitse Regietheater en heeft in 2001 Salzburg voor schandaal gezorgd met zijn enscenering van Die Fledermaus in opdracht van Gerard Mortier. Nu was hij dus terug met een voor zijn doen vrij traditionele realisatie van Pique Dame waarin het verhaal nagenoeg verteld werd zoals het in het libretto staat en de protagonisten het verwachte reliëf kregen. De handeling was duidelijk van het einde van de 18de eeuw naar een veel latere periode verplaatst te oordelen naar de erg uiteenlopende stijlen van de kostuums en het meubilair.

Het decor bestond voornamelijk uit een grijze ruimte met rijk, maar uniform donker beklede wanden, de kamer van de gravin daarentegen leek een eenvoudige witte ziekenhuiskamer. Zij zelf, de tachtigjarige, schrik aanjagende vrouw, zag eruit als een overjarige tiener met een korte, luchtige rok, roze kousen en rode schoentjes en een roodharige pruik. Herman was nagenoeg de enige soldaat van het gezelschap in uniform, Lisa droeg hedendaagse jurken, haar vriendinnen verhulden zich in donkere, lange kapmantels. De koren waren in  de meest verrassende en dikwijls belachelijke kostuums  gestoken: de negentienhonderd zwempakjes voor de het onweer ontvluchtende burgers! En wanneer op het rijke bal de Tsarina Katharina verschijnt, is het in de vorm van een met juwelen behangen skelet.

Wanneer vorst Jeletski zijn liefde aan Lisa verklaart, wordt ze afgeschrikt  door een evocatie van een gezin met drie kinderen en wanneer Hermann de oude gravin wil dwingen het geheim van de drie kaarten te onthullen, sterft ze duidelijk niet van schrik, maar eerder van emotie nadat ze zich liefdevol aan Herman heeft vastgeklampt. En wat te denken van de spelende en zingende kinderen in een park van Sint-Petersburg die als gevangenen in kooien worden aangevoerd! Misschien daarom zongen ze niet zo homogeen en in maat, dat in tegenstelling met de koren van de Konzertvereinigung Wiener Staatsopernchor die het prima deden.

De zangersbezetting was degelijk en homogeen maar niet echt briljant. Brandon Jovanovich was een gekwelde Hermann met een stevige tenor die meer glans en metaal kon gebruiken. Evgenia Murareva gaf Lisa een schuchtere figuur en een vloeiende sopraan maar miste persoonlijkheid. Hanna Schwarz (de oude gravin) deed braaf wat door de regie van haar gevraagd werd. Igor Golovatenko liet als vorst Jeletski de mooiste stem en stijlvolste zang van het ensemble horen. Vladislav Sulimsky gaf Graaf Tomski de nodige présence maar bleef vocaal wat bleek. Oksana Volkova verraste als Polina met een heerlijke, rijke mezzo-sopraan en Alexander Kravets en Stanislav Trofimov deden het prima als Hermanns kwelgeesten Tsjekalinski en Surin. De overige, kleinere partijen waren degelijk ingevuld.

Indrukwekkend maar onpraktisch decor voor The Bassarids

In 1966 vond in het Grosses Festspielhaus van Salzburg de wereldpremière plaats van Die Basssariden, een ‘Opera seria mit Intermezzo in einem Akt’ van Hans Werner Henze (1926-2012) op een libretto van W.H. Auden en Chester Kallman naar de tragedie van Euripides. Deze zomer presenteerden de Salzburger Festspiele de opera in de originele Engelse versie als The Bassarids in de Felsenreitschule. Het werk is, zoals een symfonie, uit vier bewegingen (movements) opgebouwd met in de derde beweging een verrassend intermezzo (The judgement of Calliope), een spel in het spel, dat dikwijls weggelaten wordt, maar hier behouden werd omdat regisseur Krzysztof Warlikowski vond dat het de mogelijkheid biedt de protagonisten genuanceerder voor te stellen.

Vandaag beschouwt men “The Bassarids” als een van de belangrijkste opera’s van de 20ste eeuw, een werk dat indruk maakt door de vereiste grote koor- en orkestmassa’s en door de taal van Henze die oudere en nieuwe muzikale stijlen vervlochten heeft en daarbij van Bach over Wagner en Berg naar Stravinsky verwijst. Anderzijds zijn er de psychologische karaktertekeningen van de figuren die een echte uitdaging vormen. Het verhaal van een jonge man met groot charisma die zonder problemen de grote massa voor zich kan winnen, kan ook vandaag aanspreken. Daarbij stort hij (de god Dionysos die eigenlijk de nagedachtenis van zijn moeder Semele wil wreken) de stad Thebe en zijn koningsfamilie in het verderf aangezien hij iedereen in een roes kan brengen waarbij alle morele bedenkingen wegvallen wat uiteindelijk tot de moord van koning Pentheus door zijn eigen moeder Agave leidt.

Krysztof Warlikowski’s vaste medewerkster Malgorzata Szczesniak (decor en kostuums) heeft op het uitgestrekte toneel van de Felsenreitschule een meerdelig decor gebouwd dat in het midden de koninklijke vertrekken suggereert met rechts daarvan de privéruimtes (de slaapkamer van Agave) en links de cultusgebouwen met daarbij aansluitend de hellingen van een berg. Indrukwekkend maar onpraktisch tenzij voor dat deel van het publiek dat midden in de zaal zit en een duidelijk overzicht van het geheel heeft. Zit je wat meer rechts (zoals ik) dan mis je wat er links gebeurt en vice versa.

De opera wordt voorafgegaan door een  door Dionysos gesproken proloog die Henze zelf voor opvoeringen in Engeland en Amerika in 1968 heeft geschreven en waarin Dionysos de echte reden van zijn komst verklaart: zijn erkenning als zoon van Zeus en Semele en dus zelf als god. Maar geen antieke wereld voor Warlikowski die het gegeven op zijn vertrouwde, erg persoonlijke manier heeft gestalte gegeven in een hedendaagse context die het geheel niet altijd duidelijker maakt. Vooral in Het oordeel van Calliope is het moeilijk om je weg te vinden tussen alle personages en de verdeeldheid van de handelingen over de drie speelvlakken maakt het ook niet duidelijk om te weten wat juist waar plaats vindt en wat de betekenis ervan is.

Van de koren en vooral van een reeks figuranten wordt een grote lichamelijke inzet gevraagd. Lichamen kronkelen en verstarren in bezetenheid, haren worden wild geschud, gezichten en lichaamsdelen worden met verf besmeurd. Tussendoor evolueert de slanke, elastische, schaars geklede tot volledig naakte figuur van de danseres Rosalba Guerrero Torres, die zich uiteindelijk in een wild orgasme uitleeft. Daartussen evolueren de zangers: onverstoorbaar, voor een deel verborgen onder zijn witte kap, Dionysos, prima vertolkt door Sean Panikkar met klare, krachtige tenor. Zijn belangrijkste tegenspeler Pentheus heeft de warme bariton, prima tekstprojectie en geëngageerde vertolking van Rusell Braun.

Willard White leent zijn scenische autoriteit en al wat brokkelige bas aan de oude Cadmus. Nikolai Schukoff geeft Tiresias heldere, krachtige tenortonen en Karoly Szemeredy biedt een kordate Captain. Als Agave, de moeder van Pentheus (die haar in haar slaapkamer vanuit de kleerkast beloert!) levert Tanja Ariane Baumgartner een opmerkelijke, genuanceerde en ontroerende vertolking met warme, expressieve mezzosopraan. Vera-Lotte Böcker is haar sexy zus Autonoe met soepele sopraan en Anna Maria Dur geeft de trouwe voedster Beroe menselijke en vocale warmte.

Geen meer aangewezen dirigent om het complexe geheel van zangers, koren en orkest samen te houden en in de goede richting te sturen dan Kent Nagano. Eens te meer was de Wiener Philharmoniker (met een extra aparte slagwerk-opstelling) de betrouwbare partner. De Konzertvereinigung Wiener Staatsopernchor, voor de gelegenheid door Huw Rhys James ingestudeerd, maakte een voortreffelijke beurt in zijn verschillende tussenkomsten, in de zaal en op het toneel in allerlei rollen en gedaantes.


  • WAT: Salzburger Festspiele: Salome van Richard Strauss, Pique Dame van Pjotr Iljitsj Tchaikovski, The Bassarids van W.H. Auden en Chester Kallman
  • WAAR & WANNEER: Salzburg 9, 18 en 19 augustus 2018
  • FOTO & FILM: © Salzburger Festspiele