Jakob Lenz uit de opera van Wolfgang Rihm is een figuur die kan dwalen in de annalen van het museum Guislain in Gent. Met de beperkte middelen die voor de opvoering vereist zijn, zou het stuk daar zelfs kunnen spelen. Ook in dat museum gaat de confrontatie met beelden van waanzin immers vaak door merg en been.

De opera Jakob Lenz werd in maart 1979 in de Hamburgische Staatsoper gecreëerd. De productie van de Munt is een samenwerking met de opera van Stuttgart, waar het werk in november vorig jaar te zien was. Zowat tien jaar geleden bracht Muziektheater Transparant dit werk in een beklijvende enscenering van Caroline Petrick.

Wolfgang Rihm (°1952) inspireerde zich op de gelijknamige novelle van Georg Büchner (1813-1837). Die naam mag bij vele operaliefhebbers een belletje doen rinkelen als de auteur van de novelle Woyzeck (1836), waarop Alban Berg zijn opera Wozzeck (1913) baseerde. Hij was een arts met revolutionaire opvattingen en schreef ook een novelle over een episode in het leven van Jakob Lenz (1751-1792), een dichter uit de Sturm und Drangperiode. Ondanks zijn korte leven is Lenz, zowel omwille van zijn eigenzinnig gedachtengoed als om zijn experimentele schrijfstijl, een van de meest opmerkelijke Duitse auteurs. Als tijdgenoot van Goethe was hij ook korte tijd met hem bevriend en zijn geliefde Friederike Brion was zelfs een tijd de geliefde van Goethe geweest. De vriendschap met Goethe bleef dan ook niet duren. Gefrustreerd als artiest en in zijn liefdesleven raakte Lenz mentaal op drift. Hij leed aan een geestelijke ziekte die vandaag waarschijnlijk als schizofrenie zou bestempeld worden.

In de hoop van zijn depressie te genezen, woonde Lenz tijdens zijn studies geneeskunde in Straatsburg een tijd bij dominee Johann Friedrich Oberlin in een klein dorpje in de Vogezen. Oberlin hield over hem een dagboek bij, wat voor Büchner de inspiratiebron voor zijn novelle geweest is. Zowel Oberlin als Christof Kaufmann, een vriend, zijn machteloos tegenover Lenz, die steeds meer aan waanbeelden ten prooi valt. Ze laten hem uiteindelijk aan zijn lot over.

Hartverscheurend

Rihm doet het verhaal in dertien korte episodes. Alle “uiterlijke” elementen zijn tot een minimum herleid, wat tot een maximaal emotioneel effect leidt. Er zijn drie protagonisten, elf muzikanten en zes zangers die als een soort koor commentaar geven of de innerlijke stem van Lenz vertolken.

De regie van Andrea Breth is sober, maar de beelden evoceren scherp het leven van de waanzinnige Lenz. De regisseuse vraagt van Georg Nigl als Lenz hortende en bizarre bewegingen, die hij op de meest onwennige manier uitvoert: zijn geest is zo ziek dat de controle over zijn lichaam faalt – met schrijnende beelden op het einde van het stuk. Nigl speelt de helft van de scènes halfnaakt, wat hem nog kwetsbaarder en hulpelozer doet overkomen. In sommige scènes wordt het decor beheerst door grote spiegels: Lenz botst voortdurend op zichzelf. Er zijn ofwel grote ruwe rotsblokken die een dreigende natuur voorstellen (verwijzend naar een typisch natuurgevoel van de romantiek!), ofwel zien we een hallucinante, vaalgroene binnenruimte met lege boekenkasten en gesloten deuren. De grote, banale TL-lampen lijken wel wat afgekeken van Christoph Marthaler, maar ze dragen bij tot de “unheimliche” sfeer. Zelfs boeken zijn uit de leefwereld van de dichter gebannen. Het beeld van Goethe ligt gebroken op de grond, de vriend heeft hem verraden. In een indrukwekkende scène ligt Lenz op een leeg boekenschap. Ook de scène met een klein gestorven meisje is wrang, als Lenz in het kind zijn geliefde Friederike meent te herkennen. Van scène naar scène wordt het deprimerende verhaal steeds hartverscheurender.

Krachttoer

De muziek is al even expressief en hard als de beelden. Het slagwerk overheerst, met klanken die de angst nog beklemmender maken. De kopers schreeuwen schril. Op een elegisch moment heeft de hobo of klarinet even een lyrisch intermezzo met een toets melancholie à la Schubert. De strijkers bestaan enkel uit drie celli die doffe tonen van treurnis spelen. Franck Ollu houdt als dirigent alles strak in de hand. De vocale partijen staan vrij onafhankelijk van de kamermuzikale omlijsting. Vooral de rol van Lenz vereist een enorme vocale inzet van Georg Nigl, die zijn personage met waanzinnig engagement beleeft. Zowel fysiek als vocaal gaat hij tot het uiterste, met een uitzonderlijk ruime tessituur. Van aria’s of recitatieven is hier geen sprake, er wordt uiting gegeven aan angst en obsessie.

Georg Nigl levert als zanger-acteur een ware tour de force af. Hij slaagt erin zich helemaal in zijn personage in te leven en de stem in de meest ijzingwekkende tonen of ruwe kreten te buigen. Henry Waddington, als de hypocriet-bezorgde Oberlin (waarom de dominee er plots als een oude matrone moet uitzien is me niet duidelijk) en John Graham-Hall, als de radeloze Kaufmann die op het einde als de meedogenloze dokter verschijnt en Lenz in een dwangbuis wringt, waren als vertolkers waardige partners.

Deze productie van Wolfgang Rihms opera over een getraumatiseerde dichter zou men best de aankondiging “niet voor gevoelige zielen” meegeven.